Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4073

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-04-2013
Datum publicatie
15-11-2013
Zaaknummer
BK-12/00024
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:7002, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2013/61.21.2
Belastingblad 2014/21

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-12/00024

Uitspraak van 22 april 2013

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Rotterdam, de Inspecteur,

op het hoger beroep van de belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 november 2011, nummer AWB 11/676 WOZ-T2, betreffende de hierna vermelde beschikking en aanslag.

Beschikking, aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Bij beschikking als bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken is de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als [a-straat 1] te [Z] (hierna: de woning), vastgesteld op € 875.000 per 1 januari 2008. De beschikking geldt voor het kalenderjaar 2009.

1.2. Aan belanghebbende is voor het jaar 2009, wegens het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woning, een aanslag in de onroerendezaakbelasting van de gemeente Rotterdam naar een heffingsmaatstaf van € 875.000 opgelegd.

1.3. Het biljet waaruit van de beschikking en de aanslag blijkt, is gedagtekend 16 juli 2010.

1.4. Bij brief van 27 augustus 2010 heeft belanghebbende bezwaar gemaakt tegen de beschikking en de aanslag.

1.5. Belanghebbende heeft bij brief van 7 februari 2011 beroep ingesteld tegen het niet-tijdig doen van uitspraak op bezwaar.

1.6. Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar, gedagtekend 22 maart 2011, heeft de Inspecteur belanghebbende niet-ontvankelijk verklaard in zijn bezwaar tegen de beschikking en de aanslag.

1.7. Tegen de uitspraak op bezwaar heeft belanghebbende op 8 juni 2011 beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 112. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 11 maart 2013, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Ter zitting is tevens behandeld het hoger beroep van belanghebbende in de zaak met kenmerk BK-12/00202. Voor zover in die zaak door partijen stukken zijn overgelegd, worden die stukken geacht ook in de onderhavige procedure te zijn overgelegd. Tevens wordt hetgeen door partijen in die zaak voor het overige is aangevoerd, aangemerkt als te zijn aangevoerd in de onderhavige zaak.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woning.

3.2. De beschikking/aanslag is gedagtekend 16 juli 2010.

3.3. Het bezwaarschrift is gedateerd 27 augustus 2010 en is per gewone post verzonden.

3.4. Het bezwaarschrift is als bij de Inspecteur ingekomen afgestempeld op 7 september 2010. In de ontvangstbevestiging (brief van 24 september 2010) van het bezwaarschrift is als datum van ontvangst eveneens 7 september 2010 vermeld.

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. In geschil is of de Inspecteur belanghebbende terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar.

4.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het poststempel op de enveloppe waarin het bezwaarschrift is verzonden in het algemeen een aanwijzing voor de datum van terpostbezorging is en dat het ontbreken van die enveloppe in dit geval het risico van de verzender is. Belanghebbende heeft hieraan toegevoegd dat de rechtbank heeft miskend dat de Inspecteur de enveloppe na ontvangst heeft weggegooid en dat belanghebbende op deze manier door opzet of onachtzaamheid aan de kant van de Inspecteur ernstig wordt benadeeld. Tegen deze achtergrond dient de stelling van belanghebbende dat hij het bezwaarschrift tijdig ter post heeft bezorgd als voldoende bewijs van dit laatste te worden beschouwd, aldus belanghebbende.

4.3. De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de blote stelling van belanghebbende dat het bezwaarschrift op tijd ter post is bezorgd onvoldoende is om belanghebbende ontvankelijk te achten in zijn bezwaar.

4.4. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop de standpunten steunen verwijst het Hof verder naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert tot ontvankelijkverklaring van het bezwaar.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

6.

De rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, omtrent het geschil het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

”(…)

Ten aanzien van de ontvankelijkheid in bezwaar

2.8

De termijn voor indiening van een bezwaarschrift bedraagt zes weken (artikel 6:7 van de Awb). Een bezwaarschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn door verweerder is ontvangen. Bij verzending per post is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen (artikel 6:9 van de Awb). De rechtbank heeft geen reden om aan te nemen dat de dag van dagtekening van het aanslagbiljet is gelegen vóór de dag van de bekendmaking daarvan. Gelet hierop is de termijn in dit geval aangevangen met ingang van de dag na die van dagtekening van het aanslagbiljet, te weten op 17 juli 2010 (artikel 6:8, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 22j, aanhef en onderdeeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). De termijn voor het indienen van bezwaar eindigde derhalve op 27 augustus 2010. Het bezwaarschrift van eiser, gedateerd 27 augustus 2010, is volgens het stempel van verweerder pas door hem ontvangen op 7 september 2010, derhalve na het verstrijken van de termijn.

2.9

Bij de beoordeling of het bezwaarschrift tijdig is ingediend, is in het algemeen het poststempel op de envelop waarin het bezwaarschrift is verzonden het enige vaststaande gegeven met betrekking tot de terpostbezorging. Bij een leesbaar poststempel moet daarom ervan worden uitgegaan dat terpostbezorging heeft plaatsgevonden op de dag waarop het poststuk door het postvervoerbedrijf is afgestempeld. Het is dan aan eiser om aannemelijk te maken dat hij het eerder ter post heeft bezorgd (HR 28 januari 2011, LJN: BP2138). In dit geval is het poststempel niet voorhanden, doordat verweerder niet meer over de envelop beschikt. Bij niet aangetekende verzending van een poststuk, zoals in dit geval, zijn de gevolgen van onduidelijkheid omtrent de verzenddatum voor rekening van de verzender. Het staat de verzender vrij alle hem ten dienst staande bewijsmiddelen aan te voeren die zijn stelling kunnen onderbouwen (Gerechtshof Arnhem 1 februari 2011, LJN: BP4029). Eisers blote stelling dat hij het bezwaarschrift vóór het verstrijken van de bezwaartermijn ter post heeft bezorgd, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om te kunnen concluderen dat het bezwaarschrift tijdig ter post is bezorgd.

2.10

Verweerder heeft dan ook terecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond.

2.11

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. Ingevolge artikel 22j, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vangt de termijn voor het instellen van bezwaar aan met ingang van de dag na die van dagtekening van het aanslagbiljet of de voor bezwaar vatbare beschikking, tenzij de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van de bekendmaking. Op grond van artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken. Ingevolge artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaarschrift tijdig ingediend, indien het vóór het einde van de termijn is ontvangen.

7.2. Het biljet van de beschikking en de aanslag is gedateerd 16 juli 2010. Het Hof heeft geen aanwijzing dat de dag van dagtekening gelegen is vóór de dag van bekendmaking. Dit betekent dat het bezwaarschrift ingevolge artikel 6:7 van de Awb in verbinding met artikel 6:9, eerste lid, van de Awb, tijdig is ingediend, indien het uiterlijk op 27 augustus 2010 is ontvangen. Gesteld noch gebleken is dat het bezwaarschrift uiterlijk op 27 augustus 2010 is ontvangen.

7.3. Ingevolge artikel 6:9, tweede lid, van de Awb is bij verzending per post een bezwaarschrift eveneens tijdig ingediend, indien het vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan één week na afloop van de termijn is ontvangen.

7.4. De termijn van één week na afloop van de bezwaartermijn eindigt in dit geval op 3 september 2010. Onder de gegeven omstandigheden is het vermoeden gerechtvaardigd dat het bezwaarschrift later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Belanghebbende heeft het tegendeel op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. De enkele stelling van belanghebbende dat het bezwaarschrift vóór het verstrijken van de bezwaartermijn ter post is bezorgd is daartoe onvoldoende en leidt overigens, zo al juist, niet tot ontvankelijkheid. De omstandigheid dat de enveloppe waarin het bezwaarschrift is verzonden niet bewaard is gebleven, maakt dit oordeel niet anders, nu bij verzending van een poststuk per gewone post, zoals in dit geval, de gevolgen van een gebrek in de verzending van dat stuk voor rekening en risico van de verzender komen. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat het bezwaarschrift niet tijdig is ingediend.

7.5. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar blijft ingevolge artikel 6:11 van de Awb achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Feiten of omstandigheden dienaangaande zijn gesteld noch gebleken.

7.6. Op grond van het vorenoverwogene faalt het hoger beroep. De uitspraak van de rechtbank dient te worden bevestigd.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, M.C.M. van Dijk en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier mr. H.S. Sterkenburg. De beslissing is op 22 april 2013 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.