Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4222

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-11-2013
Datum publicatie
13-01-2014
Zaaknummer
BK 12-00864
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:22148, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM. In geschil is of voor de hoogte van de BPM de vermelding van energie-efficiëntieklasse E in het kentekenregister beslissend is, dat wil zeggen dat moet worden voorbijgegaan aan het gegeven dat feitelijk energie-efficiëntieklasse D geldt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2014/84
V-N 2014/9.18 met annotatie van Redactie
FutD 2014-0160
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-12/00864

Uitspraak van 8 november 2013

in het geding tussen:

[X] B.V., statutair gevestigd te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst Utrecht-Gooi (kantoor [P]), de Inspecteur,

op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 11 oktober 2012, nummer AWB 12/4502, betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag.

Naheffingsaanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) van € 532 opgelegd.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag verlaagd naar € 177.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank. Een griffierecht van € 310 is geheven.

1.4. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de naheffingsaanslag vernietigd, de BPM vastgesteld op € 1.872, de Inspecteur gelast aan belanghebbende € 135  te vermeerderen met de wettelijke rente  terug te geven, de Inspecteur veroordeeld belanghebbende de door haar in beroep gemaakte proceskosten ten bedrage van € 874 te betalen en de Inspecteur opgedragen belanghebbende het griffierecht van € 310 te vergoeden.

Geding in hoger beroep

2.1. De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof.

2.2. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 27 september 2013, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil dan wel door de ene partij gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Ter zake van het opnemen in het kentekenregister van een personenauto, een Suzuki type Swift 1.6 Sport, heeft belanghebbende aangifte voor de BPM gedaan van € 2.007, berekend op basis van artikel 8, zesde lid, van de Uitvoeringsregeling belasting van personenauto’s en motorrijwielen 1992, uitgaande van energielabel D.

3.2. De Inspecteur heeft de BPM berekend op € 2.539, uitgaande van energielabel G. Nageheven is € 532.

3.3. Bij de uitspraak op bezwaar is de BPM vastgesteld op € 2.184, uitgaande van energielabel E. De naheffingsaanslag is verlaagd naar € 177.

Oordeel van de rechtbank

4.

De rechtbank heeft overwogen:

"(…)

5. [

Belanghebbende] heeft aangevoerd dat de auto op grond van artikel 8 van het Besluit etikettering energieverbruik personenauto’s van 3 november 2000, Stb. 2000, 475, (hierna: het Besluit) behoort tot energieclassificatie D. [Belanghebbende] heeft voorts erop gewezen dat gezien het arrest van de Hoge Raad van 2 maart 2012, nr. 11/00785, LJN BV7393, de in het onderhavige geval gehanteerde afschrijvingstabel onverbindend is. Het thans te hanteren afschrijvingspercentage bedraagt 58,664.

(…)

6. [

De Inspecteur] stelt zich op het standpunt dat hij dient uit te gaan van het door de Rijksdienst voor het wegverkeer, thans de Dienst Wegverkeer, vastgestelde energielabel E. Nu voorts gezien voornoemd arrest van de Hoge Raad het afschrijvingspercentage van 55,667 niet langer kan worden gehandhaafd, dient de verschuldigde BPM - uitgaande van het thans te hanteren afschrijvingspercentage van 58,664 - nader te worden vastgesteld op € 2.037.

(…)

Beoordeling van het geschil

8.

Gezien de gedingstukken en het verhandelde ter zitting is niet in geschil dat voor de auto een CO2-uitstoot van 171 gr/km geldt en zijn partijen daarnaast eenstemmig van mening dat thans van een afschrijvingspercentage van 58,664 dient te worden uitgegaan. [Belanghebbende] heeft voorts ter zitting haar standpunt dat [de Inspecteur] in het onderhavige geval een dwangsom heeft verbeurd ingetrokken. In geschil is derhalve uitsluitend nog welk energielabel voor de auto heeft te gelden.

9. [

Belanghebbende] heeft aangevoerd dat ingevolge de berekening van bijlage 4 bij het Besluit voor de auto het energielabel D geldt. Het brandstofverbruiksboekje van de auto vermeldt weliswaar het energielabel E, maar in het boekje is een CO2-uitstoot van 175 gr/km aangegeven, terwijl voor de auto een CO2-uitstoot van 171 gr/km geldt. Een berekening conform genoemde bijlage 4 met een uitstoot van 175 gr/km levert inderdaad het energielabel E op. Conclusie dient derhalve te zijn dat voor de auto het energielabel D geldt. Nu tegen een technische beoordeling van een voertuig ingevolge het bepaalde in artikel 8:4, aanhef en onder f, van de Awb geen beroep mogelijk is en [belanghebbende] derhalve alleen in onderhavige procedure tegen de vaststelling van het energielabel kan opkomen, had [de Inspecteur] bij de heroverweging in de bezwaarfase dienen na te gaan of het energielabel juist was bepaald.

10. [

De Inspecteur] heeft zich op het standpunt gesteld dat niet hij, maar de Dienst Wegverkeer het energielabel vaststelt en dat [belanghebbende], indien zij het met die vaststelling niet eens is, daartegen een bezwaarschrift bij de Dienst Wegverkeer kan indienen. [De Inspecteur] rest niet anders dan het door de Dienst Wegverkeer vastgestelde energielabel te volgen.

11.

Artikel 2 van het Besluit luidt als volgt:

'1. De leverancier draagt ervoor zorg dat de handelaren, aan wie hij nieuwe personenauto's levert, beschikken over de voor het desbetreffende kalenderjaar geldende energie-etiketten voor deze personenauto's, die voldoen aan de eisen van bijlage 1 bij dit besluit.

2.

De leverancier draagt ervoor zorg dat de handelaren, aan wie hij nieuwe personenauto's levert, met het oog op de naleving van artikel 6, eerste lid, onder b, beschikken over voldoende voor het desbetreffende kalenderjaar geldende brandstofverbruiksgidsen.

3.

De leverancier draagt ervoor zorg dat de handelaren, aan wie hij nieuwe personenauto's levert, beschikken over een poster of een display met informatie omtrent het energiegebruik van alle nieuwe personenauto's van de leverancier die door de handelaar zijn uitgestald of te koop of ter leasing worden aangeboden, welke voldoet aan de eisen van bijlage 2 bij dit besluit.

4.

De leverancier stelt de energie-etiketten en posters of displays tegen ten hoogste de kostprijs ter beschikking. De leverancier stelt de brandstofverbruiksgidsen kosteloos ter beschikking.'

12.

In bijlage 1 bij het Besluit is onder meer het volgende vermeld:

'Het energie-etiket, bedoeld in artikel 2, eerste lid, voldoet aan de volgende vereisten.

(…)

Ten aanzien van de op het etiket te vermelden informatie geldt het volgende.

I. Handelsmerk of logo van de fabrikant.

II. Aanduiding van het model, met inachtneming van het bepaalde in artikel 7 van het besluit.

III. Brandstofsoort.

IV. Officieel brandstofverbruik, uitgedrukt in liters per 100 km, tot één decimaal nauwkeurig voor benzine, LPG of diesel, of in m3 per 100 km voor aardgas.

V. Officieel brandstofverbruik, uitgedrukt in «1 liter op km», tot één decimaal nauwkeurig voor benzine, LPG of diesel, of «1 m3 op km» voor aardgas.

VI. De energie-efficiëntieklasse op basis van de relatieve energiezuinigheid, bepaald overeenkomstig bijlage 4. Deze klasse wordt vermeld op hetzelfde niveau als de van toepassing zijnde pijl.

VII. Officiële specifieke CO2-uitstoot, uitgedrukt in gram per kilometer, afgerond op het dichtstbijzijnde gehele cijfer.

VIII. Het kalenderjaar waarvoor het etiket geldt.

(…)'

13.

De rechtbank leidt uit artikel 2 van het Besluit juncto bijlage 1 bij het Besluit af dat het energielabel van een auto door de leverancier ervan wordt vastgesteld. De vaststelling van het energielabel door de leverancier kan, nu die leverancier geen bestuursorgaan is in de zin van de Awb, niet als een besluit in de zin van de Awb worden aangemerkt. Tegen de vaststelling van het energielabel door de leverancier is derhalve geen bezwaar en beroep mogelijk. Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat tegen de vaststelling van een energielabel moet worden opgekomen in een procedure als de onderhavige. Gelet hierop had [de Inspecteur] bij de betwisting door [belanghebbende] van het gehanteerde energielabel dienen te onderzoeken of bij de berekening van de verschuldigde BPM van een juist energielabel is uitgegaan, in het bijzonder of het in het brandstofverbruiksboekje vermelde energielabel E - kennelijk behorend bij een auto met een CO2-uitstoot van 175 gr/km - ook geldt ingeval de CO2-uitstoot, zoals in het onderhavig geval, 171 gr/km bedraagt. De rechtbank ziet in dit geval evenwel geen aanleiding de zaak naar [de Inspecteur] terug te wijzen en overweegt daartoe als volgt.

14. [

De Inspecteur] heeft zich bij de uitspraak op bezwaar gebaseerd op het brandstofverbruiksboekje waarin voor de auto een energielabel E wordt vermeld. Daarbij is echter als CO2-uitstoot 175 gr/km aangegeven, hetgeen voor de auto niet de juiste waarde is. [Belanghebbende] stelt dat het energielabel conform de op artikel 8 van het Besluit berustende berekening, uitgaande van een CO2-uitstoot van 171 gr/km, moet worden bepaald op D. De controleberekening, waarbij uitsluitend de CO2-uitstoot van 171 gr/km is gewijzigd in 175 gr/km, levert het energielabel E op. Van beide berekeningen, welke door [de Inspecteur] op zich niet zijn betwist en aan de juistheid waarvan de rechtbank ook overigens geen reden ziet te twijfelen, heeft [belanghebbende] een afschrift overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het voorgaande dat onderhavig brandstofverbruiksboekje niet op de auto ziet, althans niet als de CO2-uitstoot voor de auto heeft te gelden en derhalve aan de berekening van de verschuldigde BPM niet ten grondslag kan worden gelegd. In hetgeen [de Inspecteur] overigens heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen grond de berekening van het energielabel door [belanghebbende] niet te volgen.

15.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot het oordeel dat in het onderhavige geval voor de berekening van de verschuldigde BPM van een energielabel D dient te worden uitgegaan. Het beroep van [belanghebbende] is mitsdien ook om deze reden gegrond.

16.

De bruto BPM bedraagt derhalve niet € 4.928, maar € 4.528. Met een afschrijvingspercentage van 58,644 - met betrekking waartoe de rechtbank overweegt dat partijen zich op het standpunt hebben kunnen stellen dat daarvan dient te worden uitgegaan - bedraagt de verschuldigde BPM € 1.872. De naheffingsaanslag dient derhalve te worden vernietigd.

17.

Met betrekking tot de hieronder in het dictum vermelde restitutie aan [belanghebbende] merkt de rechtbank op dat daarbij ervan is uitgegaan dat tot op heden geen betaling van de naheffingsaanslag door [belanghebbende] heeft plaatsgevonden. Mocht dit anders zijn, zo dient de betaalde naheffing, vermeerderd met de daarover verschuldigde wettelijke rente, eveneens aan [belanghebbende] te worden terugbetaald.

Proceskosten

18.

De rechtbank vindt aanleiding [de Inspecteur] te veroordelen in de kosten die [belanghebbende] in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 874 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437 en een wegingsfactor 1). Anders dan [belanghebbende] meent maakt de omstandigheid dat zij een in haar opvatting moeilijke excelberekening heeft moeten maken niet dat de zwaarte van onderhavige zaak op meer dan gemiddeld moet worden vastgesteld.

(…)"

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1. Partijen houdt uitsluitend het antwoord op de vraag verdeeld of voor de hoogte van de BPM de vermelding van energie-efficiëntieklasse E in het kentekenregister beslissend is, dat wil zeggen dat moet worden voorbijgegaan aan het gegeven dat feitelijk energie-efficiëntieklasse D geldt, welke vraag de Inspecteur bevestigend en belanghebbende ontkennend beantwoordt.

5.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Beoordeling van het hoger beroep

6.1. Reeds vanwege het doel van de regeling in kwestie, die door middel van een tariefdifferentiatie de hoogte van de BPM mede laat afhangen van de mate van brandstofverbruik van de auto, is het Hof van oordeel dat de opvatting van de Inspecteur niet blijk geeft van een juiste rechtsopvatting. Het gelijk is aan de zijde van belanghebbende. Voor dat geval staat vast dat de uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.

6.2. Dat voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is. Bijgevolg moet worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierecht

7.1. Het Hof ziet reden de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten. De kosten stelt het Hof vast op € 1.416 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in hoger beroep: 2 punten à € 472 x 1,5, onder handhaving van de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling. Voor een hogere vergoeding van proceskosten acht het Hof geen termen aanwezig.

7.2. Nu de uitspraak van de rechtbank in stand blijft, wordt van de Inspecteur een griffierecht geheven van € 478.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank; en

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.416.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.A.P. Nieuwenhuizen, in tegenwoordigheid van de griffier E. Kalač. De beslissing is op 8 november 2013 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.