Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4275

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-11-2013
Datum publicatie
09-12-2013
Zaaknummer
200.104.962-01
Formele relaties
Na verwijzing door: ECLI:NL:HR:2011:BU4204
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Verwijzing na Hoge Raad
Inhoudsindicatie

Persoonlijke aansprakelijkheid curator; vervolg van HR 16-12-2011, ECLI:NL:HR:2011:BU4204, NJ 2012, 515.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2014/24
NJF 2014/67
RI 2014/30
JOR 2015/79
OR-Updates.nl 2013-0431
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.104.962/01

zaak/rolnummer rechtbank Amsterdam : 380702 / HA ZA 07-2709

zaaknummer hof Amsterdam : 200.012.025/01

Zaaknummer Hoge Raad : 10/02126

arrest van 19 november 2013

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. K. Watanabe te Amsterdam,

tegen

[de Curator],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: [de Curator],

advocaat: mr. T.P. Hoekstra te Amsterdam.

Het geding

Voor het verloop van het geding in de eerdere feitelijke instanties verwijst het hof naar het in deze zaak gewezen vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 mei 2008, en het arrest van het hof Amsterdam van 9 februari 2010.

In zijn arrest van 16 december 2011 heeft de Hoge Raad het tussen partijen gewezen arrest van het gerechtshof Amsterdam van 9 februari 2010 vernietigd, en het geding ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar dit hof (HR 16-12-2011, ECLI:NL:HR:2011:BU4204, NJ 2012, 515).

Bij exploot van 30 maart 2012 heeft [appellant] [de Curator] opgeroepen om voor dit hof te verschijnen om het geding in hoger beroep voort te zetten.

Vervolgens heeft [appellant] een memorie na verwijzing door de Hoge Raad genomen, waarna [de Curator] een antwoordmemorie na verwijzing tevens akte houdende overlegging producties (met producties) heeft genomen.

[appellant] heeft hierop nog een akte uitlating producties tevens akte houdende overlegging producties (met producties) genomen, waarna [de Curator] van zijn kant nog een akte uitlatingen producties heeft genomen.

Ter terechtzitting van 10 september 2013 hebben partijen hun standpunten mondeling aan de hand van pleitnotities nader toegelicht. Van het pleidooi is een proces-verbaal opgemaakt. Tenslotte hebben partijen het hof verzocht arrest te wijzen op het reeds overgelegde kopie-dossier.

Beoordeling van het hoger beroep na verwijzing door de Hoge Raad

1.

Het hof gaat in deze zaak uit van de feiten zoals vermeld in rechtsoverweging 3.1 van het arrest van de Hoge Raad.

2.

Het hof stelt voorop dat de omvang van de rechtsstrijd in hoger beroep, zoals thans na verwijzing nog aan de orde, wordt bepaald door de grieven die [appellant] heeft gericht tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 mei 2008, en door het arrest van het hof Amsterdam van 9 februari 2010 in samenhang met het arrest van de Hoge Raad van 16 december 2011. Het hof overweegt op dit punt het volgende.

3.

De Hoge Raad heeft in zijn arrest als volgt overwogen:


“3.4.1. De onderdelen 1.1, 2.1 en 3.1 bevatten de klacht dat het hof bij zijn oordeel niet de terughoudendheid in acht heeft genomen die past bij de beantwoording van de vraag of een faillissementscurator bij de uitvoering van zijn taak niet heeft gehandeld zoals in redelijkheid van hem mag worden verlangd en deswege persoonlijk aansprakelijk is. Daarbij heeft de klacht de norm op het oog die is geformuleerd in HR 19 april 1996, LJN  ZC2047, NJ  1996/727 (Maclou ), te weten dat een curator, kort gezegd, behoort te handelen zoals in redelijkheid mag worden verlangd van een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht.

3.4.2. Deze klacht is gegrond. De faillissementscurator kan wegens een onzorgvuldige uitoefening van zijn wettelijke taak tot beheer en vereffening van de boedel persoonlijk aansprakelijk zijn jegens degenen in wier belang hij die taak uitoefent, te weten de (gezamenlijke) schuldeisers, en jegens derden met de belangen van wie hij bij de uitoefening van die taak rekening heeft te houden, zoals de gefailleerde. Voor zover de faillissementscurator bij de uitoefening van zijn taak niet is gebonden aan regels, komt hem in beginsel een ruime mate van vrijheid toe. De curator dient zich te richten naar het belang van de boedel, maar het is in beginsel aan zijn inzicht overgelaten op welke wijze en langs welke weg dat belang het beste kan worden gediend. Hetzelfde geldt voor de wijze waarop hij rekening houdt met andere bij het beheer en de afwikkeling van de boedel betrokken belangen en voor de wijze waarop hij bij dat beheer of die afwikkeling uiteenlopende, soms tegenstrijdige belangen tegen elkaar afweegt. Bij het te gelde maken van het actief van de boedel, waarop de verwijten zien die [appellant] de Curator in deze zaak maakt, komt de faillissementscurator de hier bedoelde vrijheid toe.

3.4.3. De norm van het Maclou-arrest ziet op genoemde persoonlijke aansprakelijkheid van de curator wegens een onjuiste taakuitoefening in een geval dat de in 3.4.2 bedoelde vrijheid voor hem bestond. Bij de toepassing van deze norm heeft de rechter de vraag te beantwoorden of, uitgaande van bedoelde vrijheid, een over voldoende inzicht en ervaring beschikkende curator die zijn taak met nauwgezetheid en inzet verricht, in de gegeven omstandigheden in redelijkheid tot de desbetreffende gedragslijn zou hebben kunnen komen. Bij deze toetsing past, zoals uit de norm van het arrest naar haar aard volgt, inderdaad terughoudendheid, zoals de klacht betoogt. Voor persoonlijke aansprakelijkheid is immers vereist dat de curator ook persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt van zijn handelen. Daarvoor is vereist dat hij gehandeld heeft terwijl hij het onjuiste van zijn handelen inzag dan wel redelijkerwijze behoorde in te zien.

3.4.4. Het hof heeft het vorenstaande miskend. Het heeft weliswaar geoordeeld dat de Curator bij de uitvoering van zijn taak de norm van het Maclou-arrest heeft overtreden, maar blijkens de overwegingen waarop dat oordeel berust, heeft het daarbij — anders dan met het oog op de hiervoor bedoelde terughoudendheid is vereist — geen recht gedaan aan de positie waarin een faillissementscurator verkeert, zoals die hiervoor in 3.4.2 is omschreven.”

4.

Het hof zal, met inachtneming van het bovenstaande, de grieven opnieuw beoordelen.

Panden

5.

[appellant] verwijt [de Curator] dat hij heeft verzuimd een zo hoog mogelijke boedelopbrengst na te streven. Volgens [appellant] heeft [de Curator] ten onrechte niet het bod van [A] van NLG 1.325.000,- noch het bod van Makelaarshuis Amstellanden B.V. (hierna: Amstellanden) van NLG 1.500.000 (€ 680.670,30) geaccepteerd, heeft hij voor de veiling op 25 juni 2001 niet alle geïnteresseerden uitgenodigd, heeft hij bij de veiling geen bodemprijs gehanteerd, en heeft hij na de veiling ten onrechte het eindbod van NLG 1.140.000,- (€ 517.309,45) geaccepteerd en geen contact meer opgenomen met de eerdere bieders om te onderzoeken of zij hun oorspronkelijke (hogere) bod alsnog gestand wilden doen. Hierop zien de grieven 1 tot en met 5, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling.

6.

Het hof is allereerst van oordeel dat [appellant] niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in de periode vanaf de faillissementsdatum (12 december 2000) tot aan het moment van de veiling van 25 juni 2001 een concreet bod voor de aankoop van de panden op tafel heeft gelegen, dat was voorzien van een deugdelijke zekerheidstelling en dat bovendien voldoende hoog was om te concluderen dat [de Curator] dit bod in redelijkheid niet had mogen weigeren. [de Curator] mocht uitgaan van het taxatierapport dat hij door[B] had laten uitbrengen, en waaruit een executiewaarde van NLG 1.475.000,- (€ 669.325,82) en een onderhandse verkoopwaarde van NLG 1.650.000,- (€ 748.737,36) bleken. Voorts mocht [de Curator] belang hechten aan de brieven van de fiscus van 2 april 2001 en 18 april 2001 (producties 15 en 19 bij memorie van grieven), waarin deze onder meer aangeeft van mening te zijn dat NLG 1.650.000,- een conservatief bedrag is, dat realisatie van een aanzienlijk hoger bedrag waarschijnlijk is en dat hij verkoop tegen een te laag bedrag, om welke reden ook, in strijd acht met de zorgvuldigheid die een curator betaamt. Het bod van [A] en het (onduidelijk gebleven) bod dat [de Curator] had ontvangen via[B] waren beide lager dan de getaxeerde executiewaarde. Het kan [de Curator] reeds daarom niet worden verweten dat hij deze biedingen niet heeft geaccepteerd. Bovendien stond het [de Curator] als curator vrij om, ter beoordeling van de serieusheid van de biedingen, hieraan eisen te stellen wat betreft onder meer een afdoende documentatie en een bankgarantie of een andere deugdelijke zekerheidstelling. Deze eisen waren geenszins onbegrijpelijk of onredelijk. De stelling van [appellant] dat de eis van een bankgarantie (in plaats van een bankverklaring) in een geval als dit noch gebruikelijk noch noodzakelijk was, doet hier niet aan af.

7.

Wat betreft het bod van Amstellanden overweegt het hof als volgt.
Het bod van ([betrokkene 1] namens) Amstellanden betrof geen bod op de panden, maar een aanbod tot herfinanciering van de schulden van [appellant], waardoor de panden niet hoefden te worden geveild en [appellant] zijn bedrijfsactiviteiten kon voortzetten. Dit laatste was – aldus [appellant] – fiscaal veel gunstiger, en ook voor de boedel derhalve veel voordeliger. Het bod (zoals weergegeven in de brief van de raadsman van [appellant] aan [de Curator] van 6 juni 2001, productie 3 bij inleidende dagvaarding) gold onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de veiling van de panden op 11 juni 2001 geen doorgang zou vinden.

8.

Wat betreft de bij het bod behorende zekerheidstelling stelt het hof vast dat de raadsman van [appellant] in zijn brief van 6 juni 2001 vermeldt dat [betrokkene 1] een bedrag van NLG  200.000,- onder zich heeft, welk bedrag kan worden aangewend als borgsom voor de herfinanciering van de schulden uit het faillissement. [betrokkene 1] bevestigt aan [de Curator] in een fax van 11 juni 2001 (inhoudende een schrijven gedateerd 8 juni 2001) dat hij onder zich heeft een zekerheidstelling ad NLG 200.000, die hij bereid is via een notaris als zekerheid te stellen. Het hof merkt in dit verband op dat deze fax / dit schrijven van [betrokkene 1] tweemaal is overgelegd, eenmaal als productie 4 bij dagvaarding en eenmaal als productie 26 bij memorie van grieven, terwijl de inhoud van de beide producties niet volledig gelijkluidend is. In de versie die is overgelegd bij memorie van grieven, en die blijkens de tijdsaanduiding van de fax kennelijk enkele uren na de eerste versie is verzonden, is vermeld dat de zekerstelling van NLG 200.000,- op verzoek contant kan worden gemaakt, waarvoor [betrokkene 1] / Amstellanden 3 werkdagen nodig heeft vanaf het verzoek daartoe. In een volgende fax van [betrokkene 1] aan [de Curator] van diezelfde 11 juni 2001 (productie 27 bij memorie van grieven), verzoekt [betrokkene 1] aan [de Curator] om de op die avond geplande veiling geen doorgang te laten vinden en om hem de tijd te geven om de benodigde NLG 200.000,- contant te maken, aangezien de resterende tijd van 1,5 uur tot aan de veiling te kort is.

9.

[de Curator] heeft gesteld dat hij het bod van Amstellanden, nadat de veiling op 11 juni 2001 reeds was aangevangen, na overleg met en in aanwezigheid van de rechter-commissaris in het faillissement, telefonisch in een gesprek met [betrokkene 1] heeft aanvaard. Hierop is de veiling van 11 juni 2001 afgeblazen. In de telefoongesprekken die hij op 11 juni 2001 heeft gevoerd met [betrokkene 1] is volgens [de Curator] onder meer afgesproken dat het aanbod van Amstellanden werd aanvaard, op de voorwaarde dat [betrokkene 1] vóór vrijdag 15 juni 2001 de aangeboden waarborgsom van NLG 200.000,- zou storten op de derdengeldenrekening van [de Curator]. Deze afspraken zijn vastgelegd in een fax die [de Curator] op 12 juni 2001 aan [betrokkene 1] heeft gezonden (productie 1 bij memorie van antwoord). In die fax is tevens vermeld dat de panden alsnog op 25 juni 2001 zouden worden geveild als de waarborgsom niet zou zijn gestort. [betrokkene 1] heeft geen waarborgsom gestort, en evenmin nog iets van zich laten horen. [de Curator] heeft hieruit geconcludeerd dat het aanbod niet serieus was en heeft de panden op 25 juni 2001 opnieuw op de veiling gebracht.

10.

[appellant] heeft betwist dat [betrokkene 1] op 11 juni 2001 de door [de Curator] gestelde afspraken heeft gemaakt. Van een aanvaarding van het aanbod van Amstellanden was volgens [appellant] geen sprake: [betrokkene 1] zou in het telefoongesprek op 11 juni 2001 tegen [de Curator] gezegd hebben dat hij niet in staat was om op de door [de Curator] gestelde korte termijn NLG 200.000,- vrij te maken. [betrokkene 1] is er – aldus [appellant] – dan ook van uit gegaan dat de veiling op 11 juni 2001 is doorgezet, hij wist niet dat de veiling was afgeblazen en had geen reden om te veronderstellen dat het aanbod van Amstellanden nog aan de orde was.

11.

Het hof passeert de stelling van [appellant] dat [de Curator] het aanbod van Amstellanden niet heeft geaccepteerd. Het hof wijst er allereerst op dat [appellant] ter gelegenheid van de comparitie van partijen in eerste aanleg uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft erkend dat de veiling van 11 juni 2001 inderdaad is uitgesteld en dat [de Curator] het aanbod van Amstellanden heeft geaccepteerd. Op deze erkenning kan [appellant] in hoger beroep niet meer terugkomen. De reden dat de afspraken met Amstellanden uiteindelijk niet zijn uitgevoerd was, aldus [appellant] in diezelfde verklaring, omdat [de Curator] niet wilde meewerken aan een uitstel van 2 dagen om een hypothecaire akte op te laten stellen. [appellant] heeft erkend dat Amstellanden de gevraagde borgsom van NLG 200.000,- niet binnen de bepaalde tijd heeft overgemaakt.
Het hof merkt daarnaast op dat [appellant] in de pleitnota van zijn raadsvrouw bij het hof Amsterdam, randnummer 10, heeft erkend dat [betrokkene 1] de fax van 12 juni 2001, waarin de gestelde afspraken zijn vermeld, heeft ontvangen. [betrokkene 1] zou vervolgens telefonisch tegen [de Curator] hebben gezegd dat de voorwaarden in de fax niet op die manier waren afgesproken, en dat de curator ook wel wist dat de termijn van drie dagen om NLG 200.000,- liquide te maken niet haalbaar was. Het hof stelt vast dat ook hieruit moet worden geconcludeerd dat [de Curator] het bod van Amstellanden heeft geaccepteerd, zij het dat [betrokkene 1] kennelijk bezwaar had tegen de weergave van de afspraken in de fax. De stellingen van [appellant] dat er op 11 juni 2001 geen afspraken zijn gemaakt tussen [de Curator] en [betrokkene 1], dat [betrokkene 1] niet op de hoogte was van het feit dat de veiling was uitgesteld, en dat [betrokkene 1] niet op de hoogte was van de nieuwe veilingdatum 25 juni 2001 worden daarmee als onvoldoende gemotiveerd en onderbouwd gepasseerd. Het hof merkt tot slot op dat gelet op de onder 8 vermelde fax van [betrokkene 1] aan [de Curator] van 11 juni 2001, waarin [betrokkene 1] aangeeft dat hij drie werkdagen nodig heeft om de NLG 200.000,- contant te maken, zonder nadere toelichting – die ontbreekt – niet valt in te zien waarom de hiervoor in de fax van 12 juni 2001 vermelde termijn tot vrijdag 15 juni 2001 te kort zou zijn.
Het hof gaat er daarom als onvoldoende gemotiveerd betwist van uit dat [betrokkene 1] op de hoogte was van het feit dat de veiling van de panden was uitgesteld in afwachting van de overeengekomen storting door [betrokkene 1] van de door hem toegezegde waarborgsom van NLG 200.000,-. Deze storting bleef uit.

12.

Het verwijt van [appellant] dat [de Curator] voor de veiling van 25 juni 2001 niet alle geïnteresseerden heeft uitgenodigd, wordt eveneens verworpen. Vast staat dat [de Curator] diverse personen waarvan hij vermoedde dat ze mogelijk serieus interesse zouden hebben in de aankoop van de panden schriftelijk op de hoogte heeft laten stellen van de veiling. Vast staat eveneens dat de veiling in het openbaar gepubliceerd is. Dit komt overeen met hetgeen [de Curator] heeft geschreven in het derde faillissementsverslag van 29 juni 2001, waarin is vermeld dat hij op 15 juni 2001 aan [X] van[B] heeft verzocht om alle partijen die de panden hadden bezichtigd voor de veiling van 11 juni 2001 alsmede eerdere bieders en/of geïnteresseerden, schriftelijk en eventueel ook nog telefonisch te berichten dat op maandag 25 juni 2001 opnieuw een veiling zou plaatsvinden. Aan de panden zijn tevens nieuwe veilingbiljetten bevestigd. Vast staat dat [betrokkene 1] (Amstellanden) middels de fax van 12 juni 2001 van de uitgestelde veilingdatum op de hoogte was, nog daargelaten dat het aanbod van [betrokkene 1] niet de aankoop van de panden had betroffen maar de herfinanciering van de schulden. Het hof is van oordeel dat van enig onzorgvuldig of onjuist handelen van de curator op dit punt niet is gebleken, en dat bovendien, ook al zouden bij het aanschrijven van de geïnteresseerden één of meer personen over het hoofd zijn gezien, dit onvoldoende is voor de conclusie dat [de Curator] hiervan persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt. Voor dit laatste is nodig, zoals de Hoge Raad formuleert, dat [de Curator] gehandeld heeft terwijl hij het onjuiste van zijn handelen inzag dan wel behoorde in te zien. Dit is niet gesteld of gebleken.

13.

[de Curator] kan naar het oordeel van het hof redelijkerwijs evenmin worden verweten dat hij voor de veiling van 25 juni 2001 geen bodemprijs heeft ingesteld, noch dat hij na de veiling de koop niet heeft geannuleerd en geen contact heeft opgenomen met de eerdere bieders om te onderzoeken of zij hun oorspronkelijke (hogere) bod alsnog gestand wilden doen. Er lag op dat moment immers geen concreet en redelijk bod, voorzien van zekerheidstelling, waar [de Curator] op kon terugvallen. [de Curator] heeft er op gewezen dat het instellen van een bodemprijs tot gevolg zou kunnen hebben gehad dat de panden niet waren verkocht, en dat een derde veiling nodig zou zijn geweest, hetgeen de opbrengst niet ten goede was gekomen. Zijn keuze om geen bodemprijs in te stellen was ook naar het oordeel van het hof een verdedigbare keuze. Dat [de Curator] na de veiling niet alsnog contact heeft opgenomen met eerdere bieders kan hem evenmin worden verweten. Vast staat dat [de Curator] slechts een uur de tijd had om het eindbod van de veiling al dan niet te accepteren. Dat hij in dit uur kans zou zien om alsnog van een eerdere bieder een beter bod te verkrijgen, maar (anders dan het eerdere bod) nu wel concreet en met de benodigde zekerheidstelling, acht het hof onaannemelijk en hoefde [de Curator] redelijkerwijs niet te verwachten. [appellant] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat de kans op een beter bod wel degelijk reëel was, en dat [de Curator] dit wist of behoorde te weten.

Inventaris

14.

De grieven 6 en 7 hebben betrekking op de inventaris. [appellant] verwijt [de Curator] onder meer dat hij de wijnvoorraad voor een te laag bedrag heeft verkocht. Volgens [appellant] is de inventarisatielijst van de wijnen, die door een deurwaarder is opgemaakt, incompleet en onzorgvuldig, en had [de Curator] dit moeten zien.
Ook dit verwijt wordt verworpen. Vast staat dat [de Curator] de wijnvoorraad door een deurwaarder heeft laten inventariseren, en vervolgens deze inventarisatielijst door een wijndeskundige ([de wijntaxateur], voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Wijnhandelaren en beëdigd wijntaxateur) heeft laten taxeren. Dit is op zich een zorgvuldige werkwijze. Naar het oordeel van het hof kan [de Curator] niet worden verweten dat hij bij de verkoop van de wijn is afgegaan op de inventarisatielijst en de taxatie van de wijn. [appellant] heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat [de Curator] wist, althans behoorde te weten, dat de inventarisatielijst onvolledig en/of onzorgvuldig was. De enkele mededeling dat er volgens [appellant] een aantal belangrijke wijnen niet op voorkwamen, en dat van een aantal wijnen slechts 1 fles vermeld is, is hiervoor onvoldoende. Voorts staat vast dat de taxateur van de wijnvoorraad nog enige concrete vragen heeft gesteld naar aanleiding van de inventarisatielijst, die ook zijn beantwoord, maar gesteld noch gebleken is dat de taxateur heeft opgemerkt dat de inventarisatielijst onjuist of incompleet moest zijn. Niet in te zien valt waarom, nu de taxateur dit niet heeft opgemerkt, [de Curator] dit wel had moeten opmerken. Dat de wijnvoorraad vóór de faillietverklaring op de balans van restaurant[…] stond voor een bedrag van circa € 60.000,- maakt dit niet anders, nu deze balanswaarde niets zegt over de feitelijke wijnvoorraad ten tijde van de inventarisatie noch over de liquidatiewaarde. Voor zover [de Curator] zich overigens al bewust was van het feit dat ten tijde van de inventarisatie niet alle wijnen meer aanwezig waren, brengt dit nog niet mee dat hij de wijnen die nog wel aanwezig waren voor een te laag bedrag heeft verkocht. Het hof wijst daarbij op het bedrag waarop de wijn door [de wijntaxateur] is getaxeerd (NLG 10.000,- voor de onderhandse verkoopwaarde en NLG 6.666,-- voor de executiewaarde, zie prod. 10 bij conclusie van antwoord) en op het bod van NLG 3000,- dat [appellant] destijds zelf op de wijn heeft gedaan (productie 9 bij antwoordmemorie na verwijzing tevens akte houdende overlegging producties). Het zeer lage bod van [appellant] zelf op de wijnvoorraad kan naar het oordeel van het hof evenmin steun bieden aan de stelling dat [de Curator] had moeten weten dat de wijn voor een veel te laag bedrag werd verkocht, ook als het hof daarbij betrekt dat hierbij mogelijk een rol heeft gespeeld dat [appellant] op dat moment weinig geld had.

15.

Wat betreft de inventaris heeft [appellant] er verder nog op gewezen dat er ook nog een kostbare vleugel was en een aantal zilveren koffiekannen die ontbreken op de inventarislijst. Hierover overweegt het hof het volgende.
[de Curator] heeft ontkend dat hij zilveren koffiekannen heeft gezien in het pand. Ook op de inventarislijst van de deurwaarder zijn ze niet vermeld. [de Curator] heeft ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep desgevraagd toegelicht dat hij – in tegenstelling tot zijn eerdere stellingen – geen foto’s van de inventaris heeft gemaakt. Weliswaar nam hij altijd een fototoestel mee ingeval van een faillissement, maar dat deed hij met name om de gefailleerde de indruk te geven dat alles was vastgelegd. Hij maakte niet daadwerkelijk foto’s, maar liet de inventaris zo spoedig mogelijk opnemen door een deurwaarder in een proces-verbaal. Dat [de Curator] wist dat er zilveren koffiekannen waren, die hadden moeten leiden tot een hogere prijs voor de inventaris, is niet gebleken. Van een persoonlijke verwijtbaarheid op dit punt is daarom geen sprake.

16.

Wat betreft de in het pand aanwezige vleugel houdt het hof [de Curator] aan zijn erkenning eerder in de procedure dat hij de vleugel in het pand heeft gezien. Aan zijn verklaring bij het pleidooi na verwijzing dat hij geen vleugel heeft gezien maar slechts een “kroegpiano” gaat het hof voorbij. [de Curator] heeft echter wel steeds verklaard dat de vleugel naar zijn inschatting niet veel waard was, en dat hij daarom had besloten om deze niet apart te laten taxeren maar samen met de rest van de inventaris te verkopen. Het hof stelt vast dat [de Curator] hierbij mogelijk een inschattingsfout heeft gemaakt, maar dat er geen feiten of omstandigheden zijn gesteld of gebleken waaruit moet worden geconcludeerd dat hij wist of behoorde te weten dat de vleugel (veel) meer waard was dan hij dacht en akkoord ging met een verkoopopbrengst terwijl hij het onjuiste van dit handelen inzag of had moeten inzien. [appellant] heeft hem op de vermeende waarde van de vleugel, anders dan hij bij de wijnvoorraad heeft gedaan, ook niet expliciet gewezen. Derhalve kan niet worden geconcludeerd dat [de Curator] op dit punt persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt.

17.

Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat [de Curator] wat betreft de verkoop van de inventaris onjuist heeft gehandeld, laat staan dat hij zich daarvan bewust zou zijn geweest of behoren te zijn geweest. De grieven 6 en 7 worden daarmee verworpen.

18.

Uit het bovenstaande volgt dat de grieven falen. Dit brengt mee dat het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 mei 2008 bekrachtigd zal worden. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in het hoger beroep.

19.

Het bewijsaanbod van [appellant] wordt gepasseerd, nu geen gespecificeerd bewijs is aangeboden van concrete feiten en omstandigheden die, indien bewezen, leiden tot een ander oordeel.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Amsterdam van 21 mei 2008;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [de Curator] tot op heden begroot op € 303,- aan griffierecht en € 2.682,- aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.T. van der Hoeven-Oud, M.M. Olthof en E.D.G. Kiersch, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 november 2013 in aanwezigheid van de griffier.