Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4239

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-11-2013
Datum publicatie
11-11-2013
Zaaknummer
22-000964-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Agressie tijdens en na voetbalwedstrijd; zodanig geweld dat sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer. Verwerping van het beroep op (putatief) noodweer(exces). Oplegging van een gevangenisstraf van 18 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000964-13

Parketnummer: 09-901009-11

Datum uitspraak: 11 november 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 22 februari 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van
28 oktober 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, onder de bijzondere voorwaarden van verplicht reclasseringscontact en deelname aan de gedragsinterventie agressieregulatietraining. Voorts is een beslissing gegeven omtrent de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van een schadevergoedingsmaatregel, een en ander als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 05 november 2011 te
's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon
[aangever] van het leven te beroven, opzettelijk (met kracht) tegen het hoofd van die [aangever] heeft getrapt en/of geschopt, terwijl die [aangever]n op de grond lag, en/of (met kracht) meermalen, althans éénmaal in/tegen het gezicht en/of hoofd heeft geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:
hij op of omstreeks 05 november 2011 te
's-Gravenhage aan een persoon genaamd [aangever], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel ((een gebroken kaak)), heeft toegebracht, door deze opzettelijk (met kracht) tegen het hoofd te trappen en/of te schoppen en/of (met kracht) meermalen, althans éénmaal in/tegen het gezicht en/of hoofd te slaan en/of te stompen;

meer subsidiair:
hij op of omstreeks 05 november 2011 te
's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd
[aangever], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet (met kracht) tegen het hoofd van die [aangever] heeft getrapt en/of geschopt en/of (met kracht) meermalen, althans éénmaal die [aangever] in/tegen het gezicht en/of hoofd heeft geslagen en/of gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meest subsidiair:
hij op of omstreeks 05 november 2011 te
's-Gravenhage opzettelijk een persoon (te weten
[aangever]), (met kracht) tegen het hoofd heeft getrapt en/of geschopt en/of (met kracht) meermalen, althans éénmaal in/tegen het gezicht en/of hoofd heeft geslagen en/of gestompt, tengevolge waarvan deze zwaar lichamelijk letsel (een gebroken kaak), althans enig lichamelijk letsel, heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman aangevoerd dat het gedrag van de verdachte niet te kwalificeren is als een poging doodslag, nu het voorwaardelijk opzet op de dood van [aangever] bij de verdachte ontbrak, overeenkomstig de door hem overgelegde pleitnota.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

Op grond van de verklaringen van de verdachte ten overstaan van de politie en ter terechtzitting in hoger beroep, alsmede de verklaringen van getuigen, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de aangever twee stompen met de vuist tegen het hoofd en, toen deze op de grond lag, een schop met zijn voet tegen het hoofd heeft gegeven, een en ander zoals hierna onder “Bewezenverklaring” is weergegeven.

De vraag die in deze zaak beantwoord dient te worden is, of de verdachte door te handelen als hiervoor beschreven, willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de aangever zou komen te overlijden. Het dossier bevat geen informatie over deze kans. Het is evenwel een algemene ervaringsregel dat door dergelijk stompen gevolgd door het met een geschoeide voet met kracht schoppen tegen het hoofd, de kans dat de getroffene ten gevolge van dat toegepaste geweld komt te overlijden, aanmerkelijk is. In het hoofd bevinden zich immers zeer kwetsbare en vitale organen – de hersenen – die bij het daarop uitoefenen van hard geweld zwaar beschadigd kunnen raken. Dat de verdachte hard geschopt heeft, ontleent het hof aan de verklaring van de getuige [getuige 1], die tegenover de politie heeft verklaard dat het eruit zag dat de verdachte de schop tegen het hoofd gaf met alle kracht die hij in zijn lichaam had, en aan de verklaring van de getuige [getuige 2], die ten overstaan van de rechter-commissaris heeft verklaard dat de verdachte met zijn voetbalschoen uithaalde naar het hoofd van de aangever alsof de bal daar lag.

Omdat sprake is van een algemene ervaringsregel, moet de verdachte geacht worden daarvan op de hoogte te zijn geweest. Uit het handelen van de verdachte leidt het hof af dat hij deze aanmerkelijke kans ook bewust heeft aanvaard. Omstandigheden die zulks anders zouden maken zijn gesteld, noch aannemelijk geworden.

De verdediging heeft gesteld dat pas van een aanmerkelijke kans sprake is, als de kans op overlijden groter is dan 50%. Deze stelling vindt echter geen steun in het recht noch is zij anderszins deugdelijk onderbouwd.

Op grond van het vorenstaande acht het hof bewezen dat de verdachte de hiervoor benoemde aanmerkelijke kans op de dood van de aangever, willens en wetens heeft aanvaard. Het hof verwerpt het verweer.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 05 november 2011 te 's-Gravenhage ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een persoon
[aangever] van het leven te beroven, opzettelijk met kracht tegen het hoofd van die [aangever] heeft geschopt, terwijl die [aangever] op de grond lag, enmet kracht meermalen tegen het hoofd van die [aangever] heeft gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

Poging tot doodslag.

Strafbaarheid van het feit en van de verdachte

De raadsman heeft aangevoerd dat de verdachte heeft gehandeld uit (putatief) noodweer(exces), zodat de verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, een en ander als vermeld in de door hem overgelegde pleitnota.

Het hof overweegt hieromtrent het volgende.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij en [aangever] na een overtreding en een daaropvolgend handgemeen tijdens de voetbalwedstrijd van het veld waren gestuurd. Enkele minuten later was de wedstrijd afgelopen en liep [aangever] over het veld in de richting van de kleedkamer. Daarmee liep hij ook in de richting van de verdachte, die binnen het hek in één van de hoeken van het speelveld had postgevat. De verdachte heeft desgevraagd verklaard dat toen [aangever] op hem kwam aflopen, er geen expliciete dreiging van [aangever] uitging. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij niet wilde afwachten, een stap vooruit heeft gedaan en [aangever] tweemaal tegen het hoofd heeft gestompt. Vervolgens ‘ging bij hem het licht uit’.

Het hof acht op grond van de verklaring van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep niet aannemelijk geworden dat ten tijde van de confrontatie na afloop van de wedstrijd sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding, noch van onmiddellijk dreigend gevaar voor zodanige aanranding. Het beroep op noodweer wordt verworpen; het feit is strafbaar.

Evenmin acht het hof aannemelijk dat de verdachte abusievelijk in de veronderstelling leefde zich te moeten verdedigen. Het hof heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep hier meermalen naar gevraagd; de verdachte heeft bij herhaling verklaard dat er geen wederrechtelijke aanranding plaatsvond en dat hij ook niet heeft verondersteld dat die plaatsvond. Het beroep op putatief noodweer wordt verworpen.

Nu niet aannemelijk is dat sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijk aanranding en evenmin aannemelijk is dat de verdachte zulks abusievelijk heeft verondersteld, komt de verdachte reeds om die reden geen geslaagd beroep op (putatief) noodweer toe. Ook het beroep op (putatief) noodweerexces wordt reeds daarom verworpen.

Ook overigens is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van
36 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan twaalf maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag door na afloop van een voetbalwedstrijd een tegenstander met zijn vuist twee maal tegen het hoofd te stompen en hem vervolgens, terwijl deze bewegingsloos op de grond lag, met grote kracht een schop tegen zijn hoofd te geven.

Als gevolg van het handelen van de verdachte heeft het slachtoffer pijn ondervonden en zwaar lichamelijk letsel opgelopen, te weten een gecompliceerde kaakbreuk. Daardoor heeft hij enkele weken alleen vloeibaar voedsel kunnen eten; tevens heeft hij tweemaal een operatie moeten ondergaan. Het slachtoffer ondervindt nog steeds hinder van de kaakbreuk, omdat hij geen gevoel in een deel van zijn onderlip heeft; daarnaast is een tand ernstig beschadigd.

Met deze handelwijze heeft de verdachte op ernstige wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en diens leven in gevaar gebracht. De omstandigheid dat dit feit is gepleegd in de openbare ruimte, te weten op het voetbalveld, moet een schokkende ervaring zijn geweest voor de directe omstanders, onder wie de familie van het slachtoffer. Een dergelijk feit brengt daarnaast gevoelens van angst en onveiligheid teweeg in de samenleving.

Het hof heeft kennis genomen van het reclasseringsrapport d.d. 3 januari 2012 betreffende de verdachte. Daaruit blijkt dat de verdachte ten tijde van het feit zijn zelfbeheersing heeft verloren en impulsief heeft gehandeld en voorts dat hij de neiging heeft de verantwoordelijkheid voor het feit af te schuiven op het slachtoffer. Geadviseerd wordt aan de verdachte een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, onder de bijzondere voorwaarden van een meldingsgebod en deelname aan een gedragsinterventie, te weten agressieregulatietraining.

Het hof heeft acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d.
14 oktober 2013, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van vergelijkbare strafbare feiten.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft het hof voorts het volgende in aanmerking genomen.
De aanleiding van het bewezen verklaarde was een gangbare overtreding tijdens een voetbalwedstrijd. De verdachte heeft daarop aanvankelijk fatsoenlijk gereageerd, door zich te verontschuldigen jegens het slachtoffer. Het slachtoffer heeft vervolgens op onbehoorlijke wijze gereageerd door de verdachte uit te schelden en hem te slaan. Het hof zal bij het bepalen van de hoogte van de straf het gedrag van het slachtoffer op dat moment meewegen.

Gelet op het voorgaande ziet het hof aanleiding af te wijken van de vordering van de advocaat-generaal.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat uit oogpunt van generale en speciale preventie een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur met een proeftijd van twee jaren, onder de bijzondere voorwaarde van verplicht reclasseringscontact, een passende en geboden reactie vormt. Het hof ziet geen aanleiding voor het opleggen van een agressie-regulatietraining als geadviseerd door de reclassering.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [aangever] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte primair ten laste gelegde, tot een bedrag van
€ 11.176,99, bestaande uit € 176,99 materiële schade en
€ 11.000,- immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat tot een bedrag van € 176,99 materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg van het primair bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 november 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er immateriële schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het primair bewezen verklaarde. De vordering leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot een bedrag van
€ 3.000,-, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 november 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Voor het overige levert behandeling van de vordering van de benadeelde partij naar het oordeel van het hof een onevenredige belasting van het strafgeding op.

Het hof zal dan ook bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is in de vordering tot vergoeding van de geleden schade. Deze kan in zoverre bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van
€ 3.176,99 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer
[aangever], te vermeerderen met de wettelijke rente.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 45, 63 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 (achttien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

6 (zes) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt of ten behoeve van vaststelling identiteit geen medewerking heeft verleend aan het nemen van vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 Wet op de identificatieplicht ter inzage heeft aangeboden of geen medewerking heeft verleend aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen, dan wel de hierna te noemen bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd.

Stelt als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich houdt aan de aanwijzingen die de Stichting reclassering Nederland hem geeft.

Geeft eerstgenoemde instelling opdracht de verdachte bij de naleving van de opgelegde voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.176,99 (drieduizend honderdzesenzeventig euro en negenennegentig cent) bestaande uit € 176,99 (honderdzesenzeventig euro en negenennegentig cent) materiële schade en € 3.000,- (drieduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 november 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 november 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [aangever], een bedrag te betalen van € 3.176,99 (drieduizend honderdzesenzeventig euro en negenennegentig cent) bestaande uit € 176,99 (honderdzesenzeventig euro en negenennegentig cent) materiële schade en € 3.000,-(drieduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 41 (eenenveertig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 november 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de immateriële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 5 november 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. G.P.A. Aler, mr. M.P.J.G. Göbbels en mr. M.M. van der Nat, in bijzijn van de griffier mr. C.J.A. Sabatier.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 november 2013.

mr. M.P.J.G. Göbbels is buiten staat dit arrest te ondertekenen.