Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4394

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
07-02-2014
Zaaknummer
200.127.824-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Herstel van verzoek in eerste aanleg in het hoger beroep toegestaan, nu voor de andere partij van het begin af aan duidelijk is geweest waar het om ging

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 1:401
Burgerlijk Wetboek Boek 1 404
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 13 november 2013

Zaaknummer : 200.127.824/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 13-883

Zaaknummer rechtbank : 417511

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A.Y.M. Jansse te Zeist,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. M.J.A. van der Burg te Ridderkerk.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 30 mei 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 13 maart 2013 van de rechtbank Rotterdam.

De vader heeft op 26 juli 2013 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

- op 24 juli 2013 een V-formulier van diezelfde datum met bijlagen;

van de zijde van de vader:

- op 26 september 2013 een brief van 24 september 2013 met bijlagen.

De zaak is op 10 oktober 2013 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat.

De advocaten van partijen hebben ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is de na te melden beschikking van 29 oktober 2008 gewijzigd in die zin, dat de daarbij aan de vader opgelegde bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van 28 juli 2012 is bepaald op nihil. Voorts is bepaald dat de moeder aan de vader met ingang van 28 juli 2012, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, voor wat betreft de na 13 maart 2013 te verschijnen termijnen telkens bij vooruitbetaling, zal uitkeren € 150,- per maand.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. Onder meer staat vast dat de moeder en de vader tot 10 juni 2004 gehuwd zijn geweest en de ouders zijn van de uit dit huwelijk geboren minderjarige [de minderjarige], geboren [in] 2000 te[geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige).

In hoger beroep is voorts het volgende komen vast te staan:

  • -

    bij beschikking van 29 oktober 2008 van de rechtbank Utrecht is, voor zover van belang, bepaald dat de vader met ingang van 1 januari 2008 dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met € 175,- per maand.

  • -

    bij beschikking van 15 september 2009 van het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, is de beschikking van 29 oktober 2008 vernietigd en is bepaald dat de vader - conform de aan de beschikking gehechte, door partijen op 3 september 2009 ondertekende vaststellingsovereenkomst - aan de moeder met ingang van 1 januari 2008 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige € 175,- per maand zal betalen.

Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige (hierna ook: de kinderalimentatie).

2. De moeder is in eerste aanleg niet verschenen. Zij verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen (het hof begrijpt:) ten aanzien van de door haar aan de vader te betalen kinderalimentatie en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de vader niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn verzoek dan wel het verzoek van de vader – strekkende tot vaststelling van een door de moeder aan de vader te betalen kinderalimentatie ten behoeve van de minderjarige van € 150,- per maand – af te wijzen.

3. De vader verweert zich daartegen en verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

  1. primair de moeder niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, dan wel deze af te wijzen, met, zo nodig, aanpassing van de bestreden beschikking in die zin, dat niet de beschikking van 29 oktober 2008 wordt gewijzigd, maar de beschikking van 15 september 2009;

  2. subsidiair, in het geval het hof van oordeel is dat de moeder wel ontvankelijk is in haar verzoeken, de verzoeken van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, met, zo nodig, aanpassing van de bestreden beschikking in die zin, dat niet de beschikking van 29 oktober 2008 wordt gewijzigd, maar de beschikking van 15 september 2009;

  3. meer subsidiair, in het geval het hof van oordeel is dat de moeder wel ontvankelijk is in haar verzoeken, en zij niet in staat is bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met het door de vader verzochte bedrag, deze bijdrage vast te stellen op een bedrag dat het hof in goede justitie vermeent te behoren en met ingang van een datum die het hof redelijk acht, met verklaring voor recht dat de vader met ingang van 28 juli 2012 niet langer alimentatieplichtig is jegens de minderjarige en dat hij aan de moeder geen bedragen meer is verschuldigd in verband met de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, waarbij eventuele achterstanden in betaling op nihil worden gesteld;

  4. de moeder te veroordelen in de kosten van deze procedure. Het hof verstaat het verzoek aldus dat de vader verzoekt de moeder te veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

4. Gelet op de stellingen van partijen, zijn de volgende onderwerpen aan de orde:

  • -

    de ontvankelijkheid van het inleidend verzoek van de vader;

  • -

    de ingangsdatum van de door de moeder te betalen kinderalimentatie;

  • -

    de behoefte van de minderjarige;

  • -

    de draagkracht van de moeder.

5. Het hof ziet aanleiding eerst het verzoek van de vader in hoger beroep – inhoudende de bestreden beschikking aan te passen in die zin dat niet de beschikking van 29 oktober 2008 wordt gewijzigd, maar de beschikking van 15 september 2009 – welke verzoek de vader heeft aangemerkt als incidenteel hoger beroep tegen de bestreden beschikking, te behandelen.

6. De moeder betoogt dat de vader niet-ontvankelijk is in dit verzoek in hoger beroep. Het hof overweegt daaromtrent als volgt. De vader heeft in zijn inleidend verzoek verzocht de beschikking van 29 oktober 2008 van de rechtbank Utrecht te wijzigen. Thans verzoekt hij de beschikking van 15 september 2009 van het hof Amsterdam te wijzigen. Naar het oordeel van het hof kan dit worden aangemerkt als een verzoek tot herstel van zijn inleidend verzoek, dat in dit stadium van de procedure nog aan het hof kan worden voorgelegd. Het hof betrekt daarbij dat voor de vrouw duidelijk moet zijn geweest van welke beschikking wijziging wordt gevraagd.

7. Het hof overweegt in dat verband voorts als volgt. De moeder heeft niet gegriefd tegen de vaststelling dat de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie met ingang van 28 juli 2012 op nihil is gesteld. Nu vaststaat dat de beschikking van 29 oktober 2008 van de rechtbank Utrecht door het hof Amsterdam is vernietigd bij beschikking van 15 september 2009, is het verzoek van de vader voor toewijzing vatbaar.

Ontvankelijkheid inleidend verzoek

8.

De moeder stelt dat de vader niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn inleidend verzoek, aangezien niet bekend is of hij en zijn nieuwe partner gehuwd zijn en, of zijn huidige partner als stiefouder gehouden is om bij te dragen in de kosten van de minderjarige. Nu echter vast staat dat er in ieder geval een wijziging van omstandigheden is, gelegen in de wisseling van verblijfplaats van de minderjarige, gaat het hof aan deze stelling voorbij nu een eventuele juistheid daarvan ten aanzien van de ontvankelijkheid niet tot een ander oordeel leidt.

Ingangsdatum

9.

De moeder stelt zich op het standpunt dat de ingangsdatum van de door de moeder aan de vader te betalen kinderalimentatie ten onrechte door de rechtbank is vastgesteld op 28 juli 2012. De vader heeft dit standpunt gemotiveerd bestreden.

10.

Het hof verenigt zich ten aanzien van de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum. Daartoe overweegt het hof als volgt. In juni 2012 is de minderjarige feitelijk bij de vader gaan wonen. Vanaf die datum had de moeder rekening kunnen houden met een bijdrage ten behoeve van de minderjarige. In het licht van voormelde ingangsdatum zal het hof het Rapport Werkgroep Alimentatienormen 2012 toepassen en allereerst bezien of de moeder draagkracht heeft.

Aandeel moeder

11.

De moeder stelt dat zij niet over voldoende draagkracht beschikt om enige bijdrage aan kinderalimentatie te leveren. Ter onderbouwing daarvan heeft de moeder als productie 8 bij het V-formulier van 24 juli 2013 een draagkrachtberekening overgelegd.

12.

Namens de vader zijn slechts de volgende posten van die draagkrachtberekening bestreden:

  • -

    het inkomen van de moeder;

  • -

    de helft van de hypothecaire rente die de moeder aan haar huidige partner zou voldoen;

  • -

    de betaling van € 20,- per maand betreffende de schuld aan de belastingdienst.

Inkomen moeder

13.

Namens de vader is gesteld dat de moeder in staat kan worden geacht voltijds werkzaam te zijn. De moeder heeft zich daartegen verweerd.

14.

Het hof is van oordeel dat thans van de moeder niet gevergd kan worden dat zij haar werkzaamheden nog verder uitbreidt dan zij heeft gedaan. Hoewel de moeder een dienstverband heeft voor vierentwintig uren per week, maakt zij maandelijks overuren om dusdoende haar dienstverband enigszins uit te breiden. Namens de vader is betoogd dat de moeder haar werkzaamheden nog verder kan uitbreiden. In reactie daarop heeft de moeder gemotiveerd onderbouwd dat haar werkgever niet wenst haar arbeidsuren structureel uit te breiden en liever jongere en goedkopere krachten inzet. Het hof acht die verklaring, gelet op de branche waarin de moeder werkzaam is en de huidige economische situatie, aannemelijk.

15.

Het hof zal dan ook, mede gelet op de ingangsdatum van de kinderalimentatie, uitgaan van een bruto jaarinkomen van € 15.082,-. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat met betrekking tot de overuren, die maandelijks wisselen, een zo volledig mogelijk beeld is verkregen. De stelling van de vader dat het bruto jaarinkomen van de moeder op basis van de door de moeder overgelegde salarisspecificaties tot en met week 24 van 2013 hoger is, zal het hof dan ook passeren.

Woonlasten

16.

De vader betoogt dat niet gebleken is dat de moeder bijdraagt in de woonlasten van haar huidige partner, die recent is gescheiden en in het kader van de echtscheiding recent zijn hypothecaire geldlening heeft moeten verhogen om zijn ex-partner uit te kopen. De minderjarige zou, indien met deze woonlast rekening wordt gehouden, indirect daaraan meebetalen.

17.

De moeder heeft dit betoog betwist. Zij voert aan wel degelijk de helft van de woonlasten aan haar huidige partner te betalen. Er is geen sprake geweest van een verhoging van deze woonlasten door de echtscheiding van haar partner.

18.

Het hof acht het alleszins redelijk om rekening te houden met een bedrag van € 346,- per maand aan woonlasten aan de zijde van de moeder, nu zij daadwerkelijk woonachtig is bij haar huidige partner en deze woonlast, gelet op het inkomen van de moeder, niet als onredelijk is aan te merken. Uitgangspunt is ook dat samenwonenden geacht worden hun woonlasten bij helfte te delen. Op voormeld bedrag strekt in mindering een bedrag van € 219,- per maand, welk bedrag is verdisconteerd in de bijstandsnorm.

19.

Evenals de moeder zal het hof geen rekening houden met een forfait overige eigenaarslasten.

20.

Het hof ziet geen aanleiding om rekening te houden aan de zijde van de moeder met enige fiscale voordelen met betrekking tot deze woonlasten. Immers, de huidige partner van de moeder is eigenaar van deze woning. Hij kan aanspraak maken op de fiscale voordelen en de moeder voldoet in bovenstaande benadering een netto bedrag aan hem. Zij betaalt niet mee aan de overige lasten van de woning, zodat zij zelf geen fiscaal voordeel geniet.

Conclusie en schuld belastingdienst

21.

Als dan rekening wordt gehouden met de overige, niet door de vader bestreden financiële lasten, beschikt de moeder niet over enige draagkracht, zelfs indien geen rekening wordt gehouden met de aflossing van € 20,- per maand betreffende de schuld aan de belastingdienst. Het hof ziet ook geen aanleiding om – zoals de vader heeft betoogd - een minimale bijdrage van € 25,- per maand vast te stellen, nu zulks in strijd is met de wettelijke maatstaven.

22.

Gelet op het vorenstaande behoeven de behoefte van de minderjarige en het aandeel van de vader geen nadere bespreking, nu dit niet tot een ander oordeel kan leiden.

Verklaring voor recht

23.

De vader heeft verzocht voor recht te verklaren dat de vader met ingang van 28 juli 2012 niet langer alimentatieplichtig is jegens de minderjarige en dat hij aan de moeder geen bedragen meer is verschuldigd in verband met de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, waarbij eventuele achterstanden in betaling op nihil worden gesteld. Het hof wijst dit verzoek bij gebrek aan belang af, nu de rechtbank de door de vader te betalen bijdrage reeds met ingang van 28 juli 2012 op nihil heeft gesteld.

Proceskosten

24.

De vader stelt zich op het standpunt dat de moeder in de proceskosten dient te worden veroordeeld, aangezien zij in eerste aanleg geen verweer heeft gevoerd.

25.

Het hof overweegt als volgt. Het hoger beroep dient niet alleen tot het bestrijden van het oordeel van de rechter in eerste aanleg dient, maar geeft ook de mogelijkheid tot verbetering en aanvulling van hetgeen een partij in eerste aanleg heeft gedaan of nagelaten. Daartoe behoeft in beginsel geen rechtvaardiging te bestaan. Het feit dat de moeder aldus in eerste aanleg heeft nagelaten verweer te voeren kan er niet zonder meer toe leiden dat zij wordt veroordeeld in de kosten van het beroep en het hof ziet daartoe overigens onvoldoende grond. Derhalve zal het hof de proceskosten in beide instanties compenseren.

26.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 15 september 2009 van de het hof Amsterdam - de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige met ingang van 28 juli 2012 op nihil;

wijst af het inleidend verzoek van de vader, inhoudende dat de moeder aan de vader met ingang van 28 juli 2012, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige, zal uitkeren € 150,- per maand;

compenseert de proceskosten in beide instanties in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Kamminga, Mink en Van der Burght, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 november 2013.