Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4039

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
22-03-2013
Datum publicatie
13-11-2013
Zaaknummer
BK-11/00905
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

BPM. Boete. Het moet ervoor worden gehouden dat niet is voldaan aan het voor de naheffing relevante vereiste dat de auto feitelijk ter beschikking van belanghebbende heeft gestaan. Naheffingsaanslag ten onrechte opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2013/60.18 met annotatie van Redactie
V-N Vandaag 2013/2502
FutD 2013-2789
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-11/00905

Uitspraak van 22 maart 2013

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst Oost (Landelijk Coördinatiecentrum Auto), de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 26 oktober 2011, nummer AWB 11/320, betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag en beschikking.

Naheffingsaanslag, boetebeschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende zijn een naheffingsaanslag in de belasting van personenauto's en motorrijwielen (BPM) van € 10.010 en bij beschikking een boete van € 5.005 opgelegd.

1.2. Bij uitspraken op het tegen de naheffing en de boete gemaakte bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken van de Inspecteur beroep ingesteld bij de rechtbank. Een griffierecht van € 150 is geheven.

1.4. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 112 is geheven.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 15 februari 2013, gehouden te Den Haag. De Inspecteur is verschenen. Van de zijde van belanghebbende is niemand verschenen.

2.4. Voorafgaande aan de zitting heeft belanghebbendes gemachtigde telefonisch meegedeeld dat hij ziek is. Uitstel van de mondelinge behandeling is niet verzocht.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en op zich aannemelijk, het volgende komen vast te staan:

3.1. Bij een controle op 28 december 2009 heeft de Politie Rotterdam-Rijnmond belanghebbende op de openbare weg aangetroffen als bestuurder van een personenauto van het merk Porsche, type Cayenne, met het Russische kenteken [kenteken 1]. Belanghebbende heeft de Nederlandse nationaliteit en is op dat moment ook woonachtig in Nederland. Voor de auto is geen BPM betaald.

3.2. Naar aanleiding van die constateringen zijn de naheffingsaanslag en de boete opgelegd.

3.3. Het ter zake van de constateringen opgemaakte rapport vermeldt:

”(…)

Bestuurder: [X] [belanghebbende], [adres]

Toelichting bij zelfstandige aktie

Controleerden rapp's [...] genoemde voertuig Porsche Cayenne, vzv Russisch kenteken [kenteken 1]. Bestuurder stond geparkeerd aan de [a-straat] thv [b-straat]. Porsche stond daar met draaiende motor. Hierop voertuig staande en bestuurder gecontroleerd. Bleek te gaan om betrokkene [X] welke zat te bellen. Voertuig uitgebreid gecontroleerd (VIN/Chassis, persoon). Helaas vanwege drukte wdct [...] kon niet worden doorbevraagd. Op de vraag van rapp's, waarom [X] met een NL rijbewijs en NL nationaliteit in een Russisch gekentekende personenauto reed, antwoordde hij dat hij niet reed, maar stilstond, de auto van zijn vriendin was en deze momenteel thuis zat. Later gaf hij toch toe met de auto naar het winkelcentrum te zijn gereden. Rapp's hebben [X] te kennen gegeven dat het voertuig moet worden ingevoerd, wanneer hij er in NL mee rijdt (en/of zijn vriendin). [X] antwoordde hierop dat zijn vriendin slechts tijdelijk in NL verbleef en haar visa binnenkort zou aflopen. Na controle ktn/chassisnr. met ktn-bewijs [X] heen. Rapp's zagen enkele minuten later dat [X] enkele boodschappen in de AH-vestiging aan het [b-straat] had gehaald, vervolgens aan de bestuurderszijde van de genoemde Porsche instapte en wegreed. Rapp's zagen dat [X] de bestuurder van het voertuig was. Na controle BVH, bleek dat [X] op 3 maart 2005 door de politie staande was gehouden. [X] reed toen in een zwarte Audi, vzv Duits ktn [kenteken 2]. I.o.m. Douane heeft [X] toen een officiële waarschuwing gekregen, dat wanneer hij nogmaals rijdend in een buitenlands voertuig zou worden aangetroffen, er door de douane een vervolgactie zou volgen (red. naheffing BPM & sanctie). Hierop hebben rapp's contact opgenomen met dhr. [A] en mevr. [B] van de algemene mk Douane Heerlen. I.o.m. genoemde personen genoemde aandachtsvestiging opgemaakt en Douane zou de zaak verder overnemen. Gaarne aandacht voor [X] i.c.m. dure buitenlandse auto's. !!Bij aantreffen, uitgebreid controleren / bevragen, contact met algemene MK DOUANE opnemen onder tel. nummer (…) en muteren onder (…)!!

(…)”

Oordeel van de rechtbank

4.

De rechtbank heeft overwogen:

”(…)

8.

Niet in geschil is dat [belanghebbende] met het motorrijtuig op de openbare weg heeft gereden. Partijen houdt verdeeld of het motorrijtuig feitelijk ter beschikking stond van [belanghebbende]. De rechtbank overweegt als volgt. In de regel heeft degene die het motorrijtuig feitelijk gebruikt de beschikkingsmacht. [De Inspecteur] heeft zijn standpunt gebaseerd op de verklaring van de rapporteurs die op 28 december 2009 een mutatierapport hebben opgemaakt. [Belanghebbende] zat op het moment van aanhouden alleen in het motorrijtuig. Hij gaf in eerste instantie aan de agenten aan dat hij niet gereden had. Later in het gesprek gaf hij toe toch gereden te hebben. Vervolgens hebben de agenten [belanghebbende] in het motorrijtuig zien wegrijden. Naar het oordeel van de rechtbank is met het afleggen van aanvullende en deels tegenstrijdige verklaringen in de bezwaar- en beroepsfase niet aannemelijk gemaakt dat [belanghebbende] het motorrijtuig uitsluitend ten behoeve van [C] bestuurde, waardoor geen sprake zou zijn geweest van beschikkingsmacht. Ook de verklaring achteraf dat [belanghebbende] in eerste instantie onjuiste informatie zou hebben verstrekt omdat hij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst komt de rechtbank niet geloofwaardig voor. Nu [belanghebbende] de feitelijke beschikking over het motorrijtuig had, is voldaan aan de vereisten voor een belastbaar feit als bedoeld in artikel 1, zesde lid, van de Wet. Voor het vaststellen van het belastbare feit is niet van belang of het motorrijtuig incidenteel of structureel door [belanghebbende] gebruikt werd.

9.

In het besluit van 12 september 2006, nr. CPP 2006/1980M, heeft de staatssecretaris van Financiën een herstelbeleid geformuleerd op grond waarvan niet onmiddellijk een naheffingsaanslag BPM zal worden opgelegd. Nu echter aan [belanghebbende] reeds op 3 maart 2005 een informatieformulier buitenlandse kentekens is uitgereikt en [belanghebbende] heeft verklaard bekend te zijn met de BPM, faalt een beroep op dit herstelbeleid.

10.

Met betrekking tot de aan [belanghebbende] opgelegde vergrijpboete overweegt de rechtbank als volgt. Vaststaat dat aan [belanghebbende] bij de controle op 3 maart 2005 een waarschuwingsformulier is uitgereikt en dat hij daarmee kon worden geacht op de hoogte te zijn van de desbetreffende regelgeving. Door als inwoner van Nederland nadien toch gebruik te maken van de openbare weg in Nederland met een niet in Nederland geregistreerde auto, zonder daarvan aangifte voor de BPM te doen, heeft [belanghebbende] de belasting die hij ter zake van het gebruik van de openbare weg verschuldigd is geworden, bewust niet betaald. Het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, brengt de rechtbank tot het oordeel dat het aan opzet van [belanghebbende] is te wijten dat de belasting, waarvan [belanghebbende] redelijkerwijs behoorde te weten dat hij die verschuldigd was geworden en tijdig op aangifte had moeten voldoen, niet heeft betaald. Ingevolge artikel 67f, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en paragraaf 25, derde lid van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst 1998, is aan [belanghebbende] daarom terecht een vergrijpboete van 50 procent opgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [belanghebbende] de financiële omstandigheden die zouden moeten leiden tot matiging van de boete onvoldoende aannemelijk gemaakt. Andere feiten en omstandigheden die aanleiding zouden kunnen geven de boete te matigen, zijn gesteld noch gebleken.

11.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

(…)”

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1. Partijen houdt het antwoord op de vraag verdeeld of de naheffingsaanslag en de boete terecht zijn opgelegd, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt.

5.2. Het Hof verwijst voor de standpunten van partijen en de gronden waarop de standpunten steunen naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

6.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de naheffingsaanslag en de boetebeschikking.

6.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. Uit de omtrent het gebruik van de auto voorhanden zijnde gegevens is weliswaar af te leiden dat belanghebbende kortstondig hier te lande met een niet-geregistreerde auto gebruik van de weg in de zin van de Wegenverkeerswet 1994 heeft gemaakt  mogelijk zelfs in het geheel niet voor eigen gebruik, doch uitsluitend voor vervoer ten behoeve van de eigenaar/houder van de auto  maar die gegevens bieden naar ’s Hofs oordeel onvoldoende aanwijzingen voor de conclusie dat belanghebbende de auto min of meer duurzaam tot zijn beschikking heeft gehad. Ter zitting heeft de Inspecteur, opmerkzaam gemaakt op het door hem te leveren bewijs, enkel gewezen op de, door het Hof voor de naheffing als onvoldoende beoordeelde, bevindingen uit het naar aanleiding van de op 28 december 2009 gedane constateringen opgemaakte rapport. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat niet is voldaan aan het voor de naheffing relevante vereiste dat de auto feitelijk ter beschikking van belanghebbende heeft gestaan. Overigens heeft de Inspecteur geen feiten en omstandigheden aangevoerd dan wel, tegenover de gemotiveerde betwisting door belanghebbende, aannemelijk gemaakt die de naheffing rechtvaardigen. De naheffingsaanslag is ten onrechte opgelegd.

7.2. Het gelijk is aan de zijde van belanghebbende. Zijn overige stellingen behoeven geen behandeling.

7.3. Dat voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep gegrond is. Bijgevolg moet worden beslist als hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierechten

8.1. Het Hof ziet reden de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Het Hof stelt de kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, vast op in totaal € 2.832 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand in beroep en hoger beroep: 4 punten à € 472 x 1,5 (gewicht). Voor een hogere vergoeding dan wel een andere vergoeding, waaronder een schadevergoeding, acht het Hof geen termen aanwezig.

8.2. De Inspecteur dient de voor de behandeling van de zaak in beroep en in hoger beroep betaalde griffierechten van € 150 en € 112 aan belanghebbende te vergoeden.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    vernietigt de uitspraken van de Inspecteur;

  • -

    vernietigt de naheffingsaanslag en de boetebeschikking;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.832; en

  • -

    gelast de Inspecteur de griffierechten van in totaal € 262 aan belanghebbende te vergoeden.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. S. Sterkenburg. De beslissing is op 22 maart 2013 in het openbaar uitgesproken.

De griffier was verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.