Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4431

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
03-12-2013
Zaaknummer
200.125.561-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Nieuwe richtlijn.Gezien het belang van een kind bij een onderhoudsbijdrage, brengt dat naar het oordeel van het hof met zich dat indien de feitelijke (woon)lasten van de onderhoudsplichtige zodanig lager zijn dan de forfaitaire norm, zoals in de onderhavige zaak, deze lagere lasten dienen te prevaleren boven de forfaitaire norm. Beroep op de onaanvaardbaarheidstoets.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 392
Burgerlijk Wetboek Boek 1 404
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2014/7.6
RFR 2014/36
FJR 2015/11.8
JPF 2014/29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 13 november 2013

Zaaknummer : 200.125.561/01

Rekestnummer rechtbank : F1 RK 12-1764 en F1 RK 12-4377

Zaaknummer rechtbank : 402019 en 414341

[appellante],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep, tevens verweerster in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. E.B. van den Ouden te Oude-Tonge, gemeente Oostflakkee,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep, tevens verzoeker in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. B.J. Bal te Hellevoetsluis.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 12 april 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 16 januari 2013 van de rechtbank Rotterdam.

De man heeft op 19 juni 2013 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vrouw heeft op 9 juli 2013 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vrouw:

- op 23 augustus 2013 een faxbericht met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

- op 23 augustus 2013 wederom een faxbericht met als bijlage een V-formulier van diezelfde datum met bijlage;

van de zijde van de man:

  • -

    op 12 augustus 2013 een V-formulier van 9 augustus 2013 met bijlagen;

  • -

    op 26 augustus 2013 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 6 september 2013 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;

- de man, bijgestaan door zijn advocaat.

De advocaat van de vrouw heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en heeft de rechtbank voorts, onder meer en uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat:

- de man aan de vrouw met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding ten behoeve van de na te noemen minderjarigen, telkens bij vooruitbetaling, zal uitkeren € 531,50 per maand per kind;

- het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een uitkering in haar levensonderhoud is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. Het hof stelt allereerst vast dat de vrouw ter zitting in hoger beroep haar voorwaardelijke grond ter zake van de echtscheiding heeft ingetrokken, zodat hierop derhalve niet meer behoeft te worden beslist. In geschil is in hoger beroep derhalve enkel nog de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding (hierna ook: kinderalimentatie) ten behoeve van de minderjarigen:

[minderjarige 1], geboren [in] 2002 te[geboorteplaats], en

[minderjarige 2], geboren [in] 2005 te [geboorteplaats], hierna verder: de minderjarigen, en de door de man te betalen uitkering tot levensonderhoud voor de vrouw (hierna ook: partneralimentatie).

2. De vrouw verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de man als kinderalimentatie, telkens bij vooruitbetaling, zal uitkeren € 538,-- per maand per kind en aan de vrouw een partneralimentatie zal betalen van € 1.675,-- per maand, eveneens bij vooruitbetaling te voldoen, zodat het verzoek in de voorlopige voorzieningen procedure gedaan, ongewijzigd van kracht blijft.

3. De man bestrijdt het beroep en verzoekt het hof de vrouw in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel deze af te wijzen als zijnde ongegrond dan wel niet bewezen. In incidenteel appel verzoekt de man het hof de bestreden beschikking te vernietigen, voor zover het betreft de bepaling van de kinderalimentatie van € 531,50 per kind per maand en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand zal dienen te voldoen aan de vrouw een kinderalimentatie van € 250,-- per kind per maand, maandelijks bij vooruitbetaling te voldoen, althans een zodanige beschikking te wijzen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

4. De vrouw verzet zich daartegen en verzoekt het hof, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat het incidenteel appel, ingesteld door de man, wordt afgewezen, dan wel niet-ontvankelijk wordt verklaard, zulks met veroordeling van de man in de kosten van die incidentele hoger beroepsprocedure.

5. Het hof zal hetgeen partijen in hun principaal, respectievelijk incidenteel hoger beroep

hebben aangevoerd, gezamenlijk behandelen.

Alimentatie

Kinderalimentatie

6.

Partijen verschillen van mening over de vraag welke richtlijn voor de vaststelling van de kinderalimentatie moet worden toegepast. De vrouw betoogt dat de oude methode in deze dient te worden toegepast nu het echtscheidingsverzoek dateert uit mei 2012 en de bestreden beschikking ook dateert van voor de datum van invoering van het nieuwe systeem. De man staat een toepassing van de nagemelde nieuwe richtlijn voor nu het een bijdrage ingaand per 1 april 2013 betreft.

7.

Het hof stelt voorop dat op 1 april 2013 de nieuwe Richtlijn voor de vaststelling van kinderalimentatie van de Werkgroep Alimentatienormen (hierna: nieuwe richtlijn) in werking is getreden. De aanbevelingen die per 1 april 2013 in werking zijn getreden, zullen worden toegepast bij wijzigingen die zich op of na 1 april 2013 voordoen, dan wel bij alimentaties die nadien voor het eerst worden vastgesteld.

8.

Het hof overweegt vervolgens dat de rechtbank in de onderhavige procedure de partner- en kinderalimentatie heeft vastgesteld met ingang van de dag dat de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand en daartegen is niet in hoger beroep opgekomen. Ter terechtzitting van het hof is vast komen te staan dat de echtscheidingsbeschikking nog niet is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Dit brengt met zich mee dat het hof de kinderalimentatie zal vaststellen met inachtneming van de nieuwe richtlijn voor zover deze in het concrete geval in overeenstemming is met de uitgangspunten van de wet.

Eigen aandeel in de kosten van de minderjarigen (behoefte)

9.

Nu de vrouw ter terechtzitting haar grief met betrekking tot de behoefte van de minderjarigen heeft ingetrokken, staat de behoefte zoals door de rechtbank is vastgesteld van in totaal € 1.185,--(€ 592,50,-- per maand per kind) vast.

Draagkracht van de vrouw tot betaling van kinderalimentatie

10.

Nu het inkomen van de vrouw beneden bijstandsniveau ligt, is het hof van oordeel dat de vrouw onvoldoende draagkracht heeft om te voorzien in de kosten van de minderjarigen.

Draagkracht van de man tot betaling van kinderalimentatie

11.

Partijen zijn het niet eens over het inkomen van de man. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat uitgegaan moet worden van een bruto jaarinkomen van de man van € 125.383,--, zoals blijkt uit de overgelegde jaaropgave 2012 (inclusief de bijtelling van de auto en een bonus/winstuitkering van € 35.085,--).

12.

De man heeft in zijn incidentele appel zijn draagkracht aan de orde gesteld. Bij de vaststelling van zijn draagkracht mag geen rekening meer worden gehouden met een bonus van €  16.800,-- per jaar aangezien het niet te verwachten is dat hij die bonus ook nog in de toekomst zal genieten. De man heeft bij brief van 9 augustus 2013 een berekening van zijn netto inkomen in het geding gebracht. De man komt uit op een netto inkomen van €  4.119,-- per maand. De man heeft dit berekend op basis van een bruto inkomen van €  83.959,-- per jaar. Voorts heeft de man bij voormelde brief nog andere stukken met betrekking tot zijn draagkracht in het geding gebracht. Het hof verwijst naar punt 7 van de brief van 9 augustus 2013. Uit de toelichting op de grief leidt het hof af dat de man in appel alleen de hoogte van zijn inkomen met betrekking tot zijn draagkracht aan de orde stelt.

13.

Bij het vaststellen van de draagkracht van de man gaat het hof voor het inkomen van de man in beginsel uit van de jaaropgave 2012. Gelijk de rechtbank Rotterdam in haar beschikking van 26 juli 2013, waarin de getroffen voorlopige voorzieningen zijn gewijzigd, zal het hof op het loon van € 125.383,-- in mindering brengen de werkgeversbijdrage in de premie zorgverzekering van € 3.555,--, de bijtelling van de auto van € 10.284,-- en de bonus/winstuitkering van € 35.085,-- over het jaar 2011. Dit resulteert in een loon van € 76.459,--, waarbij wordt bijgeteld de daadwerkelijk door de man ontvangen bonus/winstuitkering in 2012 van € 16.800,--, zoals blijkt uit de loonstrook van juni 2013, hetgeen resulteert in een jaarinkomen van € 93.259,-- bruto. Met betrekking tot de in aanmerking te nemen bonus passeert het hof daarbij de stelling van de man dat de in aanmerking te nemen bonus lager moet zijn en de stelling van de vrouw dat de in aanmerking te nemen bonus hoger moet zijn nu de omvang van deze uitkering een toekomstige, onzekere gebeurtenis betreft. Zoals het hof hiervoor heeft overwogen houdt het hof rekening met een daadwerkelijk uitgekeerde bonus van € 16.800,--.

14.

De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen de door de rechtbank gehanteerde woonlast van de man van €  1.000,-- per maand. Door de man is een bewijsstuk in het geding gebracht met betrekking tot zijn huur. Naar het oordeel van het hof moet in het kader van de vaststelling van de draagkracht van de onderhoudsplichtige rekening worden gehouden met in beginsel alle redelijke lasten van de onderhoudsplichtige. Het hof acht de door de man opgevoerde woonlasten, gezien het inkomen van de man, redelijk. Het hof gaat daarbij voorbij aan het betoog van de vrouw dat de huurprijs moet worden verlaagd nu sprake is van een gemeubileerd appartement. Uitgaande van het door de man overgelegde huurcontract is sprake van een kale huur van €  850,-- per maand. Indien het hof op basis van de nieuwe richtlijn de woonlasten van de man moet vaststellen, komt dit uit op een bedrag van €  1.347,--. Een verschil van bijna €  500,-- per maand ten nadele van draagkrachtruimte voor de vaststelling van de kinderalimentatie. Gezien het belang van een kind bij een onderhoudsbijdrage, brengt dat naar het oordeel van het hof met zich dat indien de feitelijke (woon)lasten van de onderhoudspplichtige zodanig lager zijn dan de forfaitaire norm, zoals in de onderhavige zaak, deze lagere lasten dienen te prevaleren boven de forfaitaire norm.

15.

Door de man wordt een beroep gedaan op de onaanvaardbaarheidstoets, nu hij niet alleen de lasten van de door hem betrokken huurwoning voldoet, maar ook de hypotheekrente van (afgerond) € 1.350,-- per maand van de voormalig echtelijke woning. De vrouw heeft niet betwist dat de man voormelde lasten van de voormalig echtelijke woning voldoet. Door de man is erkent dat de aan de hypothecaire geldlening gekoppelde premie levensverzekering bij de ASR van €43,91 niet meer betaald wordt, zodat het hof met deze last geen rekening houdt.  

16.

Het hof is van oordeel dat de woonlasten verbonden aan de voormalig echtelijke woning onder de categorie “noodzakelijke lasten” vallen. Gelet hierop zal het hof met deze lasten rekening houden door het draagkrachtloos inkomen van de man te verhogen met de door hem te betalen rente en premie.

17.

Het hof zal conform de nieuwe richtlijn voorts rekening houden met het forfaitaire bedrag van € 850,-- voor de kosten van levensonderhoud van de man aangezien het hof van oordeel is dat de man wel over de nodige middelen dient te beschikken om in zijn bestaan te kunnen voorzien.

18.

Gelet op het voorgaande bedraagt het draagkrachtloos inkomen van de man € 3.050,-- ( € 850,-- (forfaitair bedrag voor kosten levensonderhoud) + € 850,-- (feitelijke huurlasten van de man) + € 1.350,-- (noodzakelijke lasten)).

19.

Op grond van hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen en rekening houdend met het fiscale voordeel, is het hof van oordeel dat de man voldoende draagkracht heeft om een onderhoudsbijdrage te voldoen van € 1.130,-- voor twee kinderen.

De kosten van de zorgregeling

20.

De man stelt aanspraak te maken op toepassing van een zorgkorting van 35% op de door hem eventueel verschuldigde kinderalimentatie gelet op de door partijen overeengekomen zorgregeling waarbij de minderjarigen gemiddeld drie dagen per week bij hem verblijven. De vrouw heeft daartegen gemotiveerd bezwaar gemaakt en betoogt dat de zorgkorting slechts 25% moet bedragen, nu de minderjarigen in het kader van de zorgregeling voor het avondeten bij haar worden teruggebracht en de man derhalve die kosten niet heeft.

21.

Het hof overweegt als volgt. Uit het ouderschapsplan van partijen volgt dat de man gedurende drie dagen per week de zorgtaken met betrekking tot de minderjarigen verricht. Gezien de omvang van de zorg en de kosten die daarmee verbonden zijn en die daadwerkelijk ten laste van de man komen, acht het hof het in dit specifieke geval correct om met een zorgkorting rekening te houden van 35%.

22.

De eerder afgeleide bijdrage wordt verminderd met dit bedrag, zodat de man als kinderbijdrage aan de vrouw dient te betalen € 715,25 per maand, zijnde afgerond € 358,-- per maand per kind, waarbij rekening is gehouden met het fiscale voordeel.

23.

De overige stellingen van partijen met betrekking tot de kinderalimentatie die in de geest van de oude methodiek zijn geponeerd, behoeven derhalve geen bespreking meer.

24.

Het verzoek van de vrouw met betrekking tot de kosten van opleiding en studie van de minderjarigen, inhoudende te bepalen dat deze kosten door de man gedragen dienen te worden -althans in verhouding tot een ieders inkomen wanneer het zo ver is -, wijst het hof af.

Partneralimentatie

25.

Rekening houdend met bovengemelde lasten en voormelde kinderalimentatie is het hof van oordeel dat geen draagkracht meer resteert voor een partneralimentatie zodat de discussie van partijen over de behoeftigheid van de vrouw en de draagkracht van de man tot betaling van partneralimentatie onbesproken kan blijven.

Proceskostenveroordeling

26.

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten, anders dan de vrouw verzoekt, in (incidenteel) hoger beroep compenseren.

27.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de kinderalimentatie betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van het tijdstip waarop de echtscheidingsbeschikking is of zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand op € 358,-- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan 's hofs oordeel onderworpen voor het overige;

compenseert de kosten van het hoger beroep aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Labohm en Van der Burght, bijgestaan door mr. Wittich-de Ridder als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 november 2013.