Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4396

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
26-11-2013
Datum publicatie
21-05-2014
Zaaknummer
200.082.975-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

onrechtmatige executie, schadebegroting, ingangstijdstip wettelijke rente.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Sector Civiel recht

Zaaknummer : 200.082.975/01

Zaak-/rolnummer rechtbank : 81781 / HA ZA 09-2481

Arrest d.d. 26 november 2013

inzake

Visser Quispel Heidema B.V.,

appellante in het principaal appel,
verweerster in het incidenteel appel,

hierna te noemen: VQH,

advocaat: mr. A. Quispel te Oud-Beijerland,

tegen

1.

[geïntimeerde sub 1],

zonder bekende woon- of verblijfplaats,

2.

[geïntimeerde sub 2],

wonende te Westmaas, gemeente Binnenmaas,

geïntimeerden in het principaal appel,
appellanten in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. J.P. Heering te 's-Gravenhage.

Het geding

Voor de gang van zaken tot 19 april 2011 wordt verwezen naar het tussenarrest van die datum, waarbij een comparitie van partijen is gelast. Deze comparitie heeft plaatsgevonden op 19 mei 2011. Hiervan is proces-verbaal opgemaakt. Vervolgens heeft VQH bij memorie van grieven zes grieven tegen het vonnis van de rechtbank Dordrecht van 2 februari 2011 aangevoerd.[geïntimeerden]hebben de grieven bij memorie van antwoord, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel appel, bestreden en van hun kant in incidenteel appel zes grieven aangevoerd. VQH heeft hierna een memorie van antwoord in incidenteel appel genomen (met een productie). Hierna hebben partijen schriftelijk gepleit, waarna zij onder overlegging van de stukken arrest hebben gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

In het principaal en incidenteel appel

1.

De door de rechtbank in rechtsoverweging 3 (3.1 tot met 3.8) van het bestreden vonnis in de hoofdzaak en vrijwaring vastgestelde feiten staan niet ter discussie, zodat ook het hof daarvan uitgaat. De vrijwaringsprocedure is in hoger beroep niet aan de orde.

2.

Kort en zakelijk weergegeven en voor zover in hoger beroep van belang, gaat het geschil om het volgende.
(2.1) [geïntimeerden] hebben met ingang van 1 september 2001 hun woning aan [adres] (hierna ook: het gehuurde) (blijkens de allonge bij het huurcontract voor bepaalde tijd) verhuurd aan [huurder] (hierna: [huurder]) tegen een huurprijs van NLG 2.000,-- /(omgerekend) € 907,56 per maand. Op 3 september 2002 hebben[geïntimeerden]het gehuurde uit kracht van een, nog niet onherroepelijk, uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis in kort geding van de kantonrechter te Oud-Beijerland van 27 augustus 2002 (hierna: het ontruimingsvonnis) doen ontruimen. Dit ontruimingsvonnis, waarbij uiterlijk 31 augustus 2002 de ontruiming werd bevolen tegen een dwangsom van € 500,-- per dag, is bij arrest van 30 juli 2004 door het hof vernietigd, waarbij de gevorderde ontruiming alsnog is afgewezen.
(2.2) [huurder] heeft aansluitend aan de ontruiming woonruimte in Rotterdam gehuurd aan het Prins Frederikplein 320 tegen een maandelijkse huurprijs van
€ 1.694,--.
(2.3) [huurder] heeft bij brief van 7 september 2004[geïntimeerden]aansprakelijk gesteld voor alle schade, die hij tengevolge van de ontruiming heeft geleden.
(2.4) [huurder] heeft zijn vordering verpand aan VQH, die bij inleidende dagvaarding van 19 juni 2009 de onderhavige procedure, strekkende tot het verkrijgen van schadevergoeding terzake, heeft aangespannen.
(2.5) In het thans bestreden vonnis is deze vordering deels toegewezen, en wel tot een bedrag van € 15.723,66, met wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding.[geïntimeerden]zijn daarbij tevens in de proceskosten veroordeeld. Beide partijen hebben grieven geformuleerd; VQH (kort gezegd) tegen de afwijzingen en[geïntimeerden]tegen de toewijzingen. De grieven in het principaal en incidenteel appel lenen zich, gelet op hun verwevenheid, voor gezamenlijke behandeling.

3.

Het hof stelt het volgende voorop. Wie in een geval als dit een bij voorraad uitvoerbaar vonnis executeert, handelt onrechtmatig en is schadeplichtig indien het vonnis na aanwending van een rechtsmiddel wordt vernietigd. Hiervan is in dit geval dus sprake. Dit betekent dat[geïntimeerden]tot vergoeding van de hieruit voortvloeiende schade zijn gehouden, dit met inachtneming van het bepaalde in boek 6, Titel 1, afdeling 10 BW.


Beoordeling van grief I in het incidenteel appel

4.

De meest vergaande grief is grief I in het incidenteel appel. Volgens[geïntimeerden]heeft de rechtbank ten onrechte geen toepassing gegeven aan artikel 6:101 BW.[geïntimeerden]zijn van mening dat [huurder] hoe dan ook eigen schuld heeft aan het ontstaan van de schade, (i) omdat hij de tenuitvoerlegging van het ontruimingsvonnis had kunnen schorsen door een executiegeschil aanhangig te maken, en (ii) omdat [huurder] ervoor heeft gekozen een duurdere woning te betrekken, terwijl[geïntimeerden]hem nog voor de ontruiming hebben gewezen op de mogelijkheid een goedkopere woning te huren in het dichterbij gelegen ‘s-Gravendeel. Daarom zijn[geïntimeerden]van mening dat hierdoor de schadevergoedingsplicht vermindert dan wel geheel vervalt.

5.

Grief I wordt verworpen, nu de beide argumenten niet opgaan, zoals hierna zal worden toegelicht.

6.

Ad (i). Aan [huurder] kan niet worden toegerekend dat hij in de gegeven omstandigheden geen executiegeschil (kort geding) aanhangig heeft gemaakt. Het hof tekent hierbij aan dat de executierechter slechts beperkte mogelijkheden heeft tot schorsing van de executie. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt immers met zich mee dat geen inhoudelijke bezwaren tegen een uitspraak kunnen worden aangevoerd, behoudens die, welke nopen tot het oordeel dat er sprake is van misbruik van bevoegdheid. De belangenafweging in een executiegeschil, die met inachtneming hiervan dient plaats te vinden, levert kortom lang geen zekere uitkomst op. Niet valt in te zien waarom van [huurder] op straffe van verval van zijn aanspraak op schadevergoeding (wegens het niet voldoen aan zijn schadebeperkingsplicht) gevergd had moeten worden een executie-kort geding aanhangig te maken.
Mochten[geïntimeerden]hebben willen stellen dat een executie-kort geding wél een zekere kans van slagen zou hebben gehad, dan rijst de vraag of[geïntimeerden]in dat geval niet hadden behoren af te zien van executie. Het is de omgekeerde wereld om aan [huurder] (VQH ) tegen te werpen dat [huurder] geen executiegeschil heeft gestart in de situatie dat[geïntimeerden]willens en wetens het risico hebben genomen om een niet onherroepelijk vonnis te executeren.

7.

Argument (ii) betreffende een bij [huurder] bekend goedkoper woonalternatief (een beschikbare woning in ’s-Gravendeel) is niet komen vast te staan en gaat dus evenmin op.[geïntimeerden]hebben in dit verband gesteld dat het niet nodig was dat [huurder] een aanzienlijk duurdere woning in Rotterdam betrok omdat de advocaat van[geïntimeerden]vóór de gedwongen ontruiming [huurder] via zijn gemachtigde heeft gewezen op een woning in ’s-Gravendeel die voor een maandhuur ad € 945,42 te huur stond.[geïntimeerden]wijzen in dit verband op de schriftelijke bevestiging hiervan bij brief van de makelaar van 5 oktober 2004 (productie 7 bij conclusie van antwoord). VQH heeft gemotiveerd betwist dat [huurder] dit wist.
Gelet op de betwisting door [huurder] is dit niet komen vast te staan. Door[geïntimeerden]is geen bewijsaanbod gedaan dat voldoet aan de daaraan in hoger beroep te stellen eisen. Voor een ambtshalve bewijsopdracht wordt geen grond gezien.


Beoordeling van de grief II in het incidenteel appel

8.

Met deze grief betwisten Prevosth c.s., kort gezegd, dat de méérkosten van de woning in Rotterdam aan hen zijn toe te rekenen (in de zin van artikel 6:98 BW). Ook deze grief wordt verworpen.
Allereerst verwijst het hof naar de beoordeling in rechtsoverweging 7, die ook voor deze grief opgaat. Daarnaast heeft het hof oog voor de volgende omstandigheden:
(i) Er zat een uiterst korte tijd tussen het ontruimingsvonnis en de ontruiming, die op straffe van een dwangsom was gelast. Blijkens het ontruimingsvonnis had [huurder] minder dan vier dagen om te verhuizen, blijkens de nadere afspraak met de wederpartij uiteindelijk een week.
(ii) [huurder] had een gezin met drie schoolgaande/studerende kinderen, en
(iii) [huurder] had zijn werkadres eveneens in Oud-Beijerland.
Deze factoren maken dat er uiterst snel, onder grote tijdsdruk, gehandeld moest worden op een wijze, die voor gezin en werk enigszins aanvaardbaar was. Dat [huurder] daarbij, zoals gesteld, ook factoren als bereikbaarheid en openbaar vervoer heeft betrokken, is te billijken. Onder deze omstandigheden ziet het hof geen grond om [huurder] tegen te werpen (in de zin van artikel 6:101 BW; het niet voldoen aan de schadebeperkingsplicht) dat hij in zo’n kort tijdsbestek de duurdere woning in Rotterdam heeft gehuurd.



Beoordeling van grief 2 in het principaal appel

9.

De volgende vraag die moet worden beantwoord is die met betrekking tot de termijn van huurgewenning. De rechtbank is uitgegaan van een termijn van een jaar. VQH acht die termijn te kort. Zij klaagt hierover met grief 2 in het principaal appel. Volgens haar had de rechtbank een termijn van ten minste drie jaren moeten hanteren, gelet op de impact van de gedwongen ontruiming op het gezin van [huurder] en op [huurder] zelf die daardoor zeker een jaar ‘van de kaart’ is geweest.
Deze grief wordt verworpen. Méér dan 1 jaar huurgewenning acht het hof niet in voldoende verband staan met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van[geïntimeerden]berust (in de zin van artikel 6:98 BW). Er vanuit gaand dat, zoals VQH stelt, [huurder] op de particuliere huurmarkt was aangewezen, heeft zij onvoldoende onderbouwd dat er in de periode na verloop van één jaar na de verhuizing naar Rotterdam geen goedkoper en beter alternatief te vinden viel. Een bewijsaanbod op dit punt ontbreekt. Het hof heeft hierbij ook gelet op de gestelde (overigens niet nader gespecificeerde) impact, die de ontruiming van 3 september 2002 op het gezin en [huurder] heeft gehad. Hetgeen VQH verder nog heeft aangevoerd maakt dit oordeel niet anders.


Beoordeling van grief 1 in het principaal appel

10.

Met deze grief klaagt VQS over de afwijzing van na te melden schadeposten.

  1. opslagkosten bij “Terlouw”, later “De Haan” ad € 1.320,90;

  2. opslagkosten bij “boer” ad € 700,-;

  3. ophalen eigendommen bij opslag “Terlouw” ad € 150,-;

  4. tijdelijk elders onderbrengen 1 schoolgaand kind ad € 5.170,-;

  5. inkomstenderving door extra reistijd naar kantoor ad € 1.312,50 per week;

  6. extra reiskosten ad € 258,75 per week;

  7. kosten extra internetaansluiting wegens grotere afstand woning/werk ad € 24,95 per maand.

11.

Deze grief wordt verworpen. De rechtbank heeft deze posten afgewezen op de grond dat VQH niet heeft gesteld dat de woning in Rotterdam de enige of beste optie was. VQH bestrijdt dat oordeel door er op te wijzen dat [huurder] slechts een week de tijd had om vervangende woonruimte te zoeken en dat er in die tijd geen passende huurwoningen in Oud-Beijerland of de Hoekse Waard beschikbaar waren. VQH biedt aan deze stelling te bewijzen, alsook de stelling dat de verhuizing naar de uiteindelijk gehuurde woning in Rotterdam noodzakelijk was (memorie van grieven 30). Hiervoor is reeds overwogen dat aan [huurder] niet kan worden tegengeworpen dat hij in zo’n kort tijdsbestek heeft gekozen voor de woning die hij heeft betrokken. Anders dan de rechtbank acht het hof voor toerekening van de in rechtsoverweging 10 genoemde schadeposten dus niet van belang of deze woning de enige of beste optie was. Het bewijsaanbod van VQH is dus niet relevant.
Gelet op de betwisting door[geïntimeerden]had het echter wel op de weg van VQH gelegen nader te onderbouwen en te bewijzen dat deze kosten zijn gemaakt/ deze schade is geleden. Hiervan is noch in eerste aanleg noch in hoger beroep sprake geweest. De enkele opstelling door [huurder] van zijn schadeposten (productie 9 bij inleidende dagvaarding) en het begin van bewijs van de opslagkosten zijn daartoe onvoldoende. Ook zijn algemene bewijsaanbod in hoger beroep (memorie van grieven 4) voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen.


Beoordeling van grief 3 in het principaal appel

12.

Deze grief heeft betrekking op de afwijzing van de schadepost ‘winstderving’ ten bedrage van € 7.000,--. Deze grief wordt verworpen, waarbij het hof zich aansluit bij hetgeen de rechtbank in rechtsoverweging 9.5 heeft overwogen. Hetgeen VQH in hoger beroep heeft aangevoerd, is zo summier dat dit niet tot een ander oordeel leidt.


Beoordeling van grief III in het incidenteel appel

13.

Deze grief heeft betrekking op de toegewezen bemiddelingskosten van € 1.963,50 van ‘Matchmakers’ (de maat in onroerend goed), welk bedrijf door [huurder] is ingeschakeld bij het zoeken naar een nieuwe woning. Volgens[geïntimeerden]is de bijgevoegde declaratie van Matchmakers niet verifieerbaar, terwijl bovendien de kosten onnodig zijn gemaakt en de nota erg hoog is.

14.

Deze grief wordt verworpen. De vaststelling door de rechtbank dat deze declaratie door [huurder] is betaald, is in hoger beroep niet bestreden, zodat ook het hof daarvan uitgaat.[geïntimeerden]onderbouwen hun stelling omtrent het onnodig zijn van deze kosten met (wederom) een verwijzing naar de woning in ’s-Gravendeel die beschikbaar was (zie beoordeling van de grieven 1 en 2). Nu [huurder] hiervan niet op de hoogte was en er geen aanwijzing is dat [huurder] hiervan op de hoogte had moeten zijn, gaat dit argument niet op. Bovendien acht het hof het redelijk dat [huurder] professionele derden heeft ingeschakeld bij zijn zoektocht naar een andere woning, waarbij grote tijdsdruk speelde. VQH heeft bij memorie van antwoord in incidenteel appel, met verwijzing naar een (als kopie bijgevoegde) advertentie aangevoerd dat het bedrag aan bemiddelingskosten gebruikelijk is (een maand huur plus btw). Het hof acht dit overtuigend, temeer nu VQS hier bij pleidooi niet meer op heeft gereageerd.


Beoordeling van grief IV in het incidenteel appel

15.

Deze grief heeft betrekking op (i) de verhuizing van de inboedel van [huurder] door Van Alphen Verhuizingen B.V. voor een bedrag € 2.975,-- (ii) de aansluitkosten voor internet en televisie, respectievelijk ten bedrage van € 150,-- en € 143,95 en (iii) inrichtings- en stofferingskosten. De rechtbank heeft, kort gezegd, overwogen (ad i) dat [huurder] dit bedrag heeft betaald en dat dit als onbetwist wordt toegewezen, (ad ii) dat deze bedragen ook zonder onderbouwing aannemelijk voorkomen en (ad iii) dat het gebruikelijk is dat men zich een nieuwe woning eigen wil maken en dat het gevorderde bedrag van
€ 1.250,-- redelijk voorkomt.[geïntimeerden]betwisten dat deze posten bij gebreke van verificatoire bescheiden voor vergoeding in aanmerking komen. Daarnaast betwisten zij het causaal verband, nu [huurder] het gehuurde tijdelijk heeft willen huren in afwachting van de nieuwe woning die hij liet bouwen. Daarnaast betogen[geïntimeerden]dat [huurder] zich deze kosten heeft bespaard, nu hij kennelijk de woning in Rotterdam nog steeds huurt.

16.

Ad (i), de verhuiskosten.
Nu het oordeel van de rechtbank dat deze kosten door [huurder] zijn betaald in hoger beroep niet is betwist, gaat ook het hof uit van deze betaling.
Het hof acht het causaal verband wel degelijk vast staan. Het conditio-sine-qua-non-verband staat vast, omdat zonder gedwongen ontruiming geen verhuizing nodig was geweest. Daarnaast is het hof van oordeel dat deze verhuiskosten in zodanig verband staan met de gedwongen ontruiming dat deze, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid als gevolg hiervan kunnen worden toegerekend aan[geïntimeerden](in de zin van artikel 6:98 BW). Hier doet niet aan af de stelling dat [huurder] uiteindelijk in de als tijdelijk bedoelde woning is blijven wonen, aangezien, de ontruiming weggedacht, in het geheel niet duidelijk is welke kosten alsdan zouden zijn gemaakt.

17.

Ad (ii), de kosten aansluiting internet en televisie.[geïntimeerden]
heeft het oordeel van de rechtbank dat deze kosten aannemelijk zijn, in hoger beroep niet betwist, zodat ook het hof daarvan uitgaat. Het ontbreken van bewijsstukken maakt dit niet anders. Ten aanzien van de overige weren verwijst het hof naar hetgeen in rechtsoverweging 16 is overwogen en dat eveneens voor deze posten geldt.

18.

Ad (iii), de inrichtings- en stofferingskosten.
Hiervoor geldt hetzelfde als in rechtsoverweging 17 overwogen.
Deze grief wordt verworpen.


Beoordeling van grief 4 in het principaal appel en grief V in het incidenteel appel

19.

Deze grief betreft ‘doorsturen post’. De rechtbank heeft overwogen dat aannemelijk is dat [huurder] kosten heeft gemaakt voor het doorsturen van de post. De rechtbank heeft hiervoor een bedrag van € 40,-- begroot, waarbij de rechtbank heeft overwogen dat het een feit van algemene bekendheid is dat een bekend postbedrijf in 2005 voor de verhuisservice een bedrag van € 20,-- per drie maanden in rekening bracht.
VQH klaagt erover dat te weinig is toegekend. Zij vindt dat tenminste € 80,-- had moeten worden toegekend, te weten kosten voor een vol jaar (4x € 20,--).[geïntimeerden]op hun beurt vinden dat minder of niets had moeten worden toegekend.

20.

Het hof acht het evenals de rechtbank aannemelijk dat [huurder] terzake enige kosten heeft gemaakt. Het hof kan zich verenigen met de begroting door de rechtbank. In de uiterst summiere stellingen van partijen ziet het hof geen grond om hierover anders te oordelen.
De grief wordt verworpen.


Beoordeling van grief 5 in het principaal appel

21.

Deze grief betreft de ingangsdatum van de wettelijke rente. VQH heeft de wettelijke rente gevorderd vanaf het moment van opeisbaarheid. De rechtbank heeft overwogen dat gesteld noch gebleken is wanneer[geïntimeerden]in verzuim zijn geraakt, waarna de rechtbank de rente heeft toegewezen vanaf de inleidende dagvaarding.
VQS klaagt hierover en stelt dat de wettelijke rente ingaat op het moment van de onrechtmatige daad, zijnde de ontruiming op 3 september 2002.
Deze klacht is deels gegrond. Op grond van artikel 6:83, aanhef en onder b BW treedt het verzuim zonder ingebrekestelling in wanneer de verbintenis voortvloeit uit onrechtmatige daad, zoals in dit geval. Dit betekent echter niet dat het moment van de onrechtmatige daad steeds bepalend is voor de ingangsdatum van de wettelijke rente. Het verzuim treedt in wanneer de prestatie opeisbaar is en niet direct wordt nagekomen. Een vordering tot schadevergoeding is opeisbaar vanaf het moment waarop de schade wordt geleden. Wanneer, zoals in dit geval, de materiële schade pas later wordt geleden (zie de toegewezen schadeposten in het bestreden vonnis rechtsoverweging 9.12), is de wettelijke rente daarover dus pas verschuldigd vanaf dat latere moment, in dit geval het moment van betaling door [huurder] van de diverse posten. Dit vloeit voort uit het bepaalde in artikel 6: 162, eerste lid BW (‘de schade die de ander dientengevolge lijdt’). Op het moment van de ontruiming werd deze materiële schade immers nog niet geleden. Het hof verwerpt het verweer van[geïntimeerden]dat de aanspraak op wettelijke rente vanaf het verzuim naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is omdat [huurder] en VQH jaren hebben gewacht met dagvaarden. Voor rechtsverwerking is enkel stilzitten onvoldoende.[geïntimeerden]hebben geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan zij er op mochten vertrouwen dat [huurder]/VQH de vordering, dan wel de wettelijke rente daarover hadden prijsgegeven. In dit verband is van belang dat partijen al in 2004 over de schade hebben gecorrespondeerd.Het hof zal daarom beslissen, zoals in het dictum weergegeven.


Beoordeling van grief VI in het incidenteel appel

22.

Deze grief heeft betrekking op de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Volgens[geïntimeerden]heeft VQH te gelden als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, omdat slechts een gering deel van de vordering van VQH is toegewezen. Niet Prevosth c.s., maar VQH hadden dus in de proceskosten veroordeeld moeten worden, aldus nog steeds[geïntimeerden]
Deze grief wordt verworpen. Nu de grondslag van de vordering van VQH is gehonoreerd en op grond daarvan een aantal schadeposten is toegewezen, heeft de rechtbank in redelijkheid geen aanleiding hoeven te zien om VQH als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij aan te merken.


Beoordeling van grief 6 in het principaal appel

23.

Deze grief mist zelfstandige betekenis en wordt verworpen.


Slotsom

24.

Uit het voorgaande vloeit voort dat alle grieven falen, behoudens grief 5 in het principaal appel, die gedeeltelijk slaagt. Dit betekent dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd, behoudens op het onderdeel van de wettelijke rente. Om de leesbaarheid van het dictum van dit arrest te vergroten zal de eerste alinea van het dictum van het bestreden vonnis worden herhaald, dit met aanpassing van de ingangsdatum van de wettelijke rente.
In het principaal appel dient VQH de proceskosten te dragen als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, in het incidenteel appel dienen[geïntimeerden]de proceskosten te dragen.

Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Dordrecht van 2 februari 2011, met uitzondering van de beslissing over de ingangsdatum van de wettelijke rente; en terzake opnieuw rechtdoende:

  • -

    veroordeelt[geïntimeerden]om tegen kwijting aan VQH te betalen een bedrag van
    € 15.723,66, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, telkens vanaf het moment van opeisbaarheid van de afzonderlijke posten (genoemd in rechtsoverweging 9.12 van het bestreden vonnis) tot aan de dag der algehele voldoening;

  • -

    veroordeelt VQH in de kosten van het principaal appel, aan de zijde van[geïntimeerden]tot op heden begroot op € 649,-- aan verschotten en € 1.341,-- aan salaris advocaat;

  • -

    veroordeelt[geïntimeerden]in de kosten van het incidenteel appel, aan de zijde van VQH tot op heden begroot op € 1.341,-- aan salaris advocaat;

  • -

    verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

  • -

    wijst af het in hoger beroep door[geïntimeerden]meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, T. H. Tanja-van den Broek en R.C. Schlingemann, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 november 2013, in aanwezigheid van de griffier.