Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4305

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-11-2013
Datum publicatie
14-11-2013
Zaaknummer
200.122.135
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Kort geding. Geldvorderingen tussen ex-echtgenoten: belastingschuld en andere schulden. Afwikkeling geschilpunten huwelijksgemeenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF Den Haag

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.122.135

Zaak-rolnummer Rechtbank : 429750 / KG ZA 12-1180

arrest van 5 november 2013

inzake

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

appellante, tevens geïntimeerde in het incidentele appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. F. Boukich te Amsterdam,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde, tevens incidenteel appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. drs. C.M. Kraan te Amsterdam.

1 Het geding

Bij exploot van 28 december 2012 is de vrouw in hoger beroep gekomen van het vonnis van 13 december 2012 van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage tussen de partijen gewezen.

Bij memorie van grieven (met producties) heeft de vrouw twee grieven aangevoerd.

Bij memorie van antwoord heeft de man de grieven bestreden. Tevens heeft de man incidenteel hoger beroep ingesteld.

Bij akte heeft de vrouw op het incidenteel hoger beroep gereageerd.

De man heeft zijn procesdossier aan het hof overgelegd en arrest gevraagd.

Aan het hof is gebleken dat in het door de man overgelegde procesdossier de door de vrouw genomen akte antwoord incidenteel appel, met bijlagen, ontbreekt. Het hof heeft deze akte uit het griffiedossier genomen en bij de beoordeling van de onderhavige zaak betrokken.

2 Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1. Voor zover tegen de feiten geen grief is gericht – en dat is het geval - gaat het hof uit van de door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten.

2. Door de vrouw wordt gevorderd, dat

“het het hof moge behagen het vonnis van 13 december 2012, waarvan beroep, te “vernietigen op de beroepen punten en, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [de vrouw]

“alsnog toe te wijzen, door:

  • -

    onder aanpassing van het vonnis naar hoofdsommen, rente en kosten, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties, waaronder begrepen een bijdrage in de kosten van rechtskundige bijstand aan de zijde van[de vrouw]; en tevens te beslissen overeenkomstig de eis in de appeldagvaarding;

  • -

    alsnog voor recht te bepalen dat de vrouw de man niets verschuldigd is;

  • -

    de man te veroordelen tot betaling van de helft van de terugvordering van de huurtoeslag van de belastingdienst ten bedrage van € 1.634,- te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 september 2010, onder verbeuring van een dwangsom van € 500,- per dag totdat de man voldaan heeft aan zijn betalingsverplichtingen;

  • -

    een en ander, voor zover mogelijk, uitvoerbaar bij voorraad.”

3. Door de man wordt gevorderd vernietiging van het hierbij bestreden vonnis voor zover in reconventie gewezen en veroordeling van de vrouw tot betaling de man van € 2.300,92 alsmede veroordeling van de vrouw in de kosten van deze procedure, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep.

Geldvordering in kort geding en verklaring voor recht in kort geding

4. De voorzieningenrechter heeft in rechtsoverweging 3.2 overwogen dat ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid dient te worden betracht. Zo zal niet alleen moeten worden onderzocht of het bestaan van de vordering in kwestie voldoende aannemelijk is – hetgeen betekent dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat de bodemrechter haar zal toewijzen – maar ook of daarnaast sprake is van feiten en omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening is vereist, terwijl in de afweging van de belangen van partijen het restitutierisico betrokken dient te worden.

5. Gezien de aard van de kort gedingprocedure – zijnde een ordemaatregel – leent deze procedure zich niet voor het verlenen van bewijsopdrachten met betrekking tot de stellingen van partijen.

6. De kort geding procedure leent zich eveneens niet om een verklaring voor recht af te geven.

Belastingschuld

7. De vrouw stelt in haar eerste grief dat de belastingschuld in de jaren 2008 en 2009 is ontstaan. De vrouw stelt dat zij de schuld van € 1.634,- volledig heeft terugbetaald aan de belastingdienst.

8. De man heeft bij memorie van antwoord gesteld dat bedragen die de vrouw voor 14 september 2010 aan de belastingdienst heeft betaald geen regresvordering op de man geven, aangezien die bedragen ten laste van de voormalige huwelijksgemeenschap van partijen zijn betaald.

9. Door de man wordt erkend dat de vrouw na 14 september 2010 ter delging van een gemeenschapsschuld zijnde een belastingschuld een bedrag van € 154,96 heeft betaald. De vrouw heeft derhalve een regresvordering op de man van € 77,48.

10. Het hof overweegt als volgt. Door de man wordt erkend dat door de vrouw na de datum van de ontbinding van de gemeenschap een bedrag is betaald van € 154,96. Conform de onderlinge draagplicht dient de man hiervan de helft te voldoen, zijnde € 77.48. Het overige door de vrouw gevorderde kan het hof niet op een eenvoudige wijze vaststellen. Gezien de aard van de procedure kan het door de vrouw gevorderde voor zover het meer bedraagt dan
€ 77,48 niet worden toegewezen.

Primeline

11. De voorzieningenrechter heeft overwogen dat uit het overzicht van Primeline blijkt dat de vrouw na 14 september 2010 een bedrag heeft afgelost van € 1.418,46.

12. In punt 7 stelt de vrouw dat zij ook na 23 april 2012 maandelijks aflost, naar het hof begrijpt op de lening bij Primeline.

13. De man stelt in punt 25 van zijn memorie van antwoord tevens incidenteel appel dat de vrouw geen eis noch een conclusie heeft gesteld met betrekking tot haar vordering en dat hij op die grond de grief onbesproken laat.

14. Het hof overweegt als volgt. Een goede procesorde brengt met zich dat voor de wederpartij en de rechter duidelijk dient te zijn wat er gevorderd wordt. Door de vrouw is een grief geformuleerd, echter, in haar petitum verbindt zij hieraan geen enkele conclusie. Het feit dat de vrouw bij akte vordert dat de man de helft van de Primeline schuld dient te voldoen is tardief.

ING Creditcardschuld en ANWB VISA schuld; incidenteel appel

15. In punt 35 stelt de man dat hij op 25 januari 2012 een bedrag van € 2.510,- heeft betaald ter aflossing van de creditcardschuld en daarmee heeft aangetoond dat hij zelf het saldo, dat op die rekening ten tijde van de datum van inschrijving van de echtscheiding stond, geheel heeft afgelost. De vrouw moet aan hem met betrekking tot de ING Creditcard betalen de somma van € 1.210,62.

16. De man stelt in punt 36 dat de vrouw met betrekking tot de ANWB VISA schuld aan de man verschuldigd is de somma van € 1.090,30.

17. Door de vrouw wordt betwist dat er bij de ING op 14 september 2010 nog een openstaande schuld zou zijn geweest van € 2.421,25. Voorts stelt de vrouw dat uit de bankafschriften blijkt dat de man een bedrag aflost, maar tegelijkertijd betalingen verricht vanuit deze creditcard. Het valt niet vast te stellen welk deel van de schuld als een gemeenschapsschuld dient te worden gekwalificeerd.

18. Zoals het hof hiervoor al heeft overwogen dient bij de toewijzing van een geldvordering in kort geding een grote mate van terughoudendheid te worden betracht. Mede bezien het door de vrouw gevoerde verweer kan het hof niet op een eenvoudige wijze de mogelijke vorderingen van de man op de vrouw vaststellen. Vast staat dat de man na datum 14 september 2010 betalingen met de creditcard heeft gedaan en dat er betalingen aan de creditcard organisatie hebben plaatsgevonden. De grief van de man treft geen doel.

Voorzieningenrechter; afwikkeling geschilpunten huwelijksgemeenschap

19. Naar het oordeel van het hof heeft de voorzieningenrechter aan partijen een heldere instructie gegeven over de wijze waarop partijen hun geschilpunten nu en in de toekomst kunnen afwikkelen. Van belang is dat vastgesteld wordt wat de omvang van de schuld is op de datum van de ontbinding van de huwelijksgemeenschap. Indien een partij na die datum op de betreffende schuld voor meer dan de helft heeft betaald heeft hij/zij voor hetgeen hij/zij meer heeft betaald dan de helft een regresvordering op de ander. Gezien de beperkte omvang van de schulden moeten de advocaten van partijen dit ook in onderling overleg kunnen oplossen.

Overige stellingen

20. Gezien hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, behoeven de overige stellingen van partijen geen verdere bespreking aangezien zij niet relevant zijn voor het onderhavige oordeel.

Proceskosten

21. Gezien het feit dat er sprake is van ex-echtgenoten zal het hof de proceskosten compenseren.

Gedeeltelijke vernietiging

22. Gezien het feit dat de man een deel van de vordering met betrekking tot de belastingschuld heeft erkend dient het vonnis van de voorzieningenrechter in zoverre te worden vernietigd.

3 Beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis van 13 december 2012 van de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage tussen de partijen gewezen voor zover daarbij de vordering van de vrouw met betrekking tot de belastingschuld is afgewezen en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de man om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de vrouw te voldoen de somma van € 77,48 met betrekking tot de belastingschuld, te vermeerderen met de rente vanaf de dag der dagvaarding in eerste aanleg tot de dag der algehele voldoening;

verklaart dit arrest tot zo ver uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het bestreden vonnis voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat ieder der partijen zijn eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen meer of ander is gevorderd.

Dit arrest is gewezen door mrs. Labohm, van Nievelt en Mink, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 november 2013 in aanwezigheid van de griffier.