Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4417

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
25-11-2013
Zaaknummer
200.125.327/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Vraag of sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW: in dit geval geen samenwoning als waren zij gehuwd; geen bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 9 oktober 2013

Zaaknummer : 200.125.327/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 12-6234

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. B.L. van Riel te Arnhem,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. T.A. Bruins te Haarlem.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 4 april 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 18 maart 2013 van de rechtbank Den Haag.

De vrouw heeft op 7 juni 2013 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

- op 17 juni 2013 een brief van diezelfde datum met bijlagen.

De zaak is op 28 juni 2013 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de man, bijgestaan door zijn advocaat;

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

De advocaat van de vrouw heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

Ter zitting is meegedeeld dat het hof voormelde brief van de man zal beschouwen als ter zitting voorgelezen door de advocaat van de man. De advocaat van de vrouw heeft verklaard daartegen geen bezwaar te hebben.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking zijn - voor zover hier van belang - de verzoeken van de man met betrekking tot de uitkering tot levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie), de betaling van door de man gemaakte onderzoekskosten en een proceskostenveroordeling van de vrouw afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de vraag of in het onderhavige geval sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW die tot beëindiging van die alimentatie moet leiden.

2.

De man verzoekt bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

primair:

voor recht te verklaren althans vast te stellen dat de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, zoals vastgesteld bij de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 september 2011 met ingang van 22 september 2011 (van rechtswege) is geëindigd althans met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht;

subsidiair:

de beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage van 7 september 2011 te wijzigen en te bepalen dat met ingang van 22 september 2011 de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud op nihil wordt gesteld, althans op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum als het hof juist acht;

primair en subsidiair:

de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van de door de man in de periode van 22 september 2011 tot en met augustus 2012 onverschuldigd betaalde bedragen in de kosten van haar levensonderhoud;

de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van de door de man na augustus 2012 onverschuldigd betaalde bijdragen in de kosten van haar levensonderhoud tot het moment waarop in rechte zal zijn bepaald dat de partneralimentatieverplichting is geëindigd, althans op een lager bedrag is gesteld;

de vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van € 25.799,85 vanwege gemaakte onderzoekskosten, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening;

de vrouw te veroordelen in de proceskosten betreffende zowel de rechtbankprocedure als die bij het hof onder vaststelling van de begroting hiervan;

een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente tot aan de dag der algehele voldoening.

3.

De vrouw verweert zich daartegen en verzoekt de verzoeken van de man af te wijzen dan wel de man niet-ontvankelijk te verklaren en de bestreden beschikking te bekrachtigen. De vrouw verzoekt het hof de man te veroordelen in de proceskosten, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

4.

De man is het niet eens met de conclusie van de rechtbank dat hij niet heeft aangetoond dat de vrouw met haar nieuwe partner (hierna: de heer[X]) samenwoont als ware zij gehuwd, zoals bedoeld in artikel 1:160 BW. De man heeft daartegen acht grieven geformuleerd die het hof hierna gezamenlijk zal behandelen en waarvan de laatste ziet op de door man gemaakte onderzoeks- en proceskosten.

5.

De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

6.

Het hof overweegt als volgt. Als cumulatieve criteria voor ‘samenleven als waren zij gehuwd’ gelden op grond van de rechtspraak in ieder geval: (1) de aanwezigheid van een affectieve relatie van duurzame aard die meebrengt dat men elkaar wederzijds verzorgt, (2) een samenwoning, (3) een gemeenschappelijke huishouding. De wederzijdse verzorging kan bestaan uit hetzij bijdragen in de kosten van de gezamenlijke huishouding, hetzij op andere wijze in elkaars verzorging voorzien.

Wederzijdse verzorging en gemeenschappelijke huishouding

7.

Tussen partijen staat vast dat de vrouw en de heer[X] een duurzame affectieve relatie onderhouden. Ten aanzien van de wederzijdse verzorging en het voeren van een gemeenschappelijke huishouding stelt de man dat hij - anders dan de rechtbank overweegt - wel degelijk heeft onderbouwd dat daarvan in het onderhavige geval sprake is. De man klaagt vervolgens dat de rechtbank het begrip wederzijdse verzorging te beperkt heeft geïnterpreteerd en naast de financiële ook de door hem gestelde feitelijke wederzijdse verzorging in aanmerking had moeten nemen. Hij wijst in dit kader op door hem in eerste aanleg aangevoerde omstandigheden, waaronder de volgende:

- de vrouw en de heer[X] verrichten werkzaamheden in en rond elkaars woning;

- de vrouw is als presentatrice verbonden aan het bedrijf van de man;

- de vrouw en de heer[X] winkelen samen;

- de heer[X] doet in [zijn woonplaats] boodschappen met de auto van de vrouw;

- de heer[X] heeft de sleutel van de auto van de vrouw en tankt ook met deze auto;

- de vrouw laat de hond van de heer[X] uit;

- de heer[X] gaat met de vrouw mee naar ouderavonden en sportevenementen van de kinderen van partijen.

De vrouw weerlegt de volgens haar steeds herhaalde stellingen van de man en stelt dat in het door de man ingebrachte detectiverapport onjuiste feiten en conclusies worden vermeld.

8.

Het hof is van oordeel dat uit de stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gebracht niet dan wel onvoldoende is gebleken dat de vrouw en de heer[X] elkaar wederzijds verzorgen en een gemeenschappelijke huishouding voeren. Uit de door de man aangehaalde omstandigheden volgt niet dat de door de vrouw dan wel de heer[X] uitgevoerde ‘klusjes’ structureel plaatsvinden ter wederzijdse verzorging. Daarnaast is het binnen een affectieve relatie niet ongebruikelijk om samen te winkelen en elkaars auto te gebruiken als dat zo uitkomt, waarbij men op dat moment noodzakelijkerwijs over de desbetreffende autosleutel dient te beschikken. Dat de heer[X] de vrouw vergezelt naar ouderavonden - de vrouw stelt dat dat slechts eenmaal is gebeurd - en naar sportclubs van de kinderen is evenmin ongebruikelijk binnen een affectieve relatie. Ten slotte kan aan het samen winkelen van de vrouw en de heer[X] niet automatisch de conclusie worden verbonden dat het gaat om gezamenlijke boodschappen die gezamenlijk, dan wel door de een voor de ander zijn betaald.

Samenwoning

9.

De man is voorts van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vrouw en de heer[X] niet samenwonen nu zij ieder een eigen (koop)woning bezitten, de eigen woonlasten voldoen en de heer[X] nog in sterke mate verbonden is met [zijn woonplaats]. De man herhaalt in hoger beroep het door hem in eerste aanleg ter zake gestelde en verwijst in zijn brief van 17 juni 2013 onder meer naar volgens hem relevante jurisprudentie. Daarnaast is de man van mening dat de rechtbank er ten onrechte vanuit gaat dat de situatie als bedoeld in artikel 1:160 BW niet van toepassing kan zijn op mensen die niet de gehele tijd samenwonen, aangezien volgens de man echtgenoten ook niet al hun tijd gezamenlijk doorbrengen. De man verwijst daarbij naar zijn eerdere stellingen in eerste aanleg en de rapportage van de detective. De vrouw weerspreekt het door de man gestelde.

10.

Het hof overweegt als volgt. Gelet op hetgeen uit de stukken en ter terechtzitting naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat in de relatie van de vrouw en de heer[X] geen sprake is van samenwoning. Gebleken is dat de heer[X] in [zijn woonplaats] zijn eigen sociale leven heeft - waarin onder andere de begeleiding van zijn jongmeerderjarige zoon een grote rol speelt - zoals de vrouw met haar kinderen het hare heeft in [haar woonplaats]. Dat de vrouw en de heer[X] vanuit beide woningen gezamenlijk activiteiten ondernemen, soms de nacht in elkaars woning doorbrengen en al dan niet samen met de kinderen een vakantie doorbrengen, doet daaraan niet af. Ditzelfde geldt voor de omstandigheid dat de heer[X] aanwezig is geweest bij familiegelegenheden en bij activiteiten de kinderen van de vrouw betreffende. Ook de omstandigheid dat de vrouw de heer[X] wegens ziekte enige tijd bij haar thuis heeft verzorgd, rechtvaardigt niet de conclusie dat sprake is van samenwoning als vereist voor toepassing van art.1:160 BW. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat deze omstandigheden ook passen bij een duurzame affectieve relatie zonder samenwoning. Gelet op de rechtspraak, heeft de rechtbank voorts terecht overwogen dat de omstandigheid dat de eis dat echtgenoten jegens elkander tot samenwoning verplicht zijn bij de Wet van 31 mei 2001, Stb. 275 is geschrapt, niet tot gevolg heeft dat de rechter ook in een geval waarin niet aan het samenwoningsvereiste wordt voldaan tot het oordeel kan komen dat sprake is van samenleven als waren zij gehuwd in de zin van artikel 1:160 BW.

Conclusie

11.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep van de man op artikel 1:160 BW niet slaagt. Hiermee is de grondslag van het verzoek van de man de vrouw te veroordelen tot betaling van de onderzoekskosten vervallen. Nu de man in hoger beroep geen gronden heeft aangevoerd voor zijn subsidiaire verzoek, dient dit te worden afgewezen. Terugbetaling van de door de vrouw ontvangen partneralimentatie, zoals door de man verzocht, is derhalve niet aan de orde. Dit alles brengt met zich mee dat de bestreden beschikking moet worden bekrachtigd.

12.

Van een omkering van de bewijslast zoals de man heeft bepleit, kan in het licht van het bovenstaande geen sprake zijn. Het hof gaat ook voorbij aan het ter zitting gedane bewijsaanbod van de vrouw de zoon van de heer[X] te horen, nu zij hierbij geen belang meer heeft.

13.

Gelet op de familierechtelijke aard van deze procedure ziet het hof voor zowel de procedure in eerste aanleg als de procedure in hoger beroep geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken. Het hof zal de desbetreffende verzoeken van partijen dan ook afwijzen en de proceskosten in hoger beroep compenseren.

14.

Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt:

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Stollenwerck en Mulder, bijgestaan door mr. De Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 oktober 2013.