Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4424

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
25-11-2013
Zaaknummer
200.131.362-02
Rechtsgebieden
Civiel recht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van een beschikking waarbij een partneralimentatie is bepaald afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 16 oktober 2013

Zaaknummer : 200.131.362/02

Rekestnummer rechtbank : FA RK 12-8775

Zaaknummer rechtbank : C/11/100076

Jan Arie VERSCHOOR,

wonende te Ridderkerk,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. drs. K. Moene te Den Haag,

tegen

Simone Elinora VAN DER ZEE,

wonende te Heerjansdam, gemeente Zwijndrecht,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.J.A. van der Burg te Ridderkerk.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 5 augustus 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 6 mei 2013 van de rechtbank Rotterdam. Dit hoger beroep is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.131.362/01. Bij dat beroep heeft de man tevens een verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking ingediend. Dit schorsingsverzoek is bij het hof ingeschreven onder zaaknummer 200.131.362/02.

De vrouw heeft op 20 augustus 2013 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

op 13 september 2013 een V-formulier met bijlagen;

op 16 september 2013 een V-formulier met bijlagen;

van de zijde van de vrouw:

op 20 september 2013 een faxbericht met bijlagen.

De zaak is op 26 september 2013 mondeling behandeld, uitsluitend voor wat betreft het verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking.

Ter zitting waren aanwezig:

de man, bijgestaan door zijn advocaat;

de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

De advocaat van de vrouw heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de tussenbeschikking van 23 januari 2013 van de rechtbank Rotterdam en de bestreden beschikking.

Bij tussenbeschikking van 23 januari 2013 is, voor zover in dit hoger beroep van belang, de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de beslissing ten aanzien van de partneralimentatie aangehouden.

Bij de bestreden beschikking is, voor zover in dit hoger beroep van belang, uitvoerbaar bij voorraad bepaald dat de man met ingang van de dag waarop de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand ten behoeve van de vrouw een alimentatie zal betalen van € 1.250,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat de echtscheidingsbeschikking op 27 mei 2013 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET VERZOEK TOT SCHORSING VAN DE WERKING VAN
DE UITVOERBAARVERKLARING BIJ VOORRAAD VAN DE BESTREDEN
BESCHIKKING

1.

De man verzoekt het hof de bij de bestreden beschikking uitgesproken uitvoerbaarverklaring bij voorraad, voor zover het de partneralimentatie betreft, met ingang van 27 mei 2013 (zijnde de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand) voor de duur van het hoger beroep te schorsen.

2.

De vrouw verweert zich daartegen en verzoekt het hof primair de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad en subsidiair het verzoek af te wijzen en de bestreden beschikking op dit punt te bekrachtigen, alsmede de man te veroordelen in de kosten van deze procedure.

3.

De man stelt dat hij in eerste aanleg weliswaar een verweerschrift door een advocaat heeft laten indienen, maar dat hij ter zitting niet werd bijgestaan door een advocaat, omdat hij de advocaatkosten niet kon voldoen. Zodoende heeft de man geen financiële gegevens kunnen overleggen. De beslissing van de rechtbank dat de man in staat moet zijn om een partneralimentatie van € 1.250,- per maand te kunnen voldoen, berust dan ook op een juridische dan wel feitelijke misslag. Door de beslissing van de rechtbank is er voor de man een financiële noodtoestand ontstaan. Zijn loon is reeds beslagen door schuldeisers, zodat hij niet aan zijn gewone maandelijkse verplichtingen kan voldoen, laat staan dat hij partneralimentatie kan betalen. Verder is er door de rechtbank geen rekening gehouden met de achterstanden op de hypothecaire geldleningen en het flexibel krediet, de schulden aan de vader van de man, de verplichtingen van de man ter zake advocaatkosten en zijn onderhoudsverplichting jegens zijn uit zijn nieuwe relatie geboren dochter.

4.

De vrouw bestrijdt de stellingen van de man. De man heeft niet aangetoond dat hij niet in staat was de gevraagde bijdrage te voldoen, terwijl de behoefte van de vrouw niet weersproken was. De rechtbank kon dan ook de gevolgtrekking maken die zij geraden achtte. Voor de vrouw is de partneralimentatie noodzakelijk om te kunnen voldoen aan de huishoudelijke lasten die zij samen met de man is aangegaan. De man heeft zonder enige mededeling de echtelijke woning verlaten en weigerde nog enige bijdrage te betalen. Ook zijn toezegging om € 600,- per maand bij te dragen in de kosten van het flexibel krediet, de hypotheeklasten en de overige woonlasten is hij niet nagekomen. De vrouw is daardoor geconfronteerd met lasten en achterstanden die zij uit haar geringe inkomen moet voldoen. Als de man zijn deel van de gezamenlijke lasten was blijven betalen, dan waren de feiten en omstandigheden waarop hij zich thans beroept niet ontstaan. Bovendien woont de man in een volledig ingerichte woning van zijn oom. Dat de man onderhoudsplichtig is jegens een dochter blijkt nergens uit.

5.

Het hof stelt voorop dat een partij die een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking heeft verkregen in beginsel bevoegd is deze te executeren, ook indien tegen de beschikking hoger beroep is ingesteld. Bij de beoordeling van de vraag of, in afwijking van voornoemd uitgangspunt, de tenuitvoerlegging van een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking dient te worden geschorst, dienen de navolgende maatstaven te worden aangelegd:

  • -

    de verzoeker moet belang hebben bij de door hem verlangde schorsing van de tenuitvoerlegging;

  • -

    bij de in het licht van de omstandigheden van het geval te verrichten afweging van de belangen van partijen moet worden nagegaan of het belang van degene die schorsing verzoekt bij behoud van de bestaande toestand tot op het rechtsmiddel is beslist, zwaarder weegt dan het belang van de andere partij om de door hem verkregen veroordeling direct ten uitvoer te leggen, en

  • -

    bij deze belangenafweging dient de kans van slagen van het aangewende rechtsmiddel in de regel buiten beschouwing te blijven.

6.

Bij de beoordeling van een verzoek tot schorsing als hier bedoeld geldt ook, dat in beginsel moet worden uitgegaan van de beslissing van de vorige rechter en de daaraan ten grondslag liggende vaststellingen en oordelen omtrent de uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Dit kan anders zijn indien de bestreden beschikking, waarvan de verzoeker beroep heeft ingesteld, klaarblijkelijk berust op een juridische of feitelijke misslag dan wel indien na de bestreden beslissing feiten of omstandigheden zijn voorgevallen of aan het licht gekomen, die kunnen rechtvaardigen dat van die eerdere beslissing wordt afgeweken.

7.

Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof niet gebleken van een juridische of feitelijke misslag in de bestreden beschikking die meebrengt dat de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad zou moeten worden geschorst. Het feit dat de man stelt in eerste aanleg geen financiële gegevens te hebben kunnen over leggen, is daartoe onvoldoende. In die situatie is de rechtbank immers niet in de gelegenheid gesteld de draagkracht van de man te beoordelen en kan derhalve ook niet gezegd worden dat de rechtbank bij die beoordeling een misslag als bedoeld heeft gemaakt.

8.

Voorts heeft de man naar het oordeel van het hof onvoldoende concrete feiten of omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat zijn belang bij de door hem verzochte schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking groter is dan het belang van de vrouw bij handhaving van de tenuitvoerlegging. Onweersproken is dat de vrouw een gering inkomen heeft en zich gesteld ziet voor de lasten die partijen ten tijde van het huwelijk samen zijn aangegaan. Dat sprake is van een noodtoestand aan de zijde van de man als gevolg van na de bestreden beschikking aan de zijde van de man opgekomen omstandigheden is naar het oordeel van het hof niet, althans onvoldoende aannemelijk geworden. De man heeft ter zitting in beroep verklaard dat zijn inkomen niet slecht is, dat er in juli en augustus 2013 geen beslag op zijn loon is gelegd, dat hij de schuld aan zijn vader van € 750,- heeft afbetaald en dat hij voorts in de afgelopen periode € 2.000,- opzij heeft gelegd voor het mogelijk overnemen van de echtelijke woning.

9.

Gelet op vorenstaande feiten en omstandigheden zal het hof het verzoek van de man tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking afwijzen.

10.

Hetgeen de man verder nog naar voren heeft gebracht, behoeft geen nadere bespreking nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

11.

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

12.

Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET VERZOEK TOT SCHORSING VAN DE WERKING VAN DE UITVOERBAARVERKLARING BIJ VOORRAAD

Het hof:

wijst af het verzoek van de man tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de tussen partijen gegeven beschikking van 6 mei 2013 van de rechtbank Rotterdam;

bepaalt dat de behandeling van de zaak ten aanzien van het hoger beroep zal worden voortgezet op een nader te bepalen datum, waarvoor partijen nog een afzonderlijke oproep zullen ontvangen;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, Van Kempen en Mollema-de Jong, bijgestaan door mr. Van Waning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 oktober 2013.