Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4246

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-11-2013
Datum publicatie
11-11-2013
Zaaknummer
22-005756-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich meermalen schuldig gemaakt aan verduistering. Zij was niet eerder onherroepelijk veroordeeld. Het hof veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 150 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005756-12

Parketnummer: 11-215386-11

Datum uitspraak: 8 november 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Dordrecht van 7 mei 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek

op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van

13 juni 2013 en 25 oktober 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder

1

en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden. Voorts is

in eerste aanleg beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen, telkens met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, een en ander als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

zij in of omstreeks de periode van 12 juli 2010 tot en met 1 april 2011 te Molenaarsgraaf, gemeente Graafstroom, althans in Nederland opzettelijk geld (tot een totaalbedrag van ongeveer 1950 Euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan

[benadeelde partij 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking van/als eigenaresse van [bedrijfsnaam], in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.


zij op een of meer tijdstippen in/of omstreeks de periode van 11 november 2010 tot en met 1 april 2011 te Molenaarsgraaf, gemeente Graafstroom, althans in Nederland opzettelijk geld (tot een totaalbedrag van ongeveer 12.500 euro), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele toebehoorde(n) aan [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk(e) goed(eren) verdachte uit hoofde van haar persoonlijke dienstbetrekking van/als eigenaresse van [bedrijfsnaam], in elk geval anders dan door misdrijf onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.


zij in de periode van 12 juli 2010 tot en met 1 april 2011 te Molenaarsgraaf, gemeente Graafstroom, opzettelijk geld (tot een totaalbedrag van 1950 Euro), toebehoorde aan [benadeelde partij 1], en welk geld verdachte anders dan door misdrijf, te weten als eigenaresse van [bedrijfsnaam], onder zich had wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

2.


zij in de periode van 11 november 2010 tot en met 1 april 2011 te Molenaarsgraaf, gemeente Graafstroom opzettelijk geld dat toebehoorde aan [benadeelde partij 2], en welk geld verdachte anders dan door misdrijf, te weten als eigenaresse van [bedrijfsnaam], onder zich had wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 en 2 bewezen verklaarde levert op:

verduistering, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Het hof heeft in het bijzonder betekenis toegekend aan het gegeven dat de verdachte bij haar handelen ernstig misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] in haar hebben gesteld.

Voorts heeft het hof acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.

11 oktober 2013, waaruit blijkt dat de verdachte, uitgaande van de bewezen verklaarde perioden, niet eerder onherroepelijk was veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur in combinatie met een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde tot een bedrag van € 1.950,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

In hoger beroep is deze vordering integraal gehandhaafd.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij in de vordering.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen, waarbij zal worden bepaald dat de wettelijke rente is verschuldigd vanaf 11 november 2010, zijnde de datum waarop het hierna bij de bespreking van de vordering van [benadeelde partij 2] te noemen bedrag ad. € 12.500,-- op de zakelijke rekening van de verdachte is gestort.

Het vorenstaande brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

[naam benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 1.950,--, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

11 november 2010, aansprakelijk is voor de schade die door het onder 1 bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag met rente aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [naam benadeelde partij 1].

Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde tot een bedrag van in totaal € 16.185,47, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

In hoger beroep is deze vordering integraal gehandhaafd.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, groot € 11.500,--, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte deels betwist.

De benadeelde partij heeft vergoeding gevorderd ten aanzien van de navolgende posten:

a. ter beschikking gesteld geld € 12.500,--

b. 2 maanden huur plus incasso € 2.029,21

c. extra kosten [naam 1] € 301,88

d. extra kosten [naam 2] € 626,82

e. extra kosten [naam 3] € 727,56

Waar het de onder a. genoemde post betreft, staat op zich genoegzaam vast dat [benadeelde partij 2] aan de verdachte een bedrag van € 12.500,-- heeft overgemaakt, bestemd voor het betalen van zijn openstaande rekeningen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bedrag van € 1.950,--, dat de verdachte op de rekening van [benadeelde partij 1] had dienen te storten, in het bedrag van € 12.500,-- is begrepen. Nu de [benadeelde partij 1] degene is die in zoverre, vanwege het uitblijven van bedoelde storting, schade heeft geleden en zijn daarop betrekking hebbende vordering, zoals hiervoor overwogen, zal worden toegewezen, dient de vordering van de [benadeelde partij 2] tot een bedrag van € 1.950,-- te worden afgewezen.

Voorts wordt ten aanzien van de onder a. genoemde post overwogen dat uit de door de raadsman in hoger beroep overgelegde stukken blijkt dat er op 1 april 2011 een “deelbetaling” van € 1.000,-- ten laste van de verdachte en ten gunste van de [benadeelde partij 2] heeft plaatsgevonden. De verdachte heeft gesteld dat een gedeelte van het door de benadeelde partij gevorderde bedrag van € 12.500,-- door haar reeds is terugbetaald. Of de genoemde “deelbetaling” daarmee verband houdt, is op grond van de stukken en het onderzoek ter terechtzitting vooralsnog niet vast te stellen. De beoordeling van het karakter van deze betaling en de relevantie daarvan voor de hoogte van de door de verdachte aan de benadeelde partij te betalen schadevergoeding levert naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op. Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij in dat deel van de vordering niet-ontvankelijk is en de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Van de onder a. genoemde post kan derhalve een bedrag van (€ 12.500,-- minus € 1.950,-- minus € 1.000,--) =

€ 9.550,-- worden aangemerkt als rechtstreekse schade ten gevolge van het onder 2 bewezen verklaarde.

Datzelfde geldt ten aanzien van de onder c., d. en e. vermelde posten, aangezien de benadeelde partij genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat hij bedoelde extra kosten tot een totaalbedrag van € 1.656,26 heeft moeten maken doordat de verdachte de schulden van de benadeelde partij aan [naam 1], [naam 2] en [naam 3] niet heeft voldaan, terwijl het bedrag van € 12.500,-- haar mede daarvoor door de benadeelde partij ter beschikking was gesteld.

De benadeelde partij zal tenslotte ten aanzien van de onder b. genoemde post van € 2.029,21 in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard, aangezien de opsteller van de tenlastelegging naar het oordeel van het hof niet het oog heeft gehad op de periodiek door de [benadeelde partij 2] aan de verdachte overgemaakte – en mitsdien niet in het bedrag ad. € 12.500,-- begrepen – bedragen ten behoeve van zijn verhuurder. Derhalve valt deze post niet aan te merken als rechtstreekse schade ten gevolge van het onder 2 bewezen verklaarde.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van in totaal € 11.206,26, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 november 2010.

Nu de benadeelde partij grotendeels in het gelijk is gesteld, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [naam benadeelde partij 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 11.206,26, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf

11 november 2010, aansprakelijk is voor de schade die door het onder 2 bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag met rente aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [naam benadeelde partij 2].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63 en 321 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 150 (honderdvijftig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 75 (vijfenzeventig) dagen hechtenis.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van

€ 1.950,-- (duizend negenhonderdvijftig euro) ter zake van materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 11 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag met rente tegen een behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 1], een bedrag te betalen van € 1.950,-- (duizend negenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 11 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 29 (negenentwintig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot een bedrag van

€ 11.206,26 (elfduizend tweehonderdzes euro en zesentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 11 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij te betalen.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2] tot een bedrag van € 1.950,-- (duizend negenhonderdvijftig euro) aan materiële schade af.

Verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2] in de vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van

€ 1.000,-- niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Verklaart de benadeelde partij [naam benadeelde partij 2] in de vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van

€ 2.029,21 niet-ontvankelijk.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [naam benadeelde partij 2], een bedrag te betalen van € 11.206,26 (elfduizend tweehonderdzes euro en zesentwintig cent) als vergoeding voor materiële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 11 november 2010 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 91 (eenennegentig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. A.J.M. Kaptein,

mr. L.A.J.M. van Dijk en mr. A. Kuijer,

in bijzijn van de griffier mr. S.S. Mangal.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 november 2013.