Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4392

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
24-02-2014
Zaaknummer
200.114.055-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging beschikking uithuisplaatsing, waarvan de termijn inmiddels was verlopen

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 261, geldigheid: 2013-10-16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 16 oktober 2013

Zaaknummer : 200.114.055/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 12-1808

Zaaknummer rechtbank : 403637

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. L.E. Toet te Utrecht,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg te Rotterdam,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

Als belanghebbende is aangemerkt:

[de vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. N. Stolk te Rotterdam.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 28 september 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 7 september 2012 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

De vader heeft op 26 oktober 2012 een verweerschrift ingediend.

Jeugdzorg heeft op 31 oktober 2012 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

  • -

    op 5 oktober 2012 een brief van diezelfde datum met bijlage;

  • -

    op 23 oktober 2012 een brief van 22 oktober 2012 met bijlagen.

De zaak is op 7 november 2012 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat en de heer [A] namens het ACT-team;

  • -

    mevrouw [B] namens Jeugdzorg;

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

De raad is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Van die mondelinge behandeling is proces-verbaal opgemaakt. Het hof heeft ter zitting meegedeeld dat de moeder en de minderjarige de kans moeten krijgen om een traject zoals voorgesteld bij Yulius dan wel een vergelijkbaar traject te volgen. Het hof heeft de zaak een half jaar pro forma aangehouden - en wel tot zaterdag 25 mei 2013 - zodat het traject van start kan gaan. Voor die datum heeft het hof meegedeeld van partijen het volgende te willen vernemen:

  • -

    hoe het traject bij Yulius dan wel enig ander traject verloopt,

  • -

    de gewenste voortgang van de onderhavige procedure, waaronder de wenselijkheid van een zitting, onder opgave van verhinderdata, of de gewenste afdoeningswijze, en

  • -

    de standpunten ten aanzien van de uithuisplaatsing.

Na de zitting zijn, volgens afspraak ter zitting, de volgende stukken bij het hof ingekomen:

van de zijde van de moeder:

  • -

    op 23 mei 2013 een faxbericht van diezelfde datum;

  • -

    op 26 juni 2013 een faxbericht van diezelfde datum;

van de zijde van Jeugdzorg:

  • -

    op 7 mei 2013 een brief van 6 mei 2013;

  • -

    op 21 juni 2013 een brief van 20 juni 2013;

van de zijde van de vader:

- op 24 mei 2013 een faxbericht van diezelfde datum.

Het hof heeft de beschikking op heden bepaald.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking zijn de ondertoezichtstelling en de duur van de machtiging tot plaatsing van na te noemen minderjarige in een vorm van pleegzorg verlengd tot 16 augustus 2013. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

De vader en de moeder zijn de met het gezag belaste ouders van [de minderjarige] geboren [in] 2011 te [geboorteplaats] (verder: de minderjarige).

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1.

In geschil is de uithuisplaatsing van de minderjarige voor de periode van 10 september 2012 tot 16 augustus 2013 in een vorm van pleegzorg.

2.

De moeder verzoekt het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat, de bestreden beschikking te vernietigen (het hof begrijpt:) voor zover het de uithuisplaatsing van de minderjarige betreft, en opnieuw beschikkende, het inleidend verzoek van Jeugdzorg af te wijzen, dan wel aan te houden of slechts te verlenen voor een beperkte termijn, kosten rechtens.

3.

Jeugdzorg bestrijdt het beroep van de moeder en verzoekt de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4.

De vader ondersteunt het verzoek van de moeder.

5.

De moeder stelt zich op het standpunt dat de kinderrechter ten onrechte de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige voor de duur van één jaar heeft verlengd. Zij voert daartoe het volgende aan. De moeder heeft zeer hard gewerkt om haar zaken (alsnog) op orde te krijgen. De moeder heeft verzocht om een psychologisch onderzoek door Lucertis. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft Lucertis geadviseerd om de moeder te laten deelnemen aan een poli- en dagkliniek voor moeders en hun kinderen van 0-6 jaar om de relatie tussen de moeder en de minderjarige te versterken en de moeder ervaring in de opvoeding bij te brengen. In samenwerking met haar begeleiders is getracht om de moeder aan te melden bij verschillende instanties. Jeugdzorg weigerde haar medewerking. Jeugdzorg heeft ondanks de in de beschikking van 13 augustus 2012 geformuleerde opdracht niet gerapporteerd over de mogelijkheden voor de moeder om een traject te volgen met terugplaatsing tot doel. De moeder is zowel bij het project Zij aan Zij als bij het project Yulius aangenomen. Dit laatste project is inmiddels gestart en de begeleiders van beide projecten hebben te kennen gegeven dat zij er van uit gaan dat de moeder de projecten goed zal doorlopen. De moeder wenst een kans te krijgen om ervaring op te doen.

6.

Jeugdzorg heeft zich daartegen verweerd. Zij bestrijdt haar medewerking niet te hebben verleend. Nadat duidelijk werd dat EMC en Timon niet met hun traject met de moeder konden starten, heeft Jeugdzorg het in het belang van de minderjarige geacht dat er een verzoek voor plaatsing van de minderjarige in een perspectiefbiedend pleeggezin wordt gedaan. Jeugdzorg heeft haar beleid bepaald en is daarom niet ingegaan op de uitnodiging van de moeder en haar begeleider voor een gesprek bij Yulius. Jeugdzorg acht de kans van slagen, gelet op de voorgeschiedenis van het gezin en de omstandigheid dat er weinig is veranderd in de situatie van de moeder, erg klein. Vanwege de hechting van de minderjarige acht Jeugdzorg het van belang dat het toekomstperspectief van de minderjarige zo snel mogelijk duidelijk is.

7.

De vader meent dat de kinderrechter en Jeugdzorg voorbij zijn gegaan aan zijn rol. De vader heeft zijn financiën, woning en verdere zaken op orde.

8.

Ter zitting van 7 november 2012 heeft het hof meegedeeld van oordeel te zijn dat de moeder en de minderjarige de kans moeten krijgen om een traject zoals voorgesteld bij Yulius dan wel een vergelijkbaar traject te volgen.

9.

Nadien heeft Jeugdzorg bericht dat de moeder de samenwerkingsopname met Yulius positief heeft doorlopen. De moeder heeft samen met de minderjarige het JKP (jonge kindproject) doorlopen. De moeder heeft op diverse punten vooruitgang getoond en het project verloopt goed. Zij is thans geplaatst op het Kompas; de gezinsopname van Yulius. Jeugdzorg stelt zich op het standpunt dat het van belang is dat de uithuisplaatsing gecontinueerd dient te worden waarbij het traject van Yulius binnen de veilige kaders voor de minderjarige verder vorm dient te worden gegeven.

10.

De moeder heeft zich op het standpunt gesteld dat er niet langer een noodzaak bestaat voor de machtiging tot uithuisplaatsing. De begeleiders van de moeder hebben er alle vertrouwen in dat de moeder in staat zal zijn goed voor de minderjarige te zorgen, aldus de moeder. Jeugdzorg kan zelfstandig in het kader van de ondertoezichtstelling zicht houden op de moeder en de minderjarige.

11.

Het hof stelt vast dat de periode waarvoor de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige is verleend, inmiddels is verstreken. Evenwel heeft de moeder, gelet op het door artikel 8 EVRM gewaarborgde recht op eerbiediging van het gezinsleven, een rechtens relevant belang om de rechtmatigheid van de uithuisplaatsing van de minderjarige te laten toetsen. Het hof zal beoordelen of de kinderrechter terecht de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige heeft verleend. Ingevolge artikel 1:261 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kan zulks indien dit noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige of tot onderzoek van diens geestelijke of lichamelijke gesteldheid.

12.

Gelet op de persoonlijke problematiek van de moeder, de omstandigheid dat de minderjarige al daags na zijn geboorte uithuis is geplaatst, is het hof van oordeel dat de kinderrechter op de juiste gronden heeft geoordeeld dat de uithuisplaatsing in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige noodzakelijk was. Het hof zal dan ook de bestreden beschikking bekrachtigen met overneming van de gronden. Evenwel is het hof gebleken dat gedurende de uithuisplaatsing sprake is geweest van een positieve ontwikkeling. De moeder is tijdens het JKP-project in staat geweest vooruitgang te boeken op diverse gebieden, onder meer met betrekking tot de ouderlijke sensitiviteit, het bieden van structuur aan de minderjarige, de interactie met de minderjarige en haar betrokkenheid. De moeder neemt de adviezen die zij ontvangt, ter harte. Dit neemt niet weg dat beëindiging dan wel opheffing van de uithuisplaatsing gedurende het traject te prematuur zou zijn geweest.

13.

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

14.

Het hof zal als volgt beslissen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, Van Kempen en Van der Linden, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
16 oktober 2013.