Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4300

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
13-11-2013
Datum publicatie
04-12-2013
Zaaknummer
22-000204-12.a
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op [benadeelde partij 3], door hem in een café met een vuurwapen van dichtbij neer te schieten. Daarbij is het niet aan de verdachte te danken geweest dat het slachtoffer dit heeft overleefd.

De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan mishandeling van een politieagent en heeft daarmee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 57 (zevenenvijftig) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000204-12

Parketnummers: 10-731223-10 en 10-740216-11

Datum uitspraak: 13 november 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 22 december 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen) op [geboortejaar] 1983,

[gba-adres],

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Rijnmond, locatie De Schie, te Rotterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 3 april 2013 en 30 oktober 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het in de zaak met parketnummer 10-731223-10 primair en subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-731223-10 meer subsidiair, het in de zaak met parketnummer 10-740216-11 onder 1 impliciet subsidiair en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts zijn beslissingen genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, als nader in het vonnis waarvan beroep is omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

(parketnummer 10-731223-10):

hij op of omstreeks 03 oktober 2010 te Rotterdam tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ambtenaar gedurende of ter zake de rechtmatige uitoefening van zijner bediening, genaamd [benadeelde partij 1], zijnde hoofdagent van politie Rotterdam-Rijnmond, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [benadeelde partij 1], brildragend, in het gezicht heeft geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 03 oktober 2010 te Rotterdam, op of aan de openbare weg, Taanderstraat, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], zijnde (respectievelijk) hoofdagent en/of agent van politie Rotterdam-Rijnmond, welk geweld bestond uit het duwen van die [benadeelde partij 1] en/of het slaan en/of stompen van die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], terwijl het door hem, verdachte, gepleegd geweld enig lichamelijk letsel (te weten een scheur in de rechter wenkbrauw en diverse bloeduitstortingen rond ogen en neus) voor die [benadeelde partij 1] ten gevolge heeft gehad;

meer subsidiair, voorzover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 03 oktober 2010 te Rotterdam tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk mishandelend een persoon (te weten [benadeelde partij 1], zijnde een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening) heeft geduwd en/of op/in diens gezicht heeft geslagen en/of gestompt, waardoor voornoemde [benadeelde partij 1] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

(parketnummer 10-740216-11):

1.
hij op of omstreeks 26 juni 2011 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk al dan niet met voorbedachten rade een persoon genaamd [benadeelde partij 3] van het leven te beroven, althans zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen twee, althans een of meer, kogel(s) heeft afgevuurd op die [benadeelde partij 3], daarmee/daarbij die [benadeelde partij 3] treffende in de buik en/of de borst(kas), in elk geval het bovenlichaam, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.
hij op of omstreeks 26 juni 2011 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2, lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool, en/of de daarbij behorende munitie, voorhanden heeft gehad.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Het hof begrijpt dat dit verweer ziet op het feit dat onder 1 van de dagvaarding met parketnummer 10-740216-11 is omschreven.

Ter onderbouwing van het verweer is aangevoerd – verkort weergegeven – dat is gehandeld in strijd met het fair trial-beginsel zoals neergelegd in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), nu nader onderzoek aan de in beslag genomen harddisk in het belang van de verdediging door het openbaar ministerie feitelijk onmogelijk is gemaakt. Zodoende is, aldus de raadsman, de verdediging de kans ontnomen potentieel ontlastend materiaal naar voren te brengen. Volgens de verdediging levert dit een onherstelbaar vormverzuim op, waarvan primair het gevolg behoort te zijn dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard in de vervolging van de verdachte en dat subsidiair tot strafvermindering behoort te leiden.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.  

Uit op 27 juni 2011 verricht technisch onderzoek is gebleken dat de in beslag genomen harddisk geen data meer bevatte. Daaromtrent is op 3 augustus 2011 een proces-verbaal opgemaakt, dat onderdeel uitmaakte van het procesdossier in eerste aanleg. In eerste aanleg zijn er in dit verband door de verdediging geen nadere opmerkingen meer gemaakt of verzoeken ingediend.

De harddisk is daarop op 30 november 2011 teruggegeven aan de rechthebbende, in casu de eigenaar van het café waar het onderhavige feit zich heeft afgespeeld.

De raadsman heeft vervolgens in zijn appelschriftuur van 31 januari 2013 verzocht om nader onderzoek naar de betreffende harddisk. Uit het vervolgens ingestelde onderzoek is gebleken dat de eigenaar deze in de periode april/mei 2013 heeft weggegooid omdat deze niet werkte. De harddisk is derhalve niet meer voor nader onderzoek beschikbaar.

Naar het oordeel van het hof was, gezien de onderzoeksresultaten op 27 juni 2011 en het feit dat er van de zijde van de verdediging op het moment van teruggave geen verzoeken tot nader onderzoek voorlagen, de beslissing tot teruggave van de harddisk niet onjuist of onbegrijpelijk. Aldus kan evenmin worden gezegd dat door het openbaar ministerie ernstig inbreuk is gemaakt op de beginselen van een goede procesorde waardoor doelbewust en met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte is gehandeld, dan wel dat doelbewust bewijsmateriaal is vernietigd.

Het hof overweegt voorts dat de onmogelijkheid om thans nog nader onderzoek te verrichten en op gelijke wijze als het openbaar ministerie onderzoeksresultaten in het geding te brengen, in beginsel niet in de weg staat aan een eerlijke procesvoeringin het onderhavige geval evenmin met zich brengt dat geen sprake zou zijn van een eerlijk proces, als bedoeld in artikel 6 EVRM. Daarbij betrekt het hof, naast de omstandigheid dat de verdediging eerst in tweede instantie met de wens tot onderzoek is gekomen, ook het gegeven dat de verdediging in de gelegenheid is gesteld ter terechtzitting de verbalisant van de afdeling Digitale Opsporing, die het aanvankelijke onderzoek naar de betreffende harddisk heeft verricht, als getuige te ondervragen omtrent het door hem verrichte onderzoek en zijn bevindingen. Aldus zijn de verdediging voldoende mogelijkheden geboden om de inhoud van het proces-verbaal, inhoudende dat de harddisk geen gegevens bevatte, te betwisten. Het hof is dan ook van oordeel dat geen sprake is van schending van het in artikel 6 EVRM neergelegde recht op een eerlijk proces.

Gezien het hiervoor overwogene zijn er derhalve geen redenen het openbaar ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van de verdachte, dan wel om tot verdiscontering over te gaan in de strafmodaliteit en strafmaat. Het tot een andere conclusie strekkende verweer van de verdediging wordt dan ook verworpen.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte in de zaak met parketnummer 10-731223-10 primair en subsidiair en in de zaak met parketnummer 10-740216-11 impliciet primair is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan

– overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal en het standpunt van de verdediging - behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-731223-10 meer subsidiair en in de zaak met parketnummer

10-740216-11 onder 1 impliciet subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(parketnummer 10-731223-10):

hij op 03 oktober 2010 te Rotterdam opzettelijk mishandelend een persoon te weten [benadeelde partij 1], zijnde een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in diens gezicht heeft gestompt, waardoor voornoemde [benadeelde partij 1] letsel heeft bekomen;

(parketnummer 10-740216-11):

1.
hij op 26 juni 2011 te Rotterdam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon genaamd [benadeelde partij 3] van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen twee kogels heeft afgevuurd op die [benadeelde partij 3], daarmee die [benadeelde partij 3] treffende in de buik en het bovenlichaam, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

2.
hij op 26 juni 2011 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool, en de daarbij behorende munitie, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde en de verdachte

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging betoogd dat de verdachte ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-740216-11 onder 1 bewezen verklaarde een beroep op noodweer toekomt, reden waarom hij van alle rechtsvervolging behoort te worden ontslagen. Daartoe is – verkort en zakelijk weergegeven – het volgende aangevoerd. De verdachte bevond zich in de rookruimte van een café, welke ruimte geblokkeerd was. Het latere slachtoffer begaf zich eveneens naar de rookruimte en toonde de verdachte de kolf van een pistool. Toen het slachtoffer het pistool wilde pakken, heeft de verdachte zich verdedigd door tweemaal op hem te schieten.

Het hof acht de feiten en omstandigheden die de verdediging aan het verweer ten grondslag heeft gelegd niet aannemelijk geworden. Het hof is van oordeel dat de door de verdediging gegeven lezing van de gebeurtenissen wordt uitgesloten door de volgende, aan wettige bewijsmiddelen ontleende, feiten en omstandigheden.

Op 26 juni 2011 was de verdachte aanwezig in de rookruimte van café La Luna te Rotterdam. Hij had een doorgeladen vuurwapen met zich meegenomen. In het café kwam de verdachte het latere slachtoffer [benadeelde partij 3] tegen en er ontstond een woordenwisseling tussen hen bij de rookruimte. Vervolgens heeft de verdachte zijn vuurwapen getrokken en daarmee tweemaal vanaf korte afstand op het slachtoffer geschoten.

De stelling van de verdediging dat de verdachte (de kolf van) een vuurwapen bij het slachtoffer had gezien, is naar het oordeel van het hof niet aannemelijk geworden.

Het hof wijst er hierbij allereerst op dat – op één hierna te bespreken uitzondering na - geen van de vele in deze zaak gehoorde getuigen verklaren een wapen bij het slachtoffer te hebben gezien. Er is ook geen vuurwapen bij het slachtoffer of op de plaats delict gevonden. De bevindingen van het verrichte forensische onderzoek bieden evenmin enige steun aan de stelling van de verdachte dat het slachtoffer over een wapen zou hebben beschikt.

Voorts overweegt het hof dat de verklaringen van de verdachte op dit punt niet consistent zijn, en inhouden dat de verdachte aanvankelijk ook zelf niet zeker was over het gestelde dragen van een wapen door het slachtoffer. Zo verklaart de verdachte bij de politie: “Ik weet het niet zeker, maar volgens mij zag ik de kolf van een vuurwapen” en bij de rechter-commissaris: “Ik zag dat hij iets in zijn broekband had zitten. Ik ben er bijna zeker van dat het een pistool was”. Naar het oordeel van het hof tasten voormelde verklaringen de geloofwaardigheid aan van de ter terechtzitting door verdachte afgelegde verklaring dat hij zeker weet dat hij de kolf van een pistool had gezien.

Het hof heeft tevens kennisgenomen van de op 19 augustus 2011 tegenover de rechter-commissaris afgelegde verklaring van [getuige], dat zij iets zwarts had gezien bij het middel van het slachtoffer. Het hof constateert echter dat deze getuige in haar eerdere uitvoerige verklaring tegenover de politie op 29 juni 2011 niets heeft verklaard omtrent het door haar waarnemen van enig voorwerp bij het slachtoffer, hoewel zij blijkens deze laatste verklaring toen wel heeft gezien dat het slachtoffer zijn T-shirt omhoog deed, en vervolgens het slachtoffer heeft aangesproken. Het hof acht het niet aannemelijk dat de getuige, indien zij werkelijk iets van een voorwerp had waargenomen bij het slachtoffer, daarvan tijdens het verhoor bij de politie geen melding zou hebben gemaakt.

Voorts neemt het hof bij de beoordeling van de betrouwbaarheid van de verklaring bij de rechter-commissaris van deze getuige in ogenschouw dat zij op het moment dat zij deze verklaring bij de rechter-commissaris aflegde de vriendin was van de verdachte, en hem tijdens zijn detentie ook had bezocht, zodat zij niet zonder meer als een onpartijdige getuige kan worden aangemerkt.

Gezien voormelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de door de getuige [getuige] bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring, voor zover inhoudende dat zij iets zwarts heeft gezien bij het middel van het slachtoffer, als ongeloofwaardig terzijde moet worden gesteld.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat het slachtoffer een vuurwapen in zijn bezit had en dit aan de verdachte heeft getoond. Ook anderszins is niet aannemelijk geworden dat de verdachte in een situatie verkeerde waarin voor hem de noodzaak bestond tot verdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel tegen het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Het beroep op noodweer faalt derhalve.

Nu ook overigens geen omstandigheid aannemelijk is

geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde dan wel de strafbaarheid van de verdachte uitsluit, is zowel het bewezen verklaarde als de verdachte strafbaar.

Kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het in de zaak met parketnummer 10-731223-10 meer subsidiair bewezen verklaarde levert op:

mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Het in de zaak met parketnummer 10-740216-11 onder 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag.

Het in de zaak met parketnummer 10-740216-11 onder 2 bewezen verklaarde levert op:

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte van het in de zaak met parketnummer 10-731223-10 primair en subsidiair en in de zaak met parketnummer 10-740216-11 onder 1 impliciet primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-731223-10 meer subsidiair, in de zaak met parketnummer 10-740216-11 onder 1 impliciet subsidiair en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich op de bewezen verklaarde wijze schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag op [benadeelde partij 3], door hem in een café met een vuurwapen van dichtbij neer te schieten. Daarbij is het niet aan de verdachte te danken geweest dat het slachtoffer dit heeft overleefd. Aldus handelend heeft de verdachte ernstig inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Het behoeft geen betoog dat dit een zeer ingrijpende en beangstigende gebeurtenis voor hem moet zijn geweest. Een dergelijk feit, gepleegd in de openbare ruimte en in aanwezigheid van anderen, draagt een voor de rechtsorde schokkend karakter en brengt daarnaast bij de burgers angstgevoelens en gevoelens van onveiligheid teweeg.
Hierbij heeft de verdachte een vuurwapen met munitie voorhanden gehad. Het door de verdachte gepleegde feit toont eens temeer aan dat tegen het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie streng dient te worden opgetreden.

De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan mishandeling van een politieagent en heeft daarmee inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Bovendien getuigt het toegepaste geweld tegen een agent van een gebrek aan respect voor het publieke belang dat door opsporingsambtenaren wordt gediend.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 16 oktober 2013, waaruit blijkt dat de verdachte meermalen onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder voor geweldsdelicten en een vuurwapendelict. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat in beginsel een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van voorarrest, een passende en geboden reactie vormt.

Het hof constateert echter dat de termijn voor de berechting in hoger beroep met bijna vijf maanden is overschreden en dat de termijn van inzending van de stukken van het geding na het instellen van het hoger beroep met bijna zeven maanden is overschreden. Nu het hof de zaak niet binnen zestien maanden na het instellen van het hoger beroep afdoet, kan - wat betreft de totale duur van de behandeling in hoger beroep – worden gesproken van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Het hof zal de overschrijding van deze termijnen verdisconteren in de strafmaat en in plaats van de hiervoor overwogen onvoorwaardelijke gevangenisstraf een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur opleggen.

Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte in de zaak met parketnummer 10-731223-10 ten laste gelegde tot een bedrag van € 568,--. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het in de zaak met parketnummer 10-731223-10 meer subsidiair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder in de zaak met parketnummer 10-731223-10 meer subsidiair bewezenverklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 568,-- aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1].

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 3]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte in de zaak met parketnummer 10-740216-11 onder 1 ten laste gelegde tot een bedrag van € 5.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente. In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot het in eerste aanleg toegewezen bedrag van € 3.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Het hof is van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder in de zaak met parketnummer 10-740216-11 onder 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 3.000,--, vermeerderd met de wettelijke rente, aansprakelijk is voor de schade die door het in de zaak met parketnummer 10-740216-11 onder 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag met rente aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 3].

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57, 63, 287, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-731223-10 primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 10-731223-10 meer subsidiair en in de zaak met parketnummer

10-740216-11 onder 1 impliciet subsidiair en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 10-731223-10 meer subsidiair en in de zaak met parketnummer

10-740216-11 onder 1 impliciet subsidiair en 2 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 57 (zevenenvijftig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-731223-10 meer subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 568,00 (vijfhonderdachtenzestig euro) bestaande uit € 293,00 (tweehonderddrieënnegentig euro) materiële schade en

€ 275,00 (tweehonderdvijfenzeventig euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], een bedrag te betalen van € 568,00 (vijfhonderdachtenzestig euro) bestaande uit € 293,00 (tweehonderddrieënnegentig euro) materiële schade en € 275,00 (tweehonderdvijfenzeventig euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 (elf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 10-740216-11 onder 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.000,00 (drieduizend euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 3], een bedrag te betalen van € 3.000,00 (drieduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 26 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. A. Kuijer, mr. H. van den Heuvel en mr. M.C.R. Derkx, in bijzijn van de griffier mr. N.R. Achterberg.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 13 november 2013.