Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4412

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
02-01-2014
Zaaknummer
200.123.075/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie met betrekking tot zwaar gehandicapt kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 13 november 2013

Zaaknummer : 200.123.075/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 11-6605

Zaaknummer rechtbank : 401588

[de vader],

wonende te[woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat voorheen mr. I.W. van Osch te Den Haag, thans mr. J.M. Wigman te Den Haag,

tegen

[de moeder],

wonende te[woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A.M. Blom te Amsterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 6 maart 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 21 december 2012 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De moeder heeft op 26 april 2013 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vader heeft op 13 juni 2013 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

- op 6 augustus 2013 een brief van 5 augustus 2013 met bijlagen;

- op 23 augustus 2013 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van de moeder:

- op 22 augustus 2013 een brief van 21 augustus 2013 met als bijlagen een tweetal V-formulieren van 21 augustus 2013 met bijlagen.

De zaak is op 5 september 2013 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

De advocaat van de moeder heeft ter zitting een pleitnotitie overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is – uitvoerbaar bij voorraad – bepaald dat de vader, met ingang van 30 juni 2012, voor de verzorging en opvoeding van de minderjarigen:

  • -

    [naam], geboren op[geboortedatum in] 2004 te [geboorteplaats] (verder:[de minderjarige I]), en

  • -

    [naam], geboren op [geboortedatum in] 2008 te [geboorteplaats] (verder:[de minderjarige II]),

verder gezamenlijk te noemen: de minderjarigen, aan de moeder zal betalen een bedrag van
€ 206,- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen, hierna ook: kinderalimentatie.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat hij met ingang van de in dezen te geven beschikking, althans met ingang van 21 december 2012, althans met ingang van een door het hof in goede justitie te bepalen datum, een bedrag van € 65,- per kind per maand aan de moeder dient te voldoen ter zake van de kosten van opvoeding en verzorging van de minderjarigen, althans een door het hof in goede justitie te bepalen bijdrage. Voorts verzoekt de vader primair te bepalen dat toepassing van de wettelijke indexering ex artikel 1:402a van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW) op voornoemde bijdrage wordt uitgesloten, althans subsidiair te bepalen dat de wettelijke indexering niet eerder op voornoemde bijdrage wordt toegepast dan na verhoging van het salaris van de vader, kosten rechtens.

3. De moeder verweert zich daartegen en verzoekt de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken althans deze verzoeken af te wijzen. In incidenteel appel verzoekt de moeder te bepalen dat de vader met ingang van 30 juni 2011 de door de rechtbank vastgestelde kinderbijdrage voor de minderjarigen zal voldoen.

4. De vader verzet zich daartegen en verzoekt het incidenteel appel van de moeder ongegrond te verklaren, althans haar verzoek af te wijzen.

Ingangsdatum kinderalimentatie

5.

Partijen verschillen van mening over de ingangsdatum van de kinderalimentatie. De vader stelt dat deze ingangsdatum primair moet worden vastgesteld op de datum van de beschikking van het hof, subsidiair op de datum van de bestreden beschikking, te weten 21 december 2012. De moeder stelt in incidenteel appel dat de ingangsdatum primair moet worden vastgesteld op 30 juni 2011, de dag waarop zij de echtelijke woning heeft verlaten, en subsidiair op 23 augustus 2011, zijnde de datum waarop zij het verzoek tot het vaststellen van een kinderbijdrage heeft gedaan bij de rechtbank.

6.

Het hof acht het redelijk en billijk om – anders dan de rechtbank – de verschuldigde alimentatie te doen ingaan op 1 september 2011, zijnde de eerste van de maand na datum indiening verzoekschrift. De vader had er in ieder geval vanaf die datum rekening mee kunnen houden dat hij een bijdrage voor de minderjarigen zou moeten voldoen.

Behoefte van de minderjarigen

7.

De vader stelt dat bij de berekening van het netto besteedbaar gezinsinkomen niet moet worden uitgegaan van zijn inkomen uit 2010, maar van het inkomen dat hij in 2011 ontving, te weten het jaar waarin partijen uit elkaar zijn gegaan. In dat jaar verdiende de vader blijkens zijn drie jaaropgaven en zijn aangifte en voorlopige aanslag Inkomstenbelasting 2011 (productie 7 bij het beroepschrift en productie 12 bij de brief van 5 augustus 2013) in totaal een bedrag van € 31.703,- bruto. Voorts stelt de vader dat de rechtbank ten onrechte de behoefte van[de minderjarige II] heeft verhoogd met een bedrag van € 120,- per maand.

8.

Het hof overweegt als volgt. Ter bepaling van de behoefte van een minderjarige is in beginsel het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van de samenleving bepalend. Bij de berekening van het inkomen van de moeder is door de rechtbank aangesloten bij haar inkomen in 2011, te weten een netto bedrag van € 19.100,- per jaar. Dit inkomen is thans niet in geschil. Nu partijen in 2011 uit elkaar zijn gegaan, ziet het hof aanleiding om ook aan de zijde van de vader uit te gaan van het inkomen in 2011, te weten in totaal een bedrag van € 21.351,- netto per jaar. Gelet op de tabel kosten kinderen van het Nibud en het netto gezinsinkomen van € 3.371,- per maand stelt het hof de behoefte van de minderjarigen vast op € 771,- per maand, te weten afgerond € 385,- per kind per maand.

9.

Het hof ziet geen aanleiding om - zoals de rechtbank heeft gedaan - een correctie uit te voeren voor bijzondere kosten ten behoeve van[de minderjarige II], aangezien de moeder niet heeft aangetoond dat zij uit de vergoedingen en tegemoetkomingen die zij voor[de minderjarige II] krijgt, althans waar zij recht op heeft, niet de extra kosten kan voldoen. De behoefte van zowel[de minderjarige II] als[de minderjarige I] bedraagt derhalve € 385,- per kind per maand.

Verdeling van de kosten van de minderjarigen

10.

Indien beide ouders na het uiteengaan een inkomen hebben dat hoger is dan de bijstandsnorm voor een alleenstaande, dient te worden bezien wie welk deel van de behoefte van een kind moet dragen. Het hof zal daartoe de draagkracht van de vader respectievelijk de moeder beoordelen. Het hof zal bij deze berekening de betrokken minderjarigen buiten beschouwing laten, hetgeen betekent dat de vader en de moeder als alleenstaande worden beschouwd. Voorts houdt het hof rekening met een draagkrachtpercentage van 70.

Draagkracht van de moeder

11.

De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte bij de berekening van het inkomen van de moeder geen rekening heeft gehouden met enerzijds vergoedingen die specifiek zien op de compensatie van kosten ten behoeve van[de minderjarige II] en anderzijds met de tegemoetkomingen die de moeder ontvangt als verzorgende ouder en/of mantelzorger. Voorts is ten onrechte geen rekening gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting en de fiscale aftrek specifieke zorgkosten, aldus de vader. Ter zake heeft de vader een draagkrachtberekening in het geding gebracht.

12.

De moeder heeft de stellingen van de vader gemotiveerd betwist.

13.

Het hof overweegt als volgt. Uit de door de vader gemaakte draagkrachtberekening met betrekking tot de financiële situatie van de moeder volgt dat – naast de financiële gegevens die de rechtbank in aanmerking heeft genomen – rekening is gehouden met de inkomensafhankelijke combinatiekorting van € 1.779,- en een persoonsgebonden aftrek van € 6.066,-. In tegenstelling tot de rechtbank heeft de vader het kindgebonden budget op een hoger bedrag berekend, te weten op € 1.478,-. Uit de aangifte Inkomstenbelasting 2012 van de moeder (productie 6 bij het beroepschrift) blijkt dat de moeder zelf ook de inkomensafhankelijke combinatiekorting heeft opgevoerd. Uit de voorlopige aanslag Inkomstenbelasting 2012 blijkt echter dat deze heffingskorting door de belastingdienst niet is meegenomen in de berekening. Het hof houdt om die reden dan ook geen rekening met deze heffingskorting. Evenals de rechtbank houdt het hof geen rekening met eventuele tegemoetkomingen, vergoedingen en fiscale aftrek specifieke zorgkosten, aangezien elke specificatie van de extra kosten ten behoeve van[de minderjarige II] ontbreekt. Dat deze extra kosten worden gemaakt staat als onbestreden vast (zie ook productie 6 bij het beroepschrift). Het hof gaat er – bij gebrek aan gegevens – vanuit dat deze extra kosten worden gedekt door de regelingen zoals die zijn genoemd door de vader in zijn beroepschrift (voor zover de moeder daar recht op heeft). Bovendien stelt de vader zelf ook dat deze kosten worden gedekt door de verschillende regelingen en vergoedingen. Het voorgaande betekent dat het hof enkel zal uitgaan van de financiële gegevens zoals die door de rechtbank zijn gehanteerd. De draagkracht van de moeder stelt het hof vast op - afgerond - € 440,- per maand.

Draagkracht van de vader

14.

Het hof gaat bij de berekening van het inkomen van de vader uit van de door de vader overgelegde recente financiële gegevens. Voor het jaar 2011 gaat het hof uit van een totaal van € 31.703,- bruto, zoals blijkt uit de drie jaaropgaven 2011 van de vader. Voor de periode vanaf 2012 gaat het hof uit van een inkomen van € 33.247,- bruto per jaar, zoals blijkt uit de jaaropgaaf 2012 (productie 17 bij brief van 23 augustus 2013). Het hof houdt voorts rekening met de in deze jaaropgaven vermelde bijdrage werkgever inkomensafhankelijke premie Zorgverzekeringswet.

15.

Voorts houdt het hof - nu daartegen geen grieven zijn gericht - rekening met de volgende financiële gegevens:

  • -

    de bijtelling eigenwoningforfait van € 1.105,- per jaar;

  • -

    de algemene heffingskorting;

  • -

    de arbeidskorting;

  • -

    forfait overige eigenaarslasten van € 95,- per maand;

  • -

    premie basisverzekering Zorgverzekeringswet van € 126,- per maand;

  • -

    zelf betaalde niet vergoede medische kosten van € 56,- per maand;

  • -

    het eigen risico van € 18,- per maand;

  • -

    het overige eigen risico van € 56,- per maand (maximum € 42,- per maand);

  • -

    kosten omgangsregeling € 100,- per maand.

16.

Ter discussie staan, gelet op de betwisting daarvan door de moeder:

  • -

    de woonlasten;

  • -

    de advocaatkosten;

  • -

    bijzondere kosten in verband met verblijf[de minderjarige II];

  • -

    zes dagen onbetaald verlof in verband met uitvoering omgangsregeling.

Woonlasten

17.

De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte een bedrag van € 678,- per maand aan woonlasten in aanmerking heeft genomen. Volgens de vader dient dit een bedrag van € 948,- per maand te zijn. Op 26 februari 2013 is de echtelijke woning aan de vader toebedeeld. De huidige hypotheeklast is, zoals blijkt uit productie 4 bij brief van 5 augustus 2013, een bedrag van € 903,- per maand. Daarbij dient, zo stelt de vader voorts, nog rekening te worden gehouden met een bedrag van € 5.134,- (exclusief de dagrente vanaf 13 december 2011), het bedrag dat hij aan de DSB Bank dient te vergoeden op grond van een boeteclausule in de algemene bankvoorwaarden van DSB Bank (in verband met faillissement DSB Bank genoodzaakt bij andere bank hypothecaire geldlening afsluiten).

18.

Het hof overweegt als volgt. Uit de door de vader overgelegde stukken, te weten de jaaropgave 2010 van de DSB Bank aangaande de hypotheek (productie 7 bij het beroepschrift) en zijn aangifte en voorlopige aanslag Inkomstenbelasting 2011 (productie 12 bij brief van 5 augustus 2013), blijkt dat de vader bij de DSB Bank een maandelijkse hypotheeklast had van € 660,- per maand (aftrekbaar). De vader heeft in zijn aangifte voorts de te betalen rente ter zake van de lening bij zijn ouders opgenomen, te weten een bedrag van € 145,-. Het hof acht het redelijk enkel rekening te houden met de last van € 660,- per maand, te meer nu uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de vader begin 2011 nog beschikte over een aanzienlijk vermogen. Voor de periode na 26 februari 2013 houdt het hof rekening met de hypotheeklast zoals die blijkt uit productie 4 bij brief van 5 augustus 2013, te weten in totaal een bedrag van € 903,- per maand (€ 603,- aftrekbare hypotheekrente en € 300,- ter zake spaardeel). Het hof ziet geen aanleiding nog rekening te houden met het bedrag dat de vader verschuldigd is in verband met het faillissement van de DSB Bank. Het voorgaande betekent dat het hof voor de periode van 1 september 2011 tot 1 maart 2013 rekening houdt met een bedrag van € 660,- per maand aan hypotheeklasten en vanaf 1 maart 2013 met een bedrag van € 903,- per maand.

Advocaatkosten

19.

Ter zitting is namens de vader gesteld dat in de berekening van zijn draagkracht voorts rekening moet worden gehouden met zijn advocaatkosten (productie 7 bij brief van 5 augustus 2013). De moeder verweert zich daartegen en stelt dat de vader deze kosten uit zijn vermogen en/of vrije besteedbare ruimte moet voldoen.

20.

Het hof houdt geen rekening met de door de vader opgevoerde advocaatkosten, nu het hof van oordeel is dat deze lasten geen voorrang hebben boven kinderalimentatie.

Bijzondere kosten in verband met verblijf[de minderjarige II]

21.

Ten aanzien van de bijzondere kosten die de vader in de toekomst stelt te hebben in verband met het verblijf van[de minderjarige II] bij hem (in verband met haar beperkingen), verenigt het hof zich met het oordeel van de rechtbank en de gronden waarop dat berust. Het hof neemt die gronden over en maakt deze tot de zijne. Hoewel de vader in hoger beroep meer inzichtelijk heeft gemaakt wat de kosten van bijvoorbeeld een traplift zijn (productie 26 bij het beroepschrift), kan dit gegeven naar het oordeel van het hof niet tot een ander oordeel leiden, te meer nu het nog altijd een voorziening voor de toekomst betreft.

Onbetaald verlof in verband met omgangsregeling

22.

De vader stelt dat hij vanwege de vastgestelde omgangsregeling genoodzaakt is om zes dagen onbetaald verlof op te nemen, hetgeen betekent dat hij (omgerekend naar een jaar) € 1.065,96 bruto aan inkomsten misloopt (productie 27 bij het beroepschrift). Dit financiële ‘gevolg’ dient volgens de vader in de draagkrachtberekening te worden opgenomen. De moeder heeft deze stelling gemotiveerd betwist.

23.

Het hof is van oordeel dat hiermee geen rekening moet worden gehouden, aangezien de noodzaak van deze keuze, te weten het opnemen van onbetaald verlof, door de vader niet is aangetoond. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat van de vader mag worden verwacht dat hij een oplossing zoekt die niet van invloed is op zijn draagkracht, dan wel dat hij deze kosten uit zijn vrije ruimte voldoet.

24.

Het hof heeft met inachtneming van het vorenstaande de draagkracht van de vader berekend. Hieruit volgt dat de vader voor de periode van 1 september 2011 tot en met
31 december 2011 een beschikbare draagkracht heeft van € 176,- per maand, voor de periode vanaf 1 januari 2012 tot 1 maart 2013 een beschikbare draagkracht van € 234,- per maand, en voor de periode vanaf 1 maart 2013 een beschikbare draagkracht van € 47,- per maand.

Conclusie

25.

Nu de gezamenlijke draagkracht van de ouders lager is dan de totale behoefte van de minderjarigen, zal het hof de bijdrage van de vader, de onderhoudsplichtige, beperken tot diens draagkracht. Het hof zal derhalve de door de vader te betalen kinderalimentatie als volgt bepalen:

  • -

    voor de periode 1 september 2011 tot en met 31 december 2011 op € 176,- per maand, oftewel € 88,- per kind per maand;

  • -

    voor de periode 1 januari 2012 tot 1 maart 2013 op € 234,- per maand, oftewel € 117,- per kind per maand;

  • -

    voor de periode vanaf 1 maart 2013 op € 65,- per kind per maand nu de vader dit bedrag vermeldt in het petitum van zijn beroepschrift en het geschil tussen partijen zich hiertoe beperkt.

Wettelijke indexering

26.

Het hof ziet in hetgeen de vader in hoger beroep heeft aangevoerd en aan stukken nog in het geding heeft gebracht geen aanleiding om de wettelijke indexering ex artikel 1:402a BW over de door hem te betalen onderhoudsbijdrage alsnog uit te sluiten, zodat dit verzoek (evenals in eerste aanleg) wordt afgewezen.

27.

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

28.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen:

  • -

    voor de periode van 1 september 2011 tot en met 31 december 2011 op € 88,- per kind per maand;

  • -

    voor de periode van 1 januari 2012 tot en met 1 maart 2013 op € 117,- per kind per maand;

  • -

    voor de periode vanaf 1 maart 2013 op € 65,- per kind per maand;

wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Dijk, Husson en Pijls-olde Scheper, bijgestaan door mr. Dooting als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 november 2013.