Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4223

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-11-2013
Datum publicatie
13-01-2014
Zaaknummer
BK 12-00497
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:2696, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overdrachtsbelasting. In geschil is of terecht overdrachtsbelasting is nageheven ter zake van de ondergrond van het erf en de schuur/silo.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/85
RN 2014/33
FutD 2014-0132
NTFR 2014/2424 met annotatie van Mr. P.W. Hofman
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-12/00497

Uitspraak van 8 november 2013

in het geding tussen:

[X] B.V., statutair gevestigd te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst Haaglanden (kantoor [P]), de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 3 mei 2012, nummer AWB 11/9725, betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag en beschikking.

Naheffingsaanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd van € 14.745. Bij beschikking is heffingsrente van € 602 berekend.

1.2. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag verlaagd naar € 2.920 en de heffingsrente met inachtneming daarvan naar € 119.

1.3. Tegen de uitspraken van de Inspecteur heeft belanghebbende beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 302 is geheven.

1.4. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 115 is geheven.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 11 oktober 2013, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen.

Vaststaande feiten

In hoger beroep is op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Bij akte van 15 oktober 2008 heeft belanghebbende een perceel tuinland met glasopstanden, groot 17.410 m², verkregen (kadastraal bekend gemeente [Q], sectie [..], nummers [...], [...], [...] en [...]). De prijs is € 1.500.000. Daarvan heeft € 1.100.000 betrekking op tuinbouwgrond. Daarvoor is een beroep gedaan op de cultuurgrondvrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel q, van de Wet op belastingen van rechtsverkeer 1970 (WBR). Over het restant, dat betrekking heeft op opstallen en installaties, heeft belanghebbende € 24.000 aan overdrachtsbelasting op aangifte voldaan.

3.2. Het geding betreft 810 m²van het perceel, dat bestaat uit een stuk erf van 270 m² dat als verharde parkeerplaats in gebruik is en uit grond van 540 m² voor een silo/schuur, een en ander corresponderend met een bedrag aan overdrachtsbelasting van € 2.920.

Oordeel van de rechtbank

4.

De rechtbank heeft overwogen:

"(…)

2.

In zijn brief van 30 mei 2011 heeft [de Inspecteur] het standpunt ingenomen dat ter zake van de tuinbouwgrond waarvoor een beroep wordt gedaan op de (…) vrijstelling het erf, de zandvlakte en de ondergrond van de schuur en de waterbassins niet delen in de vrijstelling. Op 28 juni 2011 heeft [de Inspecteur] de naheffingsaanslag opgelegd.

3.

Bij uitspraak op bezwaar van 14 november 2011 heeft [de Inspecteur] de naheffingsaanslag verminderd tot € 2.920 en de heffingsrente tot € 119. Daarbij heeft [de Inspecteur] de verharde parkeerplaats en de ondergrond van de schuur in de heffing betrokken.

4.

In geschil is de naheffingsaanslag. Meer specifiek is in geschil of de vrijstelling van toepassing is op de ondergrond van de schuur en de waterbassins en op de verharde parkeerplaats.

(…)

6.

Volgens de artikelgewijze toelichting bij artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel q [van de WBR] wordt onder cultuurgrond naast grond die bestemd is voor veeteelt, akker-, weide-, tuin- en bosbouw en dergelijke mede begrepen de ondergrond van glasopstanden. Deze ondergrond hoeft niet zelf als kweek- of teeltmiddel te worden gebruikt. De cultuurgrond moet duurzaam en bedrijfsmatig ten behoeve van de landbouw worden geëxploiteerd. Het begrip landbouw dient in dit kader ruim te worden geïnterpreteerd en omvat mede veeteelt, akker-, weide-, tuin-, en bosbouw en dergelijke.(TK 2005-2006, 30.572, nr. 9, blz. 17).

7.

De verharde parkeerplaats is niet bestemd voor één van de hiervoor vermelde doeleinden. Derhalve vormt de parkeerplaats geen cultuurgrond en is de vrijstelling daarop niet van toepassing.

8.

Hetzelfde heeft te gelden voor de ondergrond van de schuur en de waterbassins. In HR 25 juni 1997 (nr. 29.598, LJN: AA2204, BNB 1997/284) is geoordeeld dat voor de toepassing van de vrijstelling opstallen en hun ondergrond als één onroerende zaak dienen te worden beschouwd. Derhalve wordt niet afzonderlijk beoordeeld of de ondergrond als cultuurgrond is aan te merken. Nu de schuur en de waterbassins niet kunnen worden aangemerkt als cultuurgrond in de onder 6. bedoelde zin, kan de vrijstelling daarop niet van toepassing zijn.

9.

Anders dan [belanghebbende] kennelijk meent, kan, gelet op het voorgaande, aan de vrijstelling niet eenzelfde toepassing worden gegeven als aan de landbouwvrijstelling van artikel 3.12 Wet IB 2001. Voorts kan aan het feit dat tijdens de parlementaire behandeling van de vrijstelling door de minister van Financiën is verklaard dat de belasting niet alsnog verschuldigd wordt indien na de verkrijging op de cultuurgrond agrarische bedrijfsopstallen worden gebouwd (zie MvA Kamerstukken I 2006-2007 30.572, p. 40), niet het in rechte te beschermen vertrouwen worden ontleend dat de cultuurgrondvrijstelling eveneens geldt voor ondergronden van bedrijfsopstallen. Ook het beroep van [belanghebbende] op het gelijkheidsbeginsel faalt omdat geen sprake is van gelijke gevallen. De toezegging van de minister van Financiën had betrekking op de toepassing van de tienjaarstermijn. Bij de verkrijging was in die zaak sprake van cultuurgrond, de bedrijfsopstallen zijn later gebouwd. Dat is niet gelijk te stellen aan bedrijfsopstallen die reeds bij de verkrijging bestonden.

[10.] Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.

[11.] De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling."

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1. In hoger beroep is enkel in geschil of terecht overdrachtsbelasting is nageheven ter zake van de ondergrond van het erf en de schuur/silo. Belanghebbende beantwoordt de vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend. Partijen zijn het eens dat, zo het Hof in het voordeel van belanghebbende beslist, de naheffingsaanslag moet worden vernietigd.

5.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Beoordeling van het hoger beroep

6.1. Het Hof is van oordeel dat ook de nog in geschil zijnde elementen, te weten de ondergrond van het erf en die van de schuur/silo, in de cultuurgrondvrijstelling delen.

6.2. Daartoe overweegt het Hof dat de passage uit de wetsgeschiedenis (Kamerstukken II, 2005/06, 30 572, nr. 9, blz. 17 en 18), zoals die ook is weergegeven in het verweerschrift in hoger beroep (bladzijde 4) en als hier ingelast en herhaald moet worden beschouwd, niet anders kan worden uitgelegd dan dat de wetgever heeft bedoeld ook die elementen ingevolge artikel 15, eerste lid, aanhef en onderdeel q, van de WBR vrij te stellen.

6.3. Van belang acht het Hof dat, naar de wetgever in die passage betoogt, met de wijziging van de vrijstelling door de wetgever geen inhoudelijke verandering is beoogd, dat de cultuurgrond duurzaam en bedrijfsmatig ten behoeve van de landbouw wordt geëxploiteerd en dat de eis dat de grond bedrijfsmatig ten behoeve van de landbouw wordt geëxploiteerd er juist toe strekt de verkrijging voor privédoeleinden en de bedrijfsmatige verkrijging ten behoeve van niet-landbouwdoeleinden uit te sluiten van de vrijstelling. In dit geval staat wat dat aangaat vast dat de elementen van de grond alle bedrijfsmatig ten behoeve van de landbouw in hier bedoelde zin worden geëxploiteerd en dat dus geen sprake is van een verkrijging voor privédoeleinden of voor andere dan landbouwdoeleinden. De opvatting van de Inspecteur, die onherroepelijk leidt tot het willekeurig knippen in percelen die objectief bezien dienstbaar zijn aan de exploitatie van de landbouw in hier bedoelde zin, verwerpt het Hof bovendien als voor de praktijk niet werkbaar.

6.4. Dat voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep gegrond is. Bijgevolg moet worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierechten

7.1. Het Hof ziet reden de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten. De kosten stelt het Hof vast op in totaal € 3.537 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in bezwaar: 2 punten à € 235 x 1,5 en in beroep en hoger beroep: 4 punten à € 472 x 1,5. Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

7.2. De in beroep en hoger beroep betaalde griffierechten van € 302 en € 115 dient de Inspecteur aan belanghebbende te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

- vernietigt de uitspraken van de Inspecteur;

- vernietigt de naheffingsaanslag en de beschikking heffingsrente;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van de belanghebbende, vastgesteld op € 3.537; en

- gelast dat de Inspecteur de griffierechten van in totaal € 417 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.A.P. Nieuwenhuizen, in tegenwoordigheid van de griffier E. Kalač. De beslissing is op 8 november 2013 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.