Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4440

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
30-01-2013
Datum publicatie
25-11-2013
Zaaknummer
200.108.544/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Uitleg huwelijkse voorwaarden en verdeling van een eenvoudige gemeenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 30 januari 2013

Zaaknummer : 200.108.544/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 11-8399

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. P. de Vos te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. ing. J. de Koning te Lisse.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 19 juni 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 20 maart 2012 van de rechtbank ‘s-Gravenhage.

De vrouw heeft op 17 augustus 2012 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 23 november 2012 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 7 december 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

De advocaat van de man heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en heeft de rechtbank, voor zover in hoger beroep van belang, het verzoek van de man, inhoudende te bepalen dat aan hem een door de vrouw te betalen vergoedingsrecht toekomt alsmede de vrouw te veroordelen om de rechtbank en de man volledig inzage te geven in de ontwikkeling van haar vermogen vanaf 20 november 1973 tot heden en daarbij de drie meest recente aangiftes en aanslagen inkomstenbelasting alsmede bewijsstukken van al haar bankrekeningen, effectenrekening en andere vermogensbestanddelen over te leggen, afgewezen.

Voorts heeft de rechtbank – voor zover in hoger beroep van belang – bepaald dat:

- de echtelijke woning dient te worden verkocht aan een derde, dat uit de verkoopopbrengst, na aftrek van de hypothecaire schuld en overige aan de verkoop verbonden lasten, een nominale vergoeding van € 2.273,47 aan de man alsmede een nominale vergoeding van € 82.134,22 aan de vrouw dient te worden voldaan, althans hetgeen na voldoening van genoemde schuld en lasten resteert naar rato van deze vergoedingsrechten tussen partijen dient te worden verdeeld, de dan eventueel nog resterende overwaarde dient bij helfte tussen partijen te worden verdeeld; indien de verkoopopbrengst niet voldoende is voor voldoening van genoemde schuld en lasten, dan dienen beide partijen deze schuld en lasten bij helfte te voldoen;

- de boot getaxeerd dient te worden door een ter zake deskundig taxateur, dat de man hiertoe drie taxateurs voor dient te stellen aan de vrouw, waaruit de vrouw één taxateur zal kiezen die de taxatie zal uitvoeren, dat de man opdracht zal geven tot taxatie, dat beide partijen in de gelegenheid dienen te worden gesteld bij de bindende taxatie aanwezig te zijn en dat de kosten van de taxatie door hen gezamenlijk dienen te worden gedragen,

- de boot aan de man wordt toegedeeld, onder gehoudenheid van de man om 7/30 van de getaxeerde waarde aan de vrouw te voldoen.

Daarnaast heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw tot terugbetaling van een bedrag ad € 10.000,- aan haar afgewezen. De bepalingen en veroordeling zijn uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen partijen het volgende vast:

Partijen zijn op 20 november 1973 met elkaar gehuwd na het maken van huwelijkse voorwaarden, kort gezegd inhoudende uitsluiting van iedere goederenrechtelijke gemeenschap van goederen zonder enig verrekenbeding (de zogenaamde koude uitsluiting). Bij beschikking van 20 maart 2012 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Algemeen

1.

In geschil zijn:

- de uitleg van de huwelijkse voorwaarden tussen partijen;

- de verdeling van de gemeenschappelijke goederen,te weten:

- a. de boot [boot]; en

- b. de echtelijke woning te [adres],

- de terugbetaling van het bedrag van € 10.000,- door de man aan de vrouw.

2.

De man verzoekt het hof het beroep gegrond te verklaren, de bestreden beschikking te vernietigen, en (naar het hof begrijpt:) opnieuw beschikkende, de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van een vergoeding van € 450.000, - of zodanig bedrag als het hof juist acht.

3.

De vrouw bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de man in zijn appel niet-ontvankelijk te verklaren althans zijn grieven af te wijzen. Incidenteel verzoekt de vrouw het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de boot en de lening en voor het overige te bekrachtigen en te bepalen dat de man inzake de boot 54,5% van de taxatiewaarde aan de vrouw dient te voldoen en betreffende de lening van de vrouw aan de man, de man te veroordelen aan de vrouw € 9.750,- terug te betalen.

4.

De man heeft zich hiertegen ter zitting verzet.

Dwaling/afwijking huwelijkse voorwaarden

5.

De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte het verzoek van de man tot doorbreking van de koude uitsluiting heeft afgewezen. De man is van mening dat in dit uitzonderlijke geval voldoende redenen zijn om de koude uitsluiting te doorbreken door hem een substantieel vergoedingsrecht toe te kennen.

6.

Door de man zijn onder meer de navolgende feiten naar voren gebracht:

- beide partijen waren erg jong toe ze trouwde. Hij was 23 jaar;

- hij was geen jurist maar hofmeester;

- het doel van de huwelijkse voorwaarden was het voorkomen van verhaal van schuldeisers indien de man een eigen bedrijf zou starten;

- partijen zaten op 19 november 1973, een dag voor de huwelijksvoltrekking, tegenover notaris Visser te Amsterdam;

- de notaris had een standaardovereenkomst van huwelijkse voorwaarden uit de kast getrokken waarbij iedere gemeenschap van goederen werd uitgesloten en waarbij de man alle lasten van het huwelijk voor zijn rekening nam;

- zoals blijkt uit de staat van aanbrengsten zijn partijen ieder met een min of meer gelijk vermogen in het huwelijk gestapt;

- de notaris heeft hem niet gewezen op de gevolgen van de koude uitsluiting;

- als hij de gegroeide wanverhouding tussen het vermogen van de vrouw en zijn vermogen zou hebben geweten, zou hij de koude uitsluiting niet hebben geaccepteerd. De man heeft gedwaald door deze verkeerde voorstelling van zaken;

- bij de notaris heeft de man niet beseft en niet kunnen voorstellen dat het huwelijk tussen hem en zijn aanstaande echtgenote in 2012, bijna 40 jaar later, door echtscheiding zou eindigen;

- de maatstaven van redelijkheid en billijkheid brengen mee dat de vrouw van dat op haar eigen rekeningen gespaarde en niet met de man verrekende geld een bedrag van € 450.000,- althans een naar redelijkheid en billijkheid vast te stellen bedrag aan de man dient te vergoeden. Hij zou dan na verkoop van de echtelijke woning aan de verdeling een bedrag van circa € 700.000,- overhouden en de vrouw een bedrag van circa € 1.250.000,-;

- de man heeft bijna veertig jaar lang alle lasten van de echtelijke woning voor zijn rekening genomen en zou op die manier een redelijke compensatie krijgen waarmee de gevolgen van de niet gewilde koude uitsluiting ongedaan zou worden gemaakt;

- het verschil tussen de vermogenstoestand van de man en de vrouw aan het einde van het huwelijk is zodanig disproportioneel te noemen dat de vrouw naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverkorte handhaving van de koude uitsluiting niet mag verwachten.

6.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist. Door de vrouw is onder meer het navolgende naar voren gebracht:

- de vrouw komt uit een vermogende familie. Haar ouders waren ook getrouwd op huwelijkse voorwaarden. Haar ouders hebben partijen aangeraden ook huwelijkse voorwaarden aan te gaan. De ouders van de vrouw en ook de vrouw wilden niet dat het vermogen van haar familie zou worden overgeheveld naar de koude kant;

- ten tijde van het aangaan van het huwelijk was de vrouw al veel meer vermogend dan de man;

- de notaris heeft weldegelijk partijen gewezen op de gevolgen van de huwelijkse voorwaarden;

- het enige doel voor het aangaan van de huwelijkse voorwaarden was dat de man geen aanspraak kon maken op het vermogen van de vrouw;

- de vrouw heeft in het begin van het huwelijk gewerkt. Zij had in het begin van het huwelijk meer inkomen dan de man;

- toen de kinderen werden geboren is de vrouw gestopt met werken en was er sprake van een traditioneel rollenpatroon;

- toen de kinderen ouder werden is zij 12,5 uren per week gaan werken als verpleegkundige;

- de vrouw heeft uit vrije wil meebetaald aan kosten van de huishouding;

- het vermogen dat de vrouw momenteel heeft, heeft zij enkel uit erfenissen en schenkingen ontvangen.

7.

Het hof overweegt als volgt. Partijen zijn onder het maken van huwelijkse voorwaarden met elkaar getrouwd. Artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden luidt als volgt: “De wettelijke algehele gemeenschap van goederen, de gemeenschap van vruchten en inkomsten en elke andere beperkte vermogensgemeenschap worden uitgesloten, zodat er tussen de echtgenoten geen enkele gemeenschap van goederen zal bestaan.” In de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden is geen verrekenbeding opgenomen. Er is derhalve sprake van de zogeheten koude uitsluiting.

8.

Uit het betoog van de vrouw volgt dat zij bewust voor deze vorm van huwelijkse voorwaarden heeft gekozen aangezien zij uit een vermogende familie kwam en het niet wenselijk achtte dat dit vermogen naar de man zou vloeien. De bedoeling van de vrouw bij het aangaan van de huwelijkse voorwaarden was gericht op een volstrekte vermogensscheiding. Door de vrouw is voorts gesteld dat partijen destijds door de notaris goed zijn voorgelicht.

9.

De man stelt – kort samengevat - dat de huwelijkse voorwaarden zijn aangegaan om te voorkomen dat een zaakscrediteur van de ene echtgenoot zich zou kunnen verhalen op het vermogen van de andere echtgenoot. Voorts stelt hij dat als hij zou hebben geweten van de wanverhouding tussen het vermogen van hemzelf en de vrouw hij nimmer akkoord zou zijn gegaan met de koude uitsluiting.

10.

Beide partijen hebben een eigen visie over de reden waarom zij de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden met elkaar zijn overeengekomen. Nu het hof de gezamenlijke partijbedoeling niet kan vaststellen gaat het hof voor wat betreft de inhoud van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden uit van hetgeen de notaris in de akte heeft opgenomen. Gezien de functie van de notaris in het maatschappelijk verkeer kan er in beginsel van uit worden gegaan dat de notaris de partijbedoeling in de akte van huwelijkse voorwaarden juist heeft weergegeven. De stelling van de man dat hij niet door de notaris is voorgelicht is door de vrouw weersproken. In de akte van huwelijkse voorwaarden is vermeld: “Na zakelijke opgave van de inhoud van deze akte, aan de verschenen personen en volledige voorlezing van deze akte, is zij door de comparanten en mij, notaris ondertekend.” Naar het oordeel van het hof volgt uit de akte van huwelijkse voorwaarden dat de man klaarblijkelijk is voorgelicht omtrent de gevolgen van de akte. De akte is door de notaris ook volledig voorgelezen. Dat de man in zijn visie heeft gedwaald rechtvaardigt niet dat deze mogelijke dwaling aan de zijde van de man aan de vrouw kan worden toegerekend. De mogelijke dwaling aan de zijde van de man was niet kenbaar voor de vrouw. De rechtszekerheid in deze brengt naar het oordeel van het hof met zich mede dat de man in beginsel aan de op zichzelf duidelijke bewoordingen van de akte van huwelijkse voorwaarden is gebonden zoals is verwoord in de akte van huwelijkse voorwaarden opgesteld door notaris Visser te Amsterdam en dat voor een beroep op dwaling geen plaats is.

11.

De overige feiten en omstandigheden die de man heeft gesteld rechtvaardigen niet dat de vrouw de man niet in redelijkheid aan de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden kan houden. Het enkele feit dat er een groot vermogensverschil is tussen de echtgenoten rechtvaardigt op zich niet dat de ene echtgenoot jegens de andere echtgenoot een vergoedingsrecht krijgt. In het onderhavige geval heeft de man altijd een inkomen gehad. De man had uit zijn inkomen een vermogen kunnen opbouwen. De vrouw heeft haar vermogen gekregen van haar familie. Mede bezien de aard van de huwelijkse voorwaarden heeft de man geen enkele aanspraak op het vermogen dat de vrouw van haar familie heeft verkregen. Door de man is niet bestreden dat partijen na de geboorte van de kinderen een klassiek rollenpatroon hadden waarbij de vrouw zorg droeg voor de zorgtaken binnen het gezin. In die periode kan de vrouw geen vermogen opbouwen uit arbeid terwijl de man in die periode wel over verdiencapaciteit beschikte. Waar het naar het oordeel van het hof echter vooral om gaat, is dat vast is komen te staan dat (de toename van) het vermogen van de vrouw hoofdzakelijk is veroorzaakt door (de belegging van) de makingen en giften die zij onder uitsluitingsclausule van haar ouders heeft verkregen. Daarmee is gegeven dat die verkrijgingen niet in enige gemeenschap van goederen – ook niet in de onderlinge verhouding van partijen – kunnen vallen. Partijen hadden immers niet in hun huwelijkse voorwaarden kunnen bepalen dat de uitgesloten goederen niettemin tussen hen gemeenschappelijk zullen zijn of dat de waarde daarvan tussen hen verdeeld zal worden. De uitsluitingsclausule heeft dwingendrechtelijke werking. De man kan op grond van hetgeen hiervoor is overwogen geen vergoedingsvordering hebben jegens de vrouw.

Inzage vermogen

12.

De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de vordering van de man dat zij inzage dient te verstrekken in het verloop van haar vermogen vanaf 20 november 1973. Het hof is van oordeel dat de vrouw aan de man geen inzage behoeft te geven in de ontwikkeling van haar vermogen vanaf 20 november 1973. Een dergelijke verplichting vloeit niet uit de wet voort. Art 1:83 BW legt echtgenoten enkel de plicht op elkaar desgewenst te informeren over – voor zover hier van belang - de stand van hun vermogens en houdt geen verplichting in tot het afleggen van rekening en verantwoording met betrekking tot hun vermogens. Over de stand van het vermogen van de vrouw heeft de man van de vrouw meer dan voldoende informatie gekregen.

Verdeling echtelijke woning

13.

De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat de vrouw ter zake van de echtelijke woning aanspraak heeft op een nominaal vergoedingsrecht van € 82.134,22 in plaats van € 5.352,27, subsidiair € 39.376,42 alvorens de verkoopopbrengst van de echtelijke woning bij helfte tussen partijen wordt verdeeld. De man voert daartoe onder meer aan dat weliswaar de eerste woning op naam van de vrouw stond, maar dat de hypotheek op naam van beider partijen stond, dat de man alle lasten en aflossingen van die eerste woning en de latere tweede en derde woning voor zijn rekening heeft genomen en dat de tweede en derde woning wel op naam van beide partijen zijn gezet. De vrouw is volgens de man tegenstrijdig in haar standpunt met betrekking tot de toepassing van de huwelijkse voorwaarden. Van de aankoopprijs van de eerste woning, fl. 57.500,-, heeft de vrouw niet meer dan een bedrag van

fl. 17.500,- bijgedragen, de rest is gefinancierd met een hypothecaire geldlening.

14.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist. Door de vrouw is gesteld dat ook haar inkomen werd gebruikt voor de betaling van de lasten van de woningen. Van de overwaarde van de eerste woning heeft zij f 106.000,- ingebracht in de tweede woning. Ter financiering heeft de vrouw voor het derde huis f 75.000,- ingebracht. Dit wordt door de man erkend. De vrouw heeft ter zake dus een vergoedingsrecht van € 82.134,22.

15.

Het hof overweegt als volgt. Voor de verdeling van de opbrengst van de voormalige echtelijke woning die partijen in mede-eigendom toebehoorde zijn relevant de bedragen die partijen uit hun eigen vermogen in de woning hebben geïnvesteerd. De man stelt dat hij uit zijn inkomsten de hypotheekrente heeft betaald en het hof begrijpt ook de onderhoudskosten van de woning. Dit is door de vrouw bestreden. In artikel 3 van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden is vermeld: “Voor rekening van de man zijn alle lasten van het huwelijk, zoals de kosten van de huishouding, daaronder begrepen de kosten der verzorging en opvoeding van de kinderen, die uit het huwelijk van de echtgenoten mochten worden geboren, die door hen mochten worden geadopteerd of die met beider toestemming in het gezin mochten worden opgenomen.”

Krachtens de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden dient de man de kosten van de huishouding te betalen. Naar het oordeel van het hof zijn rentebetalingen ter zake van de met geleend geld verworven echtelijke woning en kosten van regulier onderhoud van de echtelijke woning huisvestingskosten waardoor primair geen vermogensopbouw plaats vindt en deze als zodanig zijn aan te merken als kosten van de huishouding. Het hof heeft niet kunnen vaststellen dat de betaalde onderhoudskosten hebben geleid tot een waardeverhogende verbetering van de echtelijke woning.

De inhoud van de huwelijkse voorwaarden van partijen nopen niet tot een ander oordeel, zodat de man vanwege deze door hem betaalde kosten met betrekking tot de echtelijke woning geen vergoedingsrecht heeft jegens de vrouw. Het hof is van oordeel dat op het door de vrouw uit eigen vermogen in de verkrijging van de voormalige echtelijke woning geïnvesteerde bedrag van € 82.134,22 geen vergoedingsvordering van de man in mindering komt.

Verdeling van de waarde van de boot

16.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de boot van partijen aan de man moet worden toegedeeld onder gehoudenheid van de man om 7/30 van de getaxeerde waarde aan de vrouw te voldoen. De vrouw voert daartoe aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat € 23.000,- is voldaan uit gelden die als privé van de man zijn te beschouwen. Volgens de vrouw blijkt echter uit het door de man overgelegde bankafschrift dat € 18.764,65 van de rekening van de man is overgemaakt. De vrouw stelt dat zij aldus recht heeft op 54,5% en de man op 45,5% van de taxatiewaarde van de boot.

17.

De man heeft de stelling van de vrouw gemotiveerd betwist.

18.

Het hof overweegt als volgt. In haar toelichting op haar grief verwijst de vrouw naar productie 6 bij het verweerschrift in eerste aanleg van de man. Uit die productie volgt dat op de rekening met nummer 46.69.12.730 is gestort door de man een bedrag van € 18.764,65. Voorts volgt uit de rekening met nummer 46.69.12.730 dat van die rekening is betaald een bedrag van
€ 23.000,- ten behoeve van de boot. Door de vrouw is geen grief gericht tegen de overweging van de rechtbank dat de gelden op de rekening met nummer 46.69.12.730 tot het vermogen van de man behoren. Het hof is derhalve met de rechtbank van oordeel dat de boot voor een bedrag van € 23.000,- is gefinancierd uit de privémiddelen van de man. De grief van de vrouw treft geen doel.

Geldlening

19.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte het verzoek tot terugbetaling van een bedrag van € 10.000,- aan haar in verband met een lening heeft afgewezen. De vrouw voert daartoe onder meer aan dat uit een e-mailbericht van haar aan de man blijkt dat het om een geldlening aan de man ging.

20.

De man heeft de stelling van de vrouw gemotiveerd betwist door (impliciet) te stellen dat de vrouw die gelden ter beschikking heeft gesteld aan de man voor de betaling van huishoudkosten en dat hij die niet hoeft te vergoeden op grond van artikel 3.2 van de huwelijkse voorwaarden.

21.

Het hof overweegt als volgt. Gezien de gemotiveerde betwisting van de zijde van de man kan het hof niet vaststellen dat het hier een lening van de vrouw aan de man betreft. De grief treft derhalve geen doel.

Conclusie

22.

Uit het bovenstaande volgt dat de grieven van zowel de man als de vrouw falen, zodat de bestreden beschikking zal worden bekrachtigd.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stollenwerck, Labohm en Pijls-olde Scheper, bijgestaan door mr. Wittich-de Ridder als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 januari 2013.