Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4241

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-11-2013
Datum publicatie
11-11-2013
Zaaknummer
22-004636-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loods zeetanker strafrechtelijk verantwoordelijkheid gehouden voor schade aan afgemeerde binnenvaarttanker, aangezien hij degene was die tijdelijk zelfstandig koers en snelheid van het schip bepaalde. Daarbij heeft hij niet de vereiste voorzichtigheid betracht, hetgeen tot schade heeft geleid. Oplegging van een boete van € 1.250, als normmarkerende sanctie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-004636-12

Parketnummer: 10-077991-11

Datum uitspraak: 11 november 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Rotterdam van 20 september 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van
28 oktober 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van € 500,-, subsidiair tien dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 februari 2010 in de gemeente Rotterdam, althans in Nederland, aan boord van een (zee)schip, genaamd: ‘Nesa’ tezamen en in vereniging

met de schipper van dat (zee)schip, en/of althans

met een lid van de bemanning van dat (zee)schip die tijdelijk zelfstandig de koers en de snelheid van dat schip bepaalde, althans als een ander persoon die zich aan boord van dat (zee)schip bevond en die tijdelijk zelfstandig de koers en de snelheid van het schip bepaalde, daarmee varend op de voor het openbaar scheepvaartverkeer openstaand binnenwater de 7e Petroleumhaven, althans en in elk geval de Rotterdamse waterweg, - terwijl uitdrukkelijke voorschriften in het Binnenvaartpolitiereglement ontbraken – niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die volgens goede zeemanschap of door de omstandigheden waarin dit schip zich bevond waren geboden teneinde met name te voorkomen dat het leven van een persoon/personen in gevaar werd gebracht en/of schade werd veroorzaakt aan (een) ander(e) schip/schepen en/of aan (een) drijvend(e) voorwerp(en) en/of aan (een) oever(s) of aan (een) werk(en) en inrichting(en) die zich in de vaarweg of op de oever(s) daarvan bevond(en) hebbende hij en/of zijn mededader(s) met dat (zee)schip een zodanige golfslag en/of waterverplaatsing veroorzaakt dat een motorvrachtschip, genaamd ‘Friendship’ dat achter dat (zee)schip aan een steiger gemeerd lag en werd beladen met stookolie van de steiger werd geduwd/getrokken/gezogen/gespoeld, waardoor een of meer van de (stalen) trossen waarmee dat schip was afgemeerd brak(en) en geheel of gedeeltelijk in een van de boegschroeven van de Friendship terecht is gekomen;

en/of waardoor zich een of meer zich op het dek van die Friendship bevindende personen moesten vluchten om zichzelf in veiligheid te brengen.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Overwegingen

Feiten

De Nesa is een tanker met een scheepslengte van 332 meter en een breedte van 58 meter. Op 24 februari 2010 naderde dit zeeschip steiger T1, westzijde, van Vopak in de 7e petroleumhaven te Rotterdam om aldaar af te meren. Aan de zuidkant van steiger T1 lag – pal achter en haaks op de vaarrichting van de Nesa – het motortankschip Friendship afgemeerd. Aan boord van de Nesa bevonden zich – voor zover van belang – de kapitein, de stuurman, de roerganger en de verdachte. Op aanwijzen van de loods
– de verdachte – voer de tanker achterwaarts in zuidelijke richting naar voornoemde steiger. Koers en snelheid werden hierbij door de verdachte bepaald en doorgegeven aan de kapitein. Op zijn beurt gaf de kapitein de hem door de verdachte gegeven aanwijzingen door aan de stuurman en de roerganger. De Nesa voer achteruit voorbij het punt waar zij diende af te meren en naderde de Friendship hierbij tot – uiteindelijk - een afstand van ongeveer 72 meter. De Friendship werd op dat moment met een hoeveelheid van ongeveer één miljoen liter stookolie per uur geladen. Om de achterwaartse beweging te stoppen, heeft de loods de kapitein gezegd halve kracht vooruit te geven. Hierna heeft de scheepsschroef van de Nesa gedurende 44 seconden halve kracht vooruit gedraaid. Dit veroorzaakte waterbewegingen in het kielzog van de Nesa. Deze waterbewegingen hadden zodanige kracht dat de Friendship van de steiger werd geduwd en twee stalen trossen waarmee zij was afgemeerd, braken.

De verdediging heeft bij wijze van primair verweer betoogd, dat onder de gegeven omstandigheden de loods
– de verdachte – niet kan worden aangemerkt als degene die verantwoordelijk is voor de naleving van het Binnenvaartpolitiereglement (BPR).

Juridisch kader

Ingevolge artikel 1.04 BPR dient de schipper van een schip alle voorzorgsmaatregelen te nemen die volgens goed zeemanschap of door de omstandigheden waarin het schip zich bevindt geboden zijn, onder meer om te voorkomen dat schade wordt veroorzaakt aan andere schepen.

Op grond van artikel 1.03, derde lid, BPR is iedere persoon die zich aan boord bevindt en die tijdelijk zelfstandig de koers en de snelheid van een schip bepaalt, evenzo verantwoordelijk voor de naleving van het BPR. In de Nota van Toelichting (Stb. 1995, 437) is over dit derde lid opgemerkt dat het begrip ‘schipper’ een feitelijk karakter heeft en dat ieder die zelfstandig de koers en snelheid van het schip bepaalt, feitelijk schipper is en verantwoordelijk voor de naleving van het BPR.

Het hof overweegt met betrekking tot het primaire verweer als volgt.

Aan de hand van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting stelt het hof vast dat het de verdachte was die bepaalde hoe de Nesa ten opzichte van de steiger T1 werd gemanoeuvreerd, die bepaalde met welke snelheid dit gebeurde en die aanwijzingen gaf aan de door hem ingeschakelde sleepbootkapiteins. De kapitein heeft de verdachte tijdens het manoeuvreren geen aanwijzingen gegeven. Reeds op grond hiervan dient de verdachte te worden aangemerkt als een zich aan boord bevindende persoon die tijdelijk zelfstandig de koers en de snelheid van de Nesa bepaalde, als bedoeld in artikel 1.03, derde lid BPR. Niets in de toelichting op die bepaling duidt erop dat de wetgever de loods van deze strafrechtelijke verantwoordelijkheid heeft willen uitsluiten. De verdachte kan gezien het vorenstaande verantwoordelijk worden gehouden voor de naleving van het BPR.

Hetgeen omtrent de verhouding kapitein-loods is bepaald in de Loodsenwet, is in het licht van het vorenstaande voor de beoordeling van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid in de onderhavige zaak niet relevant, omdat voor strafrechtelijke aansprakelijkheid niet de formele gezagsverhouding aan boord, maar slechts de feitelijke situatie bepalend is.

Naar ’s hofs oordeel miskent de verdediging met haar stelling dat de verdachte (slechts) als adviseur van de kapitein optrad ten enen male de feitelijke verhoudingen bij de uitvoering van de onderhavige manoeuvre, mede gelet op de specifieke deskundigheid ten aanzien van de feitelijke situatie ter plaatse die de (wettelijk verplicht gestelde) loods in dezen geacht mag worden te hebben.

Beoordeling feitelijk handelen

De verdediging heeft subsidiair betoogd dat de verdachte in de gegeven omstandigheden in overeenstemming met de van hem gevergde zorg heeft gehandeld.

Het hof overweegt als volgt.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij ruim tevoren had gezien dat de Friendship in het verlengde van de vaarrichting van de Nesa afgemeerd lag. Hij heeft voorts erkend dat in verband met de aanwezigheid van binnenvaarttankers die vaak zijn afgemeerd bij steiger T1, voorzichtigheid geboden is om zoveel als mogelijk te voorkomen dat een hinderlijke waterbeweging voor die schepen ontstaat. In zijn loodsverklaring heeft de verdachte hierover geschreven dat als de tanker vooruit slaat er direct schroefwater tegen de binnenvaarder komt, maar ook indirect doordat het schroefwater eerst tegen het talud “knalt” en vervolgens weer tegen het binnenvaartschip. Ondanks voornoemde wetenschap heeft de verdachte de vereiste voorzichtigheid niet betracht, door met de Nesa met – gegeven de omstandigheden – een te hoge snelheid achterwaarts te varen, de snelheid niet tijdig te verminderen, – mede als gevolg daarvan – het schip te ver door te laten varen om vervolgens halve kracht vooruit te slaan.

Aldus handelend heeft de verdachte niet alle voorzorgsmaatregelen genomen die door de omstandigheden waarin het schip zich bevond waren geboden om te voorkomen dat schade aan een ander schip werd veroorzaakt.

Hetgeen de verdediging heeft betoogd met betrekking tot het ontbreken van causaal verband tussen de veroorzaakte waterbeweging en het breken van de stalen trossen vindt weerlegging in de bewijsmiddelen en behoeft om die reden geen verdere bespreking.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 24 februari 2010 in de gemeente Rotterdam aan boord van een zeeschip, genaamd: ‘Nesa’ als een ander persoon die zich aan boord van dat zeeschip bevond en die tijdelijk zelfstandig de koers en de snelheid van het schip bepaalde, daarmee varend op de voor het openbaar scheepvaartverkeer openstaand binnenwater de 7e Petroleumhaven - terwijl uitdrukkelijke voorschriften in het Binnenvaartpolitiereglement ontbraken – niet alle voorzorgsmaatregelen heeft genomen die door de omstandigheden waarin dit schip zich bevond waren geboden teneinde met name te voorkomen dat schade werd veroorzaakt aan een ander schip daarvan bevonden hebbende hij met dat zeeschip een zodanige waterverplaatsing veroorzaakt dat een motorvrachtschip, genaamd ‘Friendship’ dat achter dat zeeschip aan een steiger gemeerd lag en werd beladen met stookolie van de steiger werd geduwd/getrokken/gezogen/gespoeld, waardoor stalen trossen waarmee dat schip was afgemeerd braken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 1.03, derde lid en 1.04 aanhef en onder b van het Binnenvaartpolitiereglement, strafbaar gesteld bij artikel 31, vierde lid van de Scheepvaartverkeerswet.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 251,-, subsidiair vijf dagen hechtenis. Subsidiair heeft de advocaat-generaal gevorderd dat artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht zal worden toegepast.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte is, zoals hierboven is overwogen, bij het achterwaarts manoeuvreren van een zeeschip in de 7e Petroleumhaven naar de aanlegsteiger tekort geschoten in het treffen van maatregelen om schade aan een ander schip te voorkomen. Als gevolg van zijn gedragingen, in dit geval door nalaten, is schade aan trossen van een afgemeerde binnenvaarttanker ontstaan. Het hof is van oordeel dat juist de verdachte als loods een bijzondere verantwoordelijkheid draagt voor de zorgvuldige uitvoering van dergelijke manoeuvres.

Daarenboven heeft het hof moeten vaststellen dat de verdachte elke verantwoordelijkheid voor het gebeurde afwijst, zich erop beroepend dat hij als loods slechts een adviesrol jegens de kapitein heeft. Bovendien beproeft hij de ‘schuld’ voor het ongeval vooral bij derden te leggen, die in zijn ogen niet (volkomen) juist hebben gehandeld. Het hof acht deze opstelling in strijd met de taak en verantwoordelijkheden die de verdachte als loods heeft. Het is om die reden dat het hof een normmarkerende sanctie aangewezen acht. Gelet op het voorgaande ziet het hof aanleiding af te wijken van de vordering van de advocaat-generaal.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt.

Bij de vaststelling van de geldboete heeft het hof, voor zover mogelijk, rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht, artikel 31 van de Scheepvaartverkeerswet en de artikelen 1.03 en 1.04 van het Binnenvaartpolitiereglement, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 1.250,- (duizend tweehonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 22 (tweeëntwintig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door mr. G.P.A. Aler, mr. M.P.J.G. Göbbels en mr. M.M. van der Nat, in bijzijn van de griffier mr. C.J.A. Sabatier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 november 2013.

mr. M.P.J.G. Göbbels is buiten staat dit arrest te ondertekenen.