Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4028

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
31-10-2013
Datum publicatie
31-10-2013
Zaaknummer
22-001664-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft op 25 april 2011 met een geladen vuurwapen op het slachtoffer geschoten met als gevolg dat deze daaraan is overleden. Door aldus te handelen heeft de verdachte de dood veroorzaakt van een jonge man die midden in het leven stond. De verdachte heeft door zijn handelen de familie en vrienden van het slachtoffer onbeschrijflijk leed aangedaan. Tien jaar gevangenisstraf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-001664-12

Parketnummer: 09-757940-11

Datum uitspraak: 31 oktober 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 23 maart 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1945,

[adres],

thans gedetineerd in de Penitentaire Inrichting Midden Holland, locatie Huis van Bewaring

“De Geniepoort” te Alphen aan den Rijn.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van

5 september 2012, 12 september 2012, 29 mei 2013,

12 juni 2013, 19 september 2013, 1 oktober 2013 en

22 oktober 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder

1. impliciet primair (moord) en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de vordering van de benadeelde partij en is een schadevergoedingsmaatregel opgelegd als vermeld in het vonnis. Tevens is beslist omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen als vermeld in het vonnis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1:


hij op of omstreeks 25 april 2011 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een revolver, althans een vuurwapen, twee kogels op die Slachtoffer afgevuurd, waarvan één kogel die Slachtoffer heeft geraakt in de borst (met een schotkanaal door de spieren van de schouder en/of nek en/of door het tongbeen en/of door het spierweefsel van de tong),

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2:

hij op of omstreeks 25 april 2011 te 's-Gravenhage een wapen van categorie III, te weten een revolver, merk Röhm, model RG 24, kaliber .22 Lr en/of munitie van categorie III, te weten vier patronen, merk Winchester, kaliber .22 Long Rifle, voorhanden heeft gehad.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat op grond van de stukken uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad, zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de aan hem onder 1 impliciet primair ten laste gelegde moord.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair (doodslag) en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1:


hij op of omstreeks 25 april 2011 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte en/of (een of meer van) zijn mededader(s) met dat opzet en al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, met een revolver, althans een vuurwapen, twee kogels op die [slachtoffer] afgevuurd, waarvan één kogel die [slachtoffer] heeft geraakt in de borst (met een schotkanaal door de spieren van de schouder en/of nek en/of door het tongbeen en/of door het spierweefsel van de tong),

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

2:

hij op of omstreeks 25 april 2011 te 's-Gravenhage een wapen van categorie III, te weten een revolver, merk Röhm, model RG 24, kaliber .22 Lr en/of munitie van categorie III, te weten vier patronen, merk Winchester, kaliber .22 Long Rifle, voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijf-fouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring. Voor de vastgestelde feiten en de bewijsmiddelen waarop de feitenvaststelling gebaseerd is, verwijst het hof naar de paragrafen 18, 19 en 46 en de daarbij behorende voetnoten 1 t/m 30.

Nadere bewijsoverwegingen

1 De verdediging heeft de volgende verwerengevoerd:

A. Er is slechts sprake van doodslag en niet van moord, omdat voorbedachte raad niet bewezen kan worden.

B. De verdachte komt een beroep op noodweer dan wel putatief noodweer toe.

2. Het hof zal eerst vaststellen van welke feiten voor de beoordeling van de onderhavige zaak moet worden uitgegaan. Daarna zal het hof de gevoerde verweren, voor zover deze voor de beoordeling van de zaak relevant zijn, bespreken.

Voor de leesbaarheid en de begrijpelijkheid van het arrest en de door het hof getrokken conclusies zal het hof op onderdelen uitvoerig weergeven wat door de diverse van belang zijnde getuigen is verklaard. Deze getuigen zijn de inzittenden van de Audi [getuigen 1, 2 en 3], [buurtbewoners A, B, C en D], de [vrouw] en [vriendin], de vriendin van het [slachtoffer].

3. Het hof stelt vast dat de volgende feiten niet ter discussie staan.

In de avond en nacht van 24 op 25 april 2011 is [slachtoffer] met drie vrienden, zijn vriendin, en een vriendin van [vriendin] uit geweest in Amsterdam. Daarna zijn zij, na onderweg de vriendin van [vriendin] te hebben afgezet, naar de woning van [vriendin] aan het Stuyvesantplein 49 te Den Haag gereden. Dit betreft een portiekwoning. In een van de andere woningen aan hetzelfde portiek woont de [vrouw] van [vriendin], benadeelde partij. Daar aangekomen (op 25 april 2011 tegen 06.00 uur) zijn [slachtoffer] en [vriendin] uitgestapt, de drie vrienden van [slachtoffer] zijn in de auto gebleven: [getuige 1] als bestuurder, [getuige 2] als bijrijder en [getuige 3] als inzittende achter de bijrijder. Slachtoffer en [vriendin] zijn buiten vóór het portiek in een discussie of ruzie geraakt waarbij met stemverheffing is gesproken.

4. De verdediging en de advocaat-generaal verschillen van opvatting wat de discussie/ruzie precies heeft ingehouden en hoe de feitelijke situatie ter plaatse voor de woning is geweest. Vervolgens verschillen de verdediging en de advocaat-generaal van opvatting over wat zich daarna precies heeft afgespeeld toen benadeelde partij en de verdachte naar beneden en naar buiten waren gekomen, vervolgens door de verdachte op [slachtoffer] is geschoten en wat daarna is gebeurd.

Het hof beoordeelt een en ander als volgt.

De ruzie tussen [slachtoffer] en [vriendin].

5. [getuige 1] heeft verklaard dat [slachtoffer] en [vriendin] stonden te kletsen en dat er geen ruzie was. Benadeelde partij verscheen voor het raam en heeft voorwerpen naar beneden gegooid.

[getuige 2] heeft verklaard dat [slachtoffer] en [vriendin] stonden te praten. [vrouw] gooide iets door het open raam naar beneden in de richting van [slachtoffer]. [slachtoffer] gooide toen een steen tegen de muur onder het raam.

[getuige 3] heeft verklaard dat [slachtoffer] en [vriendin] een luide discussie hadden en dat [vrouw] vanuit het raam boven begon te schreeuwen en schelden en een voorwerp richting [slachtoffer] gooide. [Slachtoffer] heeft een stoeptegel stukgegooid en wilde een stuk ervan naar [vrouw] gooien, maar heeft dat uiteindelijk niet gedaan.

[getuige 3] heeft bij de rechtbank verklaard dat [slachtoffer] en [vriendin] ruzie hadden en dat [vrouw] toen een voorwerp uit het raam naar beneden heeft gegooid.

[buurtbewoner A] heeft eerst verklaard dat er ruzie was, daarna dat er rumoerig gepraat werd, dat er discussie was. Hij heeft gezien dat [slachtoffer] een steen heeft gegooid naar het raam op de 1e verdieping. [Slachtoffer] heeft ook iets naar [vriendin] in het portiek gegooid.

[buurtbewoner B] heeft verklaard over geruzie, gegil en gescheld, maar niet duidelijk is of hij het heeft over [slachtoffer] en [vriendin] of over de confrontatie die er daarna is geweest tussen [slachtoffer] en [vrouw].

[buurtbewoner C] heeft verklaard dat hij lawaai hoorde en dat [slachtoffer] verschrikkelijk aan het schreeuwen was. Hij heeft gezien dat [slachtoffer] 10 tot 15 keer een steen naar het bovenraam gooide en dat hij ook een steen naar [vriendin] heeft gegooid.

[vrouw] heeft verklaard dat er herrie was en dat [vriendin] klappen van [slachtoffer] kreeg, onder andere een klap in haar gezicht. Zij heeft voorts verklaard dat [slachtoffer] iets naar boven gooide en dat zij in reactie daarop iets heeft teruggegooid naar beneden. Bij de rechter-commissaris heeft zij verklaard dat [vriendin] klappen in haar gezicht heeft gekregen en dat [slachtoffer] heel agressief was. [Slachtoffer] zou stenen naar [vriendin] hebben gegooid.

[vriendin] heeft aanvankelijk verklaard dat zij en [slachtoffer] harder praatten dan normaal, dat dat kennelijk zo rumoerig ging dat [vrouw] daar wakker van is geworden. Bij de rechter-commissaris heeft zij eerst verklaard dat er luider gepraat is en dat er gediscussieerd is, dat er geen ruzie was, dat [slachtoffer] haar niet geslagen heeft en dat zij geen “au” heeft geroepen. [vrouw] heeft iets uit het raam gegooid en [slachtoffer] heeft een stoeptegel kapot gegooid. [Slachtoffer] heeft geen steen naar [vriendin] gegooid en ook niet naar de woning. Later heeft [vriendin] bij de rechter-commissaris verklaard (22-5-2013) dat er gediscussieerd is en dat dat uitliep op ruzie. [Slachtoffer] was niet agressief en heeft haar geen tik gegeven. Er is wel luidruchtig gescholden.

[vrouw] heeft iets uit het raam naar beneden gegooid en toen heeft [slachtoffer] een stoeptegel in de richting van [vriendin] gegooid en een stuk ervan naar het raam van [vrouw].

6. Conclusie. Uit hetgeen onder 5. is weergegeven leidt het hof af dat de verklaring van de verdachte dat er een hevige ruzie tussen [slachtoffer] en [vriendin] was waarbij [slachtoffer] [vriendin] klappen heeft gegeven slechts bevestiging vindt in de verklaring van [vrouw]. Gezien alle verklaringen en met name die van [vriendin] zelf gaat het hof ervan uit dat er niet meer heeft plaatsgevonden dan een luidruchtige discussie, mogelijk zelfs (uitlopend op een) ruzie, en dat [slachtoffer] gescholden heeft maar verder niet agressief is geweest en [vriendin] niet heeft geslagen.

[Slachtoffer] heeft wel met stenen gegooid in de richting van het raam van [vrouw] en vermoedelijk ook in de richting van [vriendin] (in het portiek is immers een stuk steen gevonden), maar dat was nadat [vrouw] vanuit het raam op de 1e etage een voorwerp in de richting van [slachtoffer] had gegooid. De verklaring van [vrouw] dat [slachtoffer] als eerste heeft gegooid, vindt geen bevestiging in de verklaringen van de andere getuigen.

De vraag of er naast [slachtoffer] nog meer mannen buiten de auto waren toen de verdachte uit het portiek gekomen was.

7. Geen van de inzittenden van de Audi heeft verklaard dat één of meerderen van hen de auto heeft verlaten tussen de discussie/ruzie tussen [slachtoffer] en [vriendin] en het moment dat geschoten is. Ook geen van de andere getuigen ([buurtbewoner A], [buurtbewoner C], [buurtbewoner B] en [buurtbewoner D]) heeft verklaard over de aanwezigheid op straat ter plaatse van anderen dan [slachtoffer], [vriendin], [vrouw] en de verdachte.

Ook [vrouw] heeft niet verklaard over andere mannen buiten de auto. [vriendin] heeft stellig verklaard dat de vrienden van [slachtoffer] de hele tijd in de auto zijn blijven zitten. Zij heeft niet verklaard over de aanwezigheid van andere mannen buiten de auto dan [slachtoffer].

8. Conclusie. Uit hetgeen onder 7. is weergegeven leidt het hof af dat het dossier geen enkele verklaring bevat die inhoudt dat een of meer van de vrienden van [slachtoffer] uit de Audi geweest is/zijn zolang deze op de straat vóór het portiek heeft gestaan. De enige aanwijzing dat een van de vrienden van [slachtoffer] wel buiten de auto zou zijn geweest is gelegen in de eerste verklaring van [getuige 3] waar deze heeft verklaard: “Ik zag dat [getuige 1] [slachtoffer] probeerde tegen te houden en ik hoorde hem zeggen: [slachtoffer] niet doen. [Slachtoffer] liet zich tegenhouden en heeft niet gegooid. [Getuige 1] zei tegen [slachtoffer] dat hij in de auto moest stappen zodat we weg konden.” Uit de omstandigheid dat verder niemand heeft verklaard dat een van de vrienden van [slachtoffer] de auto heeft verlaten en uit de omstandigheid dat [vriendin] juist heeft verklaard dat zij de hele tijd in de auto zijn blijven zitten leidt het hof af dat de door [getuige 3] gebruikte of genoteerde formulering “zag” onnauwkeurig is geweest en ten onrechte de indruk wekt dat [getuige 1] buiten de auto is geweest. Het hof concludeert dat op het bewuste moment slechts [slachtoffer], [vriendin], [vrouw] en de verdachte buiten waren in de nabijheid van het portiek en de Audi.

De situatie vanaf het moment dat de verdachte via de trap uit het portiek is gekomen.

9. [getuige 1], die op de bestuurdersplaats in de Audi zat, heeft in zijn eerste verklaring (25-4-2011) slechts kort over het gebeurde verklaard. Hij heeft verklaard dat

[vrouw] naar beneden kwam met een mes, naar [slachtoffer] liep en stekende bewegingen maakte in diens richting. Vervolgens is de verdachte naar beneden gekomen met zijn rechterhand in zijn zak. De verdachte liep in de richting van [vrouw] en [slachtoffer] en toen hoorde [getuige 1] 2 knallen. Op dat moment stond de verdachte voor [slachtoffer] op het Stuyvesantplein. [vrouw] stond naast de verdachte toen er geschoten werd.

[Slachtoffer] rende weg en viel op de grond. [getuige 1] is uit de auto gestapt en in de richting van [slachtoffer] gerend. Hij kon echter niet bij [slachtoffer] komen want de verdachte stond daar nog. [getuige 1] is teruggerend naar de auto en is gaan rijden. Toen zag hij politie. Ze zijn uitgestapt en hebben om hulp gevraagd. Toen kwam er meer politie en een ambulance. Hij mocht toen niet meer bij [slachtoffer] komen.

[getuige 1] heeft daarna uitvoeriger verklaard (27-4-2011). Hij heeft verklaard dat [vrouw] voor de auto langs liep en met het mes meerdere keren in de richting van [slachtoffer] stak. [Slachtoffer] liep naar achter en [vrouw] liep achter hem aan. Als [slachtoffer] niet naar achter zou lopen, zou hij door het mes geraakt worden. De afstand tussen [vrouw] en [slachtoffer] was ongeveer 1 meter. Toen [vrouw] en [slachtoffer] in de voor [getuige 1] “dode hoek” verdwenen, kwam de verdachte rustig de portiektrap aflopen. De verdachte stond stil schuin voor de auto. Toen liep hij langs de gevel van het huis weg achter de auto of een andere auto. [getuige 1] zag hem niet meer omdat hij in de “dode hoek” zat. Direct hierna hoorde hij 2 knallen. De schoten vielen binnen seconden nadat de verdachte beneden was gekomen.

[getuige 1] zag [slachtoffer] richting plein rennen en ter hoogte van een standbeeld neervallen. [getuige 1] is gaan rijden en gestopt ter hoogte van De Spar (het hof begrijpt: aan het Stuyvesantplein). [getuige 2] rende richting [slachtoffer]. [getuige 1] zag dat [vriendin] aan het huilen was. Hij hoorde van [vriendin] dat de verdachte [slachtoffer] koelbloedig had neergeschoten.

Tenslotte heeft [getuige 1] verklaard (rechter-commissaris 9-1-2012) dat [vrouw] met een mes in haar hand achter de auto langs liep en scheldend afliep op [slachtoffer] die al eerder achter de auto langs gelopen was en nu in de richting van het plein liep. Zij maakte daarbij steekbewegingen en stond niet ver van [slachtoffer] af.

Zij stonden intussen niet meer achter de auto, maar een stuk richting plein. [vriendin] stond bij hen in de buurt. Vervolgens zag [getuige 1] de verdachte. De verdachte liep eerst naar de auto en daarna achterlangs naar [slachtoffer]. [getuige 1] heeft achterom gekeken en zag de verdachte schuin van achter toen deze schoot. [getuige 1] zag [slachtoffer] van voren. [getuige 1] heeft bij de verdachte geen wapen gezien, maar zag wel dat hij met de hand in of uit de zak richtte.

[getuige 1] zag [slachtoffer] wegrennen. Ze zijn doorgereden tot voor De Spar, uitgestapt, naar [slachtoffer] toe gegaan en daarna weer snel terug naar de auto omdat de verdachte nog dichtbij was. [getuige 1] is zelf bij [slachtoffer] geweest, van de anderen weet hij dat niet. Volgens [getuige 1] heeft hij nog een vest uit de auto over [slachtoffer] gelegd.

De politie kwam snel en toen mochten zij niet meer naar [slachtoffer]. Hij heeft niets (van de plaats waar [slachtoffer] lag) meegenomen en ook anderen niets zien wegnemen. Hij heeft geen vuurwapen en geen mes in de buurt van [slachtoffer] zien liggen.

10. [getuige 2], die op de bijrijdersplaats in de Audi zat, heeft in zijn eerste verklaring (25-4-2011) verklaard dat [vrouw] met een mes in de hand achter [slachtoffer] aan liep. [Slachtoffer] rende weg en rende een rondje om de auto. [getuige 2] zag vervolgens rechts de verdachte. Hij kon hem goed zien. De verdachte liep achter [slachtoffer] aan toen deze richting het pleintje liep. [Slachtoffer] liep het pleintje op en de verdachte liep achter hem aan. Vervolgens hoorde [getuige 2] schoten.

[Slachtoffer] liep een meter of 10 verder en viel neer.

De verdachte liep op zijn dooie gemakje terug naar het huis. Ze zijn met de auto gaan rijden. Toen de politie en iedereen er al was, zat [getuige 2] bij [slachtoffer].

In zijn tweede verklaring (27-4-2011) heeft [getuige 2] verklaard dat [slachtoffer], toen [vrouw] met het mes zwaaiende bewegingen in zijn richting maakte, achteruit gestapt is. Hij is voor de auto langs gelopen en [vrouw] kwam er achter aan. Op een moment dat [getuige 2] [slachtoffer] en [vrouw] uit het oog verloren was, zag hij de verdachte. Vervolgens hoorde hij ineens schoten. [getuige 2] is uit de auto gestapt en wilde naar Slachtoffer maar is door een van de anderen tegengehouden. Toen kwam de politie. [getuige 2] is toen uitgestapt en naar Slachtoffer gelopen.

11. [getuige 3], die volgens zijn eigen verklaring op de bijrijdersplaats zat maar volgens de verklaringen van anderen achter de bijrijdersplaats, heeft in zijn eerste verklaring (25-4-2011) verklaard dat [vrouw] met een mes in de hand het portiek uit kwam. Als reactie hierop liep [slachtoffer] om de auto heen, rende weg en stak de straat over. Hij bleef aan de overkant van de rijbaan stil staan. Daar draaide hij zich om. [vrouw] liep [slachtoffer] een stukje achterna tot de auto. Toen liep ze terug de stoep op. [getuige 3] zag plotseling de verdachte uit het portiek lopen met een ochtendjas aan. Hij had een pistool in de hand. Even later schoot de verdachte met het pistool twee keer in de richting van waar [slachtoffer] op dat moment stond, de plek waar hij naar toe was gerend om te vluchten voor de vrouw met het mes.

[Slachtoffer] draaide zich om en rende weg naar het midden van het pleintje. Daar zakte hij in elkaar. [getuige 1] reed de auto weg tot ongeveer halfom het plein heen en keerde de auto, ter hoogte van de snackbar. Daar is de auto gebleven tot de politie hem aantrof. [getuige 3] is nog naar [slachtoffer] toegelopen. Hij heeft hem nog geschud maar daar reageerde [slachtoffer] niet meer op.

In zijn tweede verklaring (27-4-2011) heeft [getuige 3] verklaard dat de verdachte tussen de voor het portiek geparkeerde auto’s vandaan kwam. Hij zag dat de verdachte toen op de rijbaan stond. Ook [slachtoffer] stond nog op de rijbaan. Zij stonden ongeveer 5 meter van elkaar.

De verdachte richtte het pistool met gestrekte arm op [slachtoffer]. [getuige 3] kon [slachtoffer] op dat moment vanwege een “dode hoek” niet zien maar wist wel waar hij toen stond. [getuige 3] zag dat de verdachte twee maal achter elkaar schoot. Beiden stonden rechtop en tegenover elkaar.

[getuige 3] heeft getekend hoe [slachtoffer] daarna is gelopen.

De verdachte is een stukje naar de zijkant van het plein gelopen zodat hij [slachtoffer] kon zien liggen, daarna is hij teruggelopen naar het portiek.

In zijn laatste verklaring (rechtbank 9-3-2012) heeft [getuige 3] verklaard dat [vrouw] achter [slachtoffer] aan rende, dat [slachtoffer] links om de auto heen rende en dat hij links achter de auto stond. [getuige 3] heeft de verdachte uit het portiek zien komen, tussen de auto’s naar de straat zien lopen en gericht twee keer op [slachtoffer] zien schieten. [vrouw] stond erbij en keek ernaar.

Toen de schoten vielen stond [slachtoffer] stil. Hij keek naar de man die op hem af kwam lopen.

[Slachtoffer] rende weg. Ze zijn achter [slachtoffer] aangereden naar het plein. Ze zagen hem op het plein liggen, hebben de auto gekeerd en zijn naar [slachtoffer] toe gelopen. [getuige 3] heeft niet gezien dat [slachtoffer] een vuurwapen bij zich had.

12. [buurtbewoner A] heeft eerst verklaard (25-4-2011) dat hij de verdachte en [vrouw] op straat heeft zien staan. [vrouw] liep achter [slachtoffer] aan die daarvoor stenen had gegooid en [vrouw] maakte slaande bewegingen in de richting van sSlachtoffer]. [Slachtoffer] rende voor de auto langs richting het plein. Toen hoorde [buurtbewoner A] 2 knallen, vermoedelijk schoten. [Slachtoffer] liep door en ging midden op het plein op de grond zitten. De vrouw met wie [slachtoffer] eerder ruzie had gehad (het hof begrijpt: [vriendin]) kwam naar hem toe. Er stopte een auto voor De Spar. Er stapten 3 mannen uit die in de richting van [slachtoffer] liepen. Toen kwam de politie.

In zijn tweede verklaring (rechter-commissaris 10-1-2012) heeft [buurtbewoner A] verklaard dat hij de verdachte, die een ochtendjas aan had, en [vrouw] uit het portiek naar beneden heeft zien komen. [vrouw] liep naar [slachtoffer] toe en maakte een slaande beweging in de richting van [slachtoffer]. [Slachtoffer] maakte een ontwijkende beweging. Hierna liep [slachtoffer] voor de dubbel geparkeerde auto langs, maakte een bocht langs de auto en rende in de richting van het plein. Hij liep met zijn rug naar het portiek. Even later hoorde [buurtbewoner A] 2 knallen. Hij heeft niet gezien waar deze knallen vandaan kwamen. Toen hij de knallen hoorde heeft [buurtbewoner A] niets opvallends aan [slachtoffer] gezien. [Slachtoffer] rende door en viel neer op het plein.

Op enig moment is de dubbel geparkeerde auto weggereden. Kort daarna stopte er een auto bij De Spar. Daar stapten 2 jongens uit die schreeuwden en naar [slachtoffer] op het plein liepen. In de herinnering van [buurtbewoner A] zijn zij niet helemaal bij [slachtoffer] geweest. Wel was opeens het meisje bij [slachtoffer]. Toen kwam de politie.

13. [buurtbewoner C] heeft in zijn eerste verklaring (25-4-2011) verklaard dat hij een vrouw (het hof begrijpt:

benadeelde partij), een meisje (het hof begrijpt: [vriendin]) en een oudere man (het hof begrijpt: de verdachte) van de portiektrap naar beneden zag komen. Hij zag dat [vrouw] stenen opraapte en naar een jongen met een wit shirt (het hof begrijpt: [slachtoffer]) gooide. [Slachtoffer] rende hard weg in de richting van de vistent om het Stuyvesantplein heen. Hij wijzigde zijn route het plein op. Hij rende in de richting van [buurtbewoner C] (het hof begrijpt: in de richting van de Juliana van Stolberglaan). Toen hoorde [buurtbewoner C] 2 knallen snel achter elkaar. Hij hoorde niet exact waar de schoten vandaan kwamen. [Slachtoffer] liep nog een paar stappen en viel toen neer. [vriendin] kwam direct bij hem. Er kwam een Audi met 3 jongens voorbij rijden die stopte bij De Spar. Ze stapten uit, liepen richting plein, draaiden toen snel om, stapten weer in, reden richting Juliana van Stolberglaan, draaiden en parkeerden weer bij De Spar. Zij stapten uit en liepen in de richting van [slachtoffer].

In de tweede verklaring (rechter-commissaris 10-1-2012) heeft [buurtbewoner C] verklaard dat hij een vrouw ([vrouw]) de portiektrap af zag komen en dat de jongen ([slachtoffer]) een brok steen naar haar gooide. [vrouw] pakte het brok steen op en gooide het naar [slachtoffer]. Op dat moment kwamen een meisje ([vriendin]) en een oudere man (de verdachte) de trap af. [Slachtoffer] probeerde weer de steen te pakken toen de verdachte het portiek uit kwam. [Slachtoffer] draaide zich toen om en liep hard weg in de richting van de vistent. Binnen seconden hoorde [buurtbewoner C] schoten.

Na het omdraaien had [slachtoffer] twee stappen gedaan toen [buurtbewoner C] de schoten hoorde. Op dat moment was [slachtoffer] net omgedraaid en aan het wegrennen. Hij rende in één lijn door met zijn rug naar het portiek. [buurtbewoner C] heeft de Audi zien wegrijden tussen de schoten en het moment dat [slachtoffer] ineen zakte. Nadat de Audi een stukje had gereden zijn 3 inzittenden uitgestapt. In de herinnering van [buurtbewoner C] is maar één van de jongens naar [slachtoffer] toegelopen, heel kort. De 3 jongens liepen heen en weer en waren voortdurend aan het bellen. Ook [vriendin] is naar [slachtoffer] toe gelopen en heeft hem vast gehouden.

Nadat de 3 personen uit de auto gestapt zijn en kort op het plein gelopen hadden, zijn zij weer ingestapt.

De auto is weggereden over de Juliana van Stolberglaan en na een minuut of drie teruggekeerd en weer op dezelfde plaats geparkeerd voor de kapsalon.

14. [buurtbewoner D] heeft verklaard (26-4-2011) dat zij twee knallen hoorde, een auto raar op de weg heeft zien staan iets voor de tramhalte op het plein, mensen heeft horen schreeuwen en zien lopen. Zij heeft gezien dat de auto hard weg reed over de Juliana van Stolberglaan in de richting van de Schenkkade.

Bij de rechter-commissaris heeft [buurtbewoner D] verklaard (17-1-2013) dat zij twee schoten achter elkaar hoorde, een groepje van ongeveer 5 mensen zag en gegil en geschreeuw hoorde. Later werd er gereanimeerd voor het beeld op het plein.

[buurtbewoner D] heeft gezien dat er een auto bij De Spar stopte en toen weer keihard weg reed. Ze heeft de auto later niet gezien maar heeft daar ook niet op gelet.

[buurtbewoner D] herinnert zich dat de auto richting Schenkkade is gereden. Toen was de politie er nog niet.

15. [ vrouw] heeft in haar eerste verklaring (25-4-2011) verklaard dat zij met een mes en een klepel naar buiten is gelopen en de klepel in de richting van [slachtoffer] heeft gegooid. [Slachtoffer] is toen om de auto heengelopen en daarna weggelopen in de richting van het plein.

[vrouw] is niet achter [slachtoffer] aangerend.

De verdachte heeft ze niet gezien en van schieten weet ze niets.

In haar tweede verklaring (26-4-2011) heeft

[vrouw] verklaard dat zij de rijbaan opgegaan is en daar een voorwerp gegooid heeft toen [slachtoffer] al wegrende, de auto voorbij in de richting van de Loudonstraat en in de richting van het plein.

Bij de rechter-commissaris (17-1-2013) heeft

[vrouw] verklaard dat zij voor de auto langs achter [slachtoffer] aan gelopen is. Ze is hem even uit het zicht verloren en zag hem weer toen hij halverwege de auto stond. Hij is nog een eindje doorgelopen.

[vrouw] heeft toen het gewicht van de klok gezocht en geen aandacht meer aan [slachtoffer] geschonken. Toen kwam de politie.

16. [vriendin] heeft in haar eerste verklaring (25-4-2011) aangegeven dat zij voor het portiek stond toen

[vrouw] en de verdachte naar buiten kwamen.

[Slachtoffer] liep voor de auto langs naar de zijkant, de bestuurderskant van de auto. [vrouw] liep achter [slachtoffer] aan om de auto heen. De verdachte liep via de achterkant van de auto naar [slachtoffer] toe. Op een gegeven moment hoorde zij “pang pang”. In haar ooghoek zag [vriendin] dat de verdachte zijn lange jas weer dicht sloeg.

[Slachtoffer] heeft niets gedaan. Het kwam uit het niets.

[Slachtoffer] begon als een gek te rennen in de richting van het plein. Daar zakte hij in elkaar. [vriendin] is toen naar hem toe gerend en heeft zijn hoofd vastgehouden. De drie vrienden van [slachtoffer] kwamen er ook bij. Zij zijn weer weggelopen. [getuige 2] heeft zijn blouse over [slachtoffer] gelegd. Toen kwam een ambulance. De politie was er redelijk snel bij.

In haar tweede verklaring (27-4-2011) heeft [vriendin] verklaard dat [slachtoffer] langs de voorkant van de auto liep en dat [vrouw] achter hem aanliep ook langs de voorkant van de auto en dat de verdachte de andere kant op liep in de richting van de achterzijde van de auto. [Slachtoffer] jogde weg van [vrouw], hij rende niet.

[Slachtoffer] zei dat [vriendin] [vrouw] weg moest halen.

[vriendin] zag de jas van de verdachte open gaan en hoorde schoten. [vriendin] stond toen 2 à 3 meter schuin achter de verdachte en de verdachte stond op 2 à 3 meter van [slachtoffer]. [Slachtoffer] ging rennen als een gek en op het plein stortte hij in elkaar. De verdachte bleef staan nadat hij geschoten had. Hij keek naar [slachtoffer] die wegrende.

[Slachtoffer] rende weg het plein op. Daar stortte hij in elkaar. Toen is [vriendin] naar [slachtoffer] toe gerend. Zij heeft zijn hoofd op haar schoot gelegd. Toen keek [vriendin] achterom richting De Spar en zag zij de Audi staan, met de neus in de tegengestelde richting. [getuige 1] is naar [vriendin] toe gekomen en heeft nog geprobeerd [slachtoffer] te beademen. [vriendin] zag de verdachte op de stoep staan, op de hoek van het pand. [vrouw] stond bij de verdachte.

In haar derde verklaring (20-5-2011) heeft [vriendin] verklaard dat [vrouw] om de auto heen liep achter [slachtoffer] aan en dat de verdachte hem van de andere kant tegemoet liep. Ze troffen elkaar en de verdachte schoot. Er zat misschien 2 meter tussen de verdachte en [slachtoffer]. [vriendin] stond op 2 of 3 meter schuin achter de rug van de verdachte.

Bij de rechter-commissaris (10-1-2012) heeft [vriendin] verklaard dat [slachtoffer] een beetje lacherig voor de auto langs rende of huppelde weg van [vrouw] waarbij hij achterom keek. Hij riep naar [vriendin] dat zij [vrouw] normaal moest laten doen. Omdat de verdachte vanaf de andere kant naar hem toe kwam lopen, kwam [slachtoffer] recht op hem af. Toen zij tegenover elkaar stonden, is er twee keer geschoten. Dat was in de ronding van de stoeprand. [vriendin] stond ongeveer 2 meter van de verdachte en de verdachte en [slachtoffer] stonden ongeveer 4 meter uit elkaar. Zij stonden in een driehoek. Toen er werd geschoten, rende [slachtoffer] weg.

Toen [vriendin] de knallen hoorde, zag zij dat de verdachte zijn jas open deed. Hij had zijn arm in een hoek van 90 graden tegen zijn lichaam. Toen [slachtoffer] en de verdachte tegenover elkaar stonden heeft de verdachte niets opgeraapt en heeft zij hem ook geen beweging zien maken. Toen [slachtoffer] met de verdachte kruiste, werd er meteen geschoten. [vriendin] zag dat [slachtoffer] schrok omdat de verdachte daar stond, waarna er meteen werd geschoten. [vriendin] heeft geen wapens bij [slachtoffer] gezien, geen vuurwapen en geen mes. Die ochtend had [slachtoffer] geen vuurwapen bij zich, ook de anderen niet.

De auto is gaan rijden en toen zijn zij allemaal naar [slachtoffer] toe gekomen. [getuige 2] heeft een blouse bij [slachtoffer] neergelegd. Er is niets meegenomen van de plaats waar [slachtoffer] lag.

In haar tweede verklaring bij de rechter-commissaris

(22-5-2013) heeft [vriendin] verklaard dat [vrouw] achter [slachtoffer] aan liep voor de voorkant van de Audi langs, met een mes en een gouden poot in haar handen.

Die poot liet ze vallen of heeft ze gegooid. De verdachte liep langs de zaak (het hof begrijpt: vanuit het portiek gezien naar links langs de showroom) en kwam te staan ergens in de ronding van de stoep. [vriendin] volgde hem en stond ongeveer 2 meter schuin achter hem. Toen [vriendin] in de ronding (van de stoep) liep heeft zij [vrouw] en [slachtoffer] niet meer gezien omdat ze niet meer naar hen keek. Plotseling zag [vriendin] [slachtoffer] op de verdachte afrennen en toen hoorde zij de knallen. [Slachtoffer] kwam recht op de verdachte af. Dat duurde een fractie van een seconde. De verdachte stond toen stil op de stoep.

[vriendin] heeft niet gezien of [slachtoffer] een wapen had. Ze heeft niet gehoord dat er iets is gezegd of geschreeuwd door [slachtoffer]. De afstand tussen [slachtoffer] en de verdachte op het moment van de confrontatie was 2 à 3 meter.

[Slachtoffer] draaide zich vervolgens om en rende het plein op. Toen viel hij voorover. [vriendin] heeft hem omgedraaid en een beetje omhoog getrokken en [getuige 1] heeft geprobeerd hem te reanimeren. Ze heeft gezien dat de Audi tegen het verkeer in stond.

Toen [vriendin] [slachtoffer] omdraaide, had deze niets in zijn hand. Zij heeft er niet op gelet of de 3 jongens iets hebben gepakt. Zij heeft niet in zijn directe omgeving gekeken en weet dus niet of [slachtoffer] iets in zijn handen had toen hij viel.

De lezing van de verdachte omtrent het gebeurde.

17. De lezing van de verdachte omtrent het gebeurde is als volgt.

In de nacht van 24 op 25 april 2011 bevond de verdachte zich in de woning van benadeelde partij. [Vrouw] is kennelijk wakker geworden van geluiden op straat.

De verdachte zelf hoorde ook buiten lawaai en ruzie. Vanuit het raam zag de verdachte dat [slachtoffer] en [vriendin] vóór het portiek ruzie hadden. [Slachtoffer] gaf [vriendin] een klap in het gezicht en vervolgens een harde klap/stomp op het achterhoofd. [vriendin] rende het portiek in en [slachtoffer] rende achter haar aan. Er was hevige ruzie en over en weer werd gescholden. [Vrouw] heeft naar [slachtoffer] geroepen. [Slachtoffer] heeft stenen gegooid, zowel in de richting van het raam van waaruit [vrouw] riep als naar [vriendin] die op dat moment in het portiek stond. [Slachtoffer] liep als een gek rond, gooide met stenen en was door het dolle heen, schreeuwend, vloekend en tierend. [Vrouw] is vervolgens via het portiek naar beneden gegaan.

De verdachte is achter haar aangegaan na eerst van een tafeltje in zijn kamer een geladen vuurwapen te hebben gepakt. Hij heeft het wapen in zijn rechterhand gehouden onder zijn kleding. De verdachte was bang dat [slachtoffer] [vriendin] en benadeelde partij iets zou aandoen. Hij is met het wapen naar beneden gegaan voor het geval [slachtoffer] of zijn vrienden [vriendin] of [vrouw] iets wilden aandoen.

Buiten gekomen zag de verdachte dat [slachtoffer], [vriendin] en [vrouw] aan de linkerzijde van de Audi een flink stuk uit elkaar stonden, [vrouw] aan de linker-voorzijde van de Audi, [slachtoffer] aan de linkerachterzijde. Daar waren nog twee mannen buiten de auto, zij liepen heen en weer. De verdachte stond op de stoep vóór de showroom welke gesitueerd is aan de zijde van het portiek voorbij de achterkant van de Audi. De verdachte zag dat [slachtoffer] hem zag staan en dat [slachtoffer] als een briesende leeuw op hem af kwam. [slachtoffer] schreeuwde: “je gaat eraan”. [Slachtoffer] haalde een grijs/zwart wapen van achter zijn rug vandaan.

Het was een pistool. De verdachte was ervan overtuigd dat [slachtoffer] zou gaan schieten, omdat [slachtoffer] als een dolle dwaze gek op hem af kwam. De verdachte pakte zijn pistool en schoot voordat hij er erg in had. Het was in een schrikreactie. Hij heeft niet met het wapen gemikt.

Als [slachtoffer] niet met het wapen op hem was afgekomen, had hij niet geschoten en was er niets gebeurd. [Slachtoffer] is vervolgens in de richting van het plein weggelopen en daar neergevallen.

De door het hof op grond van het vorenstaande vastgestelde feiten.

18. Op grond van het voorliggende dossier en met name de hiervoor weergegeven verklaringen, het onderzoek ter terechtzitting en hetgeen hiervoor is overwogen, stelt het hof de volgende, voor de beoordeling van de tenlastelegging relevante, feiten vast.1

19. [ vriendin] en [slachtoffer] zijn met drie vrienden van [slachtoffer] op 25 april 2011 tegen 06.00 uur vanuit Amsterdam aangekomen bij de woning van [vriendin] aan het Stuyvesantplein 49 te Den Haag. Dit betreft een portiekwoning. In een van de andere woningen aan het portiek woont de oma van [vriendin], [vrouw], de ex-echtgenote van de verdachte, de opa van [vriendin]. Daar aangekomen zijn [slachtoffer] en [vriendin] uitgestapt, de drie vrienden van [slachtoffer] zijn in de auto gebleven: [getuige 1] als bestuurder, [getuige 2] als bijrijder en [getuige 3] als inzittende achter de bijrijder. [Slachtoffer] en [vriendin] zijn buiten vóór het portiek in een discussie en mogelijk ook ruzie geraakt waarbij met stemverheffing is gesproken.2345678

[Vrouw] is wakker geworden en hoorde toen geluiden op straat. Zij is voor het door haar geopende raam op de 1e verdieping verschenen. Toen is een discussie ontstaan tussen [slachtoffer] en [vrouw] waarbij over en weer is gescholden. [Vrouw] heeft een voorwerp naar beneden gegooid in de richting van [slachtoffer] en [slachtoffer] heeft daarna een stuk steen in de richting van het bedoelde raam gegooid. Naar kan worden aangenomen heeft [slachtoffer] ook een stuk steen gegooid in de richting van het portiek/[vriendin].9101112

[Vrouw] is vervolgens uit de woning gekomen en is met een mes in de ene hand en met de klepel van een klok in de andere hand via de portiektrap naar beneden gelopen. De verdachte, die op dat moment in de woning van [vrouw] verbleef, is naar aanleiding van het lawaai ook uit bed gekomen, heeft een geladen vuurwapen van een tafeltje in zijn kamer gepakt en dat in de hand gehouden in of onder de kleding. De verdachte is via de portiektrap naar beneden gelopen.13141516

De auto waarmee [slachtoffer], [vriendin] en de drie vrienden waren gekomen en waarin op dat moment de drie vrienden zaten, een Audi, stond dubbel geparkeerd op de straat vóór het portiek en de portiektrap, bezien vanuit het portiek langs/achter twee auto’s die langs de stoep stonden.

De Audi stond, bezien vanuit het portiek, met de voorzijde naar rechts en met de achterzijde naar links.17

[Vrouw] is buiten, zwaaiend met een mes, naar [slachtoffer] gelopen. [Slachtoffer] is, terwijl [vrouw] achter hem aankwam, weggelopen om de voorzijde van de Audi heen en daarna naar links in de richting van de achterzijde van de Audi. De verdachte is intussen uit het portiek gekomen en, bezien vanuit het portiek, naar links gegaan in de richting van de daar gesitueerde showroom.

De verdachte en [slachtoffer] zijn vervolgens met elkaar geconfronteerd. Van een aanval van [slachtoffer] op de verdachte is geen sprake geweest. De verdachte heeft toen met zijn vuurwapen twee keer op [slachtoffer] geschoten. Het eerste schot heeft [slachtoffer] geraakt in de borst, het tweede schot in de rug. [Slachtoffer] is weggerend en even verderop op het plein op de grond gevallen.1819202122

[vriendin] is naar [slachtoffer] toegerend en heeft geprobeerd hem te helpen. De drie vrienden zijn met de Audi weggereden en zijn gestopt even verderop aan het Stuyvesantplein. Zij zijn uitgestapt en even later weer ingestapt.

Zij zijn weggereden, hebben de auto even verderop gedraaid en zijn weer naar dezelfde plaats teruggekomen, ter hoogte van de aldaar gelegen winkel De Spar. De auto is toen tegen de rijrichting in gezet. De drie vrienden zijn vervolgens naar [slachtoffer] toe gelopen. In elk geval [getuige 1] is bij [slachtoffer] geweest. Daarna is de politie ter plaatse verschenen alsmede een ambulance.23242526

[Slachtoffer] is aan zijn verwondingen bezweken. Uit het sectierapport kan worden opgemaakt dat het lichaam van [slachtoffer] een inschot in de borst en een inschot op de rug had. Het schot in de borst (hof: het eerste schot) was reeds dodelijk.27

20. Naar het oordeel van het hof heeft de verdachte door op [slachtoffer] te schieten tenminste voorwaardelijk opzet gehad om hem van het leven te beroven. Het is immers een feit van algemene bekendheid dat het met een vuurwapen schieten in de richting van een persoon op een afstand van enkele meters een grote kans op dodelijk letsel met zich meebrengt. Door te schieten heeft de verdachte die aanmerkelijke kans op dodelijk letsel bewust aanvaard.

21. De verdediging heeft met betrekking tot de vaststelling van de feiten een tweetal verweren gevoerd. Het betreft allereerst de betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], en vervolgens de precieze plaats waar de verdachte stond toen hij schoot.

De betrouwbaarheid van de verklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3].

22. Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is dat de vrienden van [slachtoffer] niet gezien kunnen hebben wat zij zeggen te hebben gezien.

De verdediging heeft haar conclusies getrokken onder meer uitgaande van een bepaalde situering van de Audi.

Die situering is echter niet exact vast te stellen.

De wijze waarop en de mate waarin uitzichtbelemmering heeft plaatsgevonden door de langs de stoep geparkeerde Kia (waarvan de exacte locatie op grond van de politiefoto’s wèl vastgesteld kan worden) en mogelijk andere auto’s is afhankelijk van de precieze plek waar de Audi stond. Een of twee meter naar voren of naar achteren of naar opzij heeft onmiskenbaar invloed op hetgeen nog wel of niet gezien kan worden aan de stoepzijde en aan de achterzijde van de Kia. Nu de precieze plek van de Audi niet vaststaat, kan ook niet precies vastgesteld worden wat getuigen wel of niet gezien kunnen hebben. Het hof wijst er overigens op dat de getuigen zelf ook over belemmeringen van het uitzicht hebben gesproken (dode hoeken). Het hof ziet geen reden om de verklaringen van de vrienden van [slachtoffer] als zijnde onbetrouwbaar of zelfs leugenachtig als geheel buiten beschouwing te laten.

Dat de drie getuigen onderling niet geheel gelijkluidend verklaard hebben, doet aan het bovenstaande niet af, en evenmin dat iedere getuige zelf niet steeds consistent verklaard heeft. Bij dit laatste wijst het hof erop dat de eerste verklaringen zijn afgelegd enkele uren na het incident, terwijl de laatste verklaringen (rechter-commissaris en rechtbank) pas geruime tijd na het voorval zijn afgelegd, waardoor de herinneringen eraan vervaagd, vervormd of beïnvloed kunnen zijn.

De plaats waar de verdachte stond toen hij schoot.

23. De verdediging heeft aangegeven dat als vaststaand moet worden aangenomen dat de plek van waar de verdachte heeft geschoten is gesitueerd op de stoep, in de ronding ervan, ter hoogte van de naast het portiek gelegen showroom op de hoek met de Loudonstraat. Deze vast-stelling is naar het oordeel van de verdediging van belang met het oog op het door de verdediging gevoerde noodweer-verweer.

Het hof volgt deze stellige conclusie van de verdediging omtrent de plaats van het schieten niet.

24. De verklaringen van [getuige 1] (en met name die van 27-4-2011) houden in dat hij zag dat de verdachte langs de gevel van het huis wegliep (het hof begrijpt: in de richting van de bij de hoek met de Loudonstraat gelegen showroom), en dat hij de verdachte op een gegeven moment kwijt was als gevolg van een dode hoek. Of hij hiermee de eigen auto bedoelt of de langs de stoep geparkeerde auto(’s) is niet duidelijk. Toen hoorde hij schoten.

Deze verklaring sluit naar het oordeel van het hof niet uit dat de verdachte op de stoep stond in de ronding ervan, maar ook niet dat de verdachte van de stoep is af gekomen en op de rijbaan stond, niet ver van de stoep.

Overigens acht het hof de veel later door [getuige 1] bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring zo afwijkend van zijn eerdere verklaringen, dat het hof deze als niet gebaseerd op een betrouwbare eigen herinnering buiten beschouwing zal laten.

25. [getuige 2] heeft eerst verklaard (25-4-2011) dat hij zag dat [slachtoffer] het pleintje op liep en dat de verdachte achter hem aan liep. Op een tekening heeft hij een cijfer gezet bij de richting waarin [slachtoffer] het pleintje op liep met de verdachte achter hem aan. Hij heeft niet aangegeven waar de verdachte stond toen hij schoot.

Hij heeft niet verklaard dat hij het schieten heeft gezien.

In zijn tweede verklaring (27-4-2011) heeft [getuige 2] op een foto een cijfer gezet op de plek waar hij de verdachte ineens zag. Dat was op de stoep in de buurt van het portiek. Over de schietplek heeft hij niets gezegd. Uit de eerste verklaring van [getuige 2], waar hij zegt dat [slachtoffer] het pleintje op liep en dat de verdachte achter hem aan liep, leidt het hof af dat [getuige 2] de verdachte op zeker moment niet meer op de stoep situeert.

26. [getuige 3] heeft in zijn eerste verklaring (25-4-2011) niet gezegd waar de verdachte stond toen hij schoot.

Hij heeft wel verklaard het schieten gezien te hebben. Dit laatste herhaalt [getuige 3] in zijn tweede verklaring (27-4-2011). Hij positioneert de verdachte daarbij op de rijbaan en geeft dat ook op een tekening aan. [Slachtoffer] heeft hij niet gezien in verband met een dode hoek, maar hij wist wel waar [slachtoffer] stond.

Bij de rechtbank heeft [getuige 3] op een tekening aangegeven waar [slachtoffer] en de verdachte op het moment van schieten stonden. Hij heeft verklaard dat hij zag dat [slachtoffer] naar de verdachte keek. Het hof stelt vast dat deze verklaring belangrijk afwijkt van de kort na het gebeuren door [getuige 3] afgelegde verklaring. Het hof passeert deze verklaring bij de rechtbank om dezelfde reden als waarom de RC-verklaring van [getuige 1] gepasseerd wordt.

27. [ buurtbewoner A], [buurtbewoner B], [buurtbewoner C], [buurtbewoner D] en [vrouw] hebben niet verklaard de verdachte te hebben zien schieten, en dus ook niet over de plek waar de verdachte toen zou hebben gestaan.

28. [vriendin] heeft in haar eerste verklaring (25-4-2011) gezegd dat de verdachte via de achterzijde van de auto (het hof begrijpt: de Audi) naar [slachtoffer] toeliep.

Zij hoorde daarna “pang pang”. Zij positioneert de verdachte dus op de rijbaan ter hoogte van de achterzijde van de auto.

In haar tweede verklaring (27-4-2011) heeft [vriendin] gezegd dat de verdachte in de richting van de achterzijde van de auto liep. Zij geeft dan op een foto/tekening de plaats aan waar iedereen stond. In de ronding van de stoep tekent zij een cirkel. Het hof neemt aan dat zij daarmee de plaats waar de verdachte stond bedoelt. Het is het hof niet duidelijk waar [vriendin] [slachtoffer] op het moment van schieten positioneert. Haar verklaring dat de verdachte in de richting van de auto liep, lijkt naar het oordeel van het hof niet te rijmen met de getekende schietplek op de stoep.

In haar derde verklaring (20-5-2011) heeft [vriendin] gezegd dat [vrouw] om de auto heen liep achter [slachtoffer] aan en dat de verdachte [slachtoffer] van de andere kant tegemoet liep en schoot. Naar het oordeel van het hof is deze lezing niet goed te rijmen met een schietplek op de stoep.

In haar eerste verklaring bij de rechter-commissaris

(10-1-2012) heeft [vriendin] gezegd dat [slachtoffer] voor de auto langs rende of weghuppelde van [vrouw] en dat de verdachte van de andere kant naar hem toe kwam lopen en dat [slachtoffer] recht op hem af kwam. Toen zij tegenover elkaar stonden, heeft de verdachte geschoten. Dat was in de ronding van de stoeprand. Die plek wordt door [vriendin] ook op een tekening aangegeven: het (bezien vanuit het portiek) begin van de stoepronding. De verklaring van [vriendin] over het tegemoet lopen en de schietplek op de stoeprand lijken niet zonder meer in elkaar te passen. Immers, het voor de auto langs gaan en daarna weggaan van [vrouw] die hem bij de auto achterna gekomen was en dan vervolgens recht op de verdachte aflopen is op zich te verklaren als [slachtoffer] in dat lopen naar links zou zijn afgebogen in de richting van de stoeprand waar de verdachte zou hebben gestaan. [vriendin] heeft echter over zo’n naar links afbuigen niets gezegd. Naar het oordeel van het hof is het loopgedrag recht op de verdachte af zeker zo goed te verklaren als hij doorlopend op de verdachte is afgelopen die toen niet op de stoep stond, maar op de rijbaan ergens achter de Audi. Het hof kan de betreffende verklaring van [vriendin] niet duiden ten aanzien van de bepaling van de schietplek.

In haar tweede verklaring bij de rechter-commissaris

(22-5-2013) heeft [vriendin] de verdachte ergens in de ronding van de stoep gepositioneerd. Zij heeft gezien dat [vrouw] achter [slachtoffer] aanliep voor de Audi langs.

Zij zag vervolgens de verdachte langs de zaak (het hof begrijpt: over de stoep) lopen tot hij ergens in de ronding van de stoep ging staan. [vriendin] is achter de verdachte aangelopen en heeft niet meer op [vrouw] en [slachtoffer] gelet en niet meer naar hen gekeken. Zij heeft verklaard dat [slachtoffer] er plotseling was en afrende op de verdachte.

29. Conclusie. Uit het vorenstaande concludeert het hof dat niet met zekerheid kan worden vastgesteld waar de verdachte precies stond toen hij op [slachtoffer] schoot.

Er zijn aanwijzingen voor de stoep als schietplek, maar er zijn evenzeer, en naar het oordeel van het hof niet minder sterke, aanwijzingen dat de verdachte van de stoep moet zijn afgekomen en bij het schieten op de rijbaan stond ergens achter de Audi. Het hof concludeert dan ook dat de verdachte in ieder geval ergens achter de Audi stond.

Voorbedachte raad.

30. Met de verdediging is het hof van oordeel dat niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte heeft gehandeld met voorbedachte raad.

Voor bewezenverklaring van voorbedachte raad moet vaststaan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval, waarbij het gewicht moet worden bepaald van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten.

31. Hoewel de verdachte een geladen vuurwapen ter hand heeft genomen toen hij afging op lawaai buiten de woning waarin hij verbleef, hoeft uit die omstandigheid op zich niet worden afgeleid dat hij op dat moment reeds het voornemen had om het vuurwapen tegen [slachtoffer] of mogelijk een ander te gebruiken. Buiten gekomen is de verdachte niet meteen op de “ruziënde” personen ([slachtoffer] en [vrouw] afgelopen, maar is hij opzij gelopen in de richting van de showroom op de hoek van de straat.

Op enig moment is de verdachte geconfronteerd met [slachtoffer] en toen heeft de verdachte tweemaal geschoten. Wat de verdachte op het fatale moment ertoe heeft gebracht te schieten, is het hof niet duidelijk geworden. Elders in het arrest heeft het hof vastgesteld (zie onder 19 en hierna onder de bespreking van het beroep op noodweer) dat er van een aanval door [slachtoffer] geen sprake is geweest.

Niet uitgesloten moet worden dat toch sprake is geweest van een ogenblikkelijke gemoedsopwelling die de verdachte ertoe heeft gebracht te schieten. Dat de verdachte naar zijn uiterlijke gedragingen ogenschijnlijk rustig was vóór en na het schieten, doet daaraan niet af.

32. Het hof concludeert dat, nu niet buiten gerede twijfel kan worden uitgesloten dat de verdachte heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, de verdachte in dit opzicht het voordeel van de twijfel moet worden gegund, zodat hij van het element voorbedachte raad moet worden vrijgesproken.

Noodweer dan wel putatief noodweer.

33. In tegenstelling tot de verdediging is het hof van oordeel dat de exacte plek waar de verdachte stond toen hij op [slachtoffer] schoot niet van grote betekenis is voor de vraag of de verdachte een beroep op noodweer toekomt. Voor een geslaagd beroep op (putatief) noodweer is vereist dat er sprake was van een onmiddellijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte door [slachtoffer], althans van zulke feitelijke omstandigheden dat de verdachte in redelijkheid kon en mocht denken dat zo’n aanranding zich voordeed of zou gaan voordoen.

34. Het hof stelt voorop dat het late moment waarop de verdachte voor het eerst in een verklaring heeft gezegd uit noodweer te hebben gehandeld, hem bij zijn beroep op noodweer niet zal worden tegengeworpen. Aannemelijk is dat de verdachte op instructie van zijn toenmalige raadsman zich gedurende een periode op zijn zwijgrecht heeft beroepen.

Dat de verdachte niet meteen bij zijn aanhouding heeft gezegd dat hij door het [slachtoffer] aangevallen is, mag merkwaardig lijken, maar zegt onvoldoende over de vraag of zo’n aanval zich wel of niet heeft voorgedaan.

Het hof kent evenmin betekenis toe aan de omstandigheid dat de verdachte in detentie tegen PIW-ers zou hebben gezegd uit noodweer te hebben gehandeld. Zo’n mededeling zegt niets over de vraag of de verdachte daadwerkelijk is aangevallen.

35. Op grond van het hetgeen hiervoor onder 6. en 8. is geconcludeerd stelt het hof vast dat er geen sprake is geweest van de door de verdachte gestelde voor [vriendin] en/of [vrouw] bedreigende situatie, te weten een agressieve en slaande [slachtoffer] en mannen die buiten de auto heen en weer liepen. Dat de verdachte zo’n bedreigende situatie ook niet heeft aangetroffen toen hij via de portiektrap buiten voor de woning kwam volgt eveneens uit de omstandigheid dat hij niet heeft ingegrepen door [vriendin] en [vrouw] daar weg te halen, maar naar opzij in de richting van de showroom is gelopen.

36. De verdachte heeft gesteld dat [slachtoffer] daarna schreeuwend als een briesende leeuw op hem af kwam gerend en een grijs/zwart wapen van achter zijn rug haalde.

Weliswaar hebben niet alle getuigen [slachtoffer] op precies dezelfde plaats gesitueerd op het moment dat de verdachte schoot, maar geen van de getuigen die het gebeuren gezien hebben heeft verklaard dat [slachtoffer] schreeuwend op de verdachte afrende. Dat geldt ook voor [vriendin] die in haar verklaringen van 25-4-2011, 27-4-2011, 20-5-2011 en 10-1-2012 gedetailleerd heeft verklaard over wat [slachtoffer] deed voordat de verdachte op hem schoot. In het licht van al deze verklaringen acht het hof de laatste verklaring van [vriendin] (25-5-2013) dat zij [slachtoffer] plotseling op de verdachte zag afrennen, ongeloofwaardig. De redenen die [vriendin] heeft opgegeven voor haar eerdere andersluidende verklaringen overtuigen het hof niet en maken dat niet anders.

37. Voorts heeft geen van de getuigen verklaard dat zij bij [slachtoffer] een vuurwapen hebben gezien. Dit geldt ook voor [vriendin], ook niet in haar laatste verklaring. Ook heeft geen van de getuigen verklaard dat [slachtoffer], vlak voordat de verdachte op hem schoot, iets in handen genomen heeft of bewegingen heeft gemaakt die als zodanig zouden kunnen worden uitgelegd. Er is geen vuurwapen aangetroffen op de plek waar [slachtoffer] heeft gestaan, heeft gelopen of is neergevallen.

De verdediging heeft erop gewezen dat [buurtbewoner C] heeft verklaard (rechter-commissaris 10-1-2012) dat [slachtoffer] heeft geprobeerd een steen te pakken en meteen daarna wegrende. Volgens de verdediging heeft de getuige de waargenomen beweging ingekleurd (naar het hof begrijpt: als een poging om een steen op te pakken), maar het zou evengoed een beweging in het kader van de door de verdachte geschetste aanval van [slachtoffer] kunnen zijn. Deze veronderstelling wordt door het hof gepasseerd.

De getuige heeft immers verklaard dat [slachtoffer] op dat moment stil stond, terwijl de verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer] bij zijn aanval op hem kwam afgerend en, terwijl hij liep, een wapen achter zijn rug vandaan haalde (verklaring verdachte 6-9-2011, 10.15 uur pag. 4).

38. De verdediging heeft opgeworpen dat de vrienden van [slachtoffer] mogelijk een wapen van [slachtoffer] hebben weggemaakt.

Uit de diverse verklaringen kan worden afgeleid dat de vrienden van [slachtoffer] na het schieten met de Audi zijn weggereden en ter hoogte van De Spar zijn gestopt.

Ze zijn uitgestapt en aannemelijk is dat tenminste één van hen bij [slachtoffer], die op de grond lag, geweest is. Op dat moment was ook [vriendin] bij [slachtoffer]. Daarna zijn zij weer ingestapt en weggereden. Vervolgens zijn zij weer teruggekeerd op het moment dat ook een politieauto kwam aanrijden. Mogelijk was er op dat moment reeds politie op het plein. Zij hebben de auto op straat neergezet, zijn uitgestapt, maar konden niet meer bij [slachtoffer] komen.

39. De verdediging heeft gesteld dat de vrienden van [slachtoffer] zo’n 5 minuten van het plein weg zijn geweest.

Het is mogelijk dat zij toen het wapen van [slachtoffer], dat zij tevoren toen zij waren uitgestapt op het plein hadden aangetroffen, hebben weggemaakt.

Naar het oordeel van het hof bevat het dossier nauwelijks steun voor de stelling dat de vrienden van Slachtoffer zo’n 5 minuten van het plein zijn weggeweest.

40. [ getuige 1] heeft verklaard (25-4-2011) dat zij zijn weggereden totdat zij politie zagen.

[getuige 3] heeft verklaard (25-4-2001) dat [getuige 1] de auto half om het plein reed en de auto keerde.

[buurtbewoner A] heeft verklaard (25-4-2011) dat hij een auto voor De Spar heeft zien stoppen en dat er 3 mannen uitstapten.

De auto kwam uit de richting van de Juliana van Stolberglaan. [buurtbewoner A] heeft niets verklaard over het daaraan voorafgaande vertrek van de auto. Bij de rechter-commissaris (10-1-2012) heeft hij wel verklaard over een auto die weggereden was, maar hij wist niet wanneer dat was en ook niet of het dezelfde auto was.

[buurtbewoner D] heeft eerst bij de rechter-commissaris (17-1-2013) verklaard dat zij, toen de politie er nog niet was, een auto bij De Spar heeft zien wegrijden in de richting van de Schenkkade. De auto reed over de Juliana van Stolberglaan.

[buurtbewoner C] heeft verklaard (25-4-2011) dat een Audi bij De Spar stopte, dat er 3 jongens uitstapten die in de richting van het plein liepen en die daarna weer instapten en wegreden in de richting van de Juliana van Stolberglaan. Daar draaiden zij de auto, parkeerden de auto weer bij De Spar, stapten uit en liepen naar [slachtoffer] op de grond. Bij de rechter-commissaris (10-1-2012) heeft [buurtbewoner C] verklaard dat de auto over de Juliana van Stolberglaan is weggereden uit het zicht van de getuige en pas na een minuut of 3 terugkwam.

[vriendin] heeft verklaard (27-4-2011) dat zij, toen zij bij [slachtoffer] op het plein zat, plotseling de Audi achter haar bij De Spar zag staan met de neus in tegengestelde richting.

41. Uit het voorgaande leidt het hof af dat de vrienden eerst bij De Spar zijn gestopt, zijn uitgestapt en daarna weer zijn ingestapt en weggereden. Zij hebben de auto gekeerd. Mogelijk was dat op de Juliana van Stolberglaan. Daarna zij zij teruggekomen naar de plek bij De Spar, alwaar zij de auto hebben neergezet en zijn uitgestapt. De tijd tussen het wegrijden van De Spar en daar weer terugkeren is naar het oordeel van het hof kort geweest, geen minuut of 5. De tweede verklaring van [buurtbewoner C] op dit punt acht het hof niet geloofwaardig gelet op zijn andersluidende, kort na het gebeuren afgelegde, eerdere verklaring.

42. Geen van de getuigen heeft verklaard dat iemand iets heeft opgeraapt of meegenomen. [vriendin] heeft bij de rechter-commissaris verklaard (10-1-2012) dat er niets is weggenomen van de plaats waar [slachtoffer] lag. Daarna heeft zij bij de rechter-commissaris verklaard (22-5-2013) dat zij niet weet of de vrienden van [slachtoffer] iets hebben gepakt, dat ze daar niet op gelet heeft. In de beide verklaringen bij de rechter-commissaris heeft [vriendin] gezegd dat zij geen wapen bij [slachtoffer] gezien heeft.

[vriendin] heeft verklaard (10-1-2012) dat zij zelfs nog nooit een vuurwapen bij [slachtoffer] gezien heeft.

43. Naar het oordeel van het hof maakt het bovenstaande het weliswaar niet onmogelijk dat de vrienden van [slachtoffer] een wapen hebben weggemaakt, maar dat betekent nog niet dat daarvan moet worden uitgegaan. Integendeel, er is in het dossier geen enkele reële en concrete aanwijzing te vinden dat het door de verdediging geopperde scenario zich daadwerkelijk heeft voorgedaan.

44 Conclusie ten aanzien van het beroep op noodweer

Gelet op al het bovenstaande is het hof van oordeel dat er voorafgaande aan het schieten door de verdachte geen aanval van [slachtoffer] in zijn richting is geweest. Er was dus geen sprake van een situatie die verdediging noodzakelijk maakte. Het beroep op noodweer wordt dan ook verworpen.

45 Het beroep op putatief noodweer.

Op grond van al het bovenstaande stelt het hof tevens vast, dat [slachtoffer] geen handelingen heeft verricht die de verdachte (bij vergissing) zou kunnen hebben opgevat als een aanval of een komende aanval. Tevens is niet gebleken van andere omstandigheden die bij de verdachte de verwachting konden opwekken dat een aanval van [slachtoffer] plaatsvond of zou gaan plaatsvinden.

De verdediging heeft gewezen op een aantal omstandigheden die, ingeval ervan wordt uitgegaan dat [slachtoffer] geen vuurwapen ter hand heeft genomen, maken dat de verdachte in de veronderstelling was en dat ook kon of mocht zijn dat dat wel het geval was: het tijdstip vroeg in de ochtend, de heftigheid van het tumult, de gezondheidstoestand en de leeftijd van de verdachte.

Naar het oordeel van het hof is de invloed van deze omstandigheden op de gestelde onjuiste inschatting van de verdachte over de aanwezigheid van een vuurwapen bij [slachtoffer] dermate speculatief dat van die invloed niet kan worden uitgegaan. Die omstandigheden leveren ook geen mate van twijfel op die ten voordele van de verdachte zou kunnen of moeten worden uitgelegd. Dit geldt ook voor andere door de verdediging genoemde omstandigheden zoals een geruime tijd voordien gedane melding over een wapen bij [slachtoffer] (onderzoek daarnaar heeft niets opgeleverd) en de mededeling van de verdachte dat [slachtoffer] hem eens een wapen heeft laten zien (vindt geen bevestiging in het dossier). Zo wijst het hof op de verklaring van [vriendin], de vriendin van [slachtoffer], dat zij nog nooit een vuurwapen bij [slachtoffer] heeft gezien. Ook overigens biedt het dossier geen enkel aanknopingspunt voor de (veronder)stelling dat [slachtoffer] zich bezig hield met wapens.

Gelet op het bovenstaande wordt ook het beroep op putatief noodweer verworpen.

Feit 2.

46. Bij de aanhouding van de verdachte is in de binnenzak van zijn jas een vuurwapen (revolver) aangetroffen. In de trommel van de revolver waren 4 patronen en 2 hulzen aanwezig, alle van het kaliber .22 Long Rifle. 28

Door een deskundige is vastgesteld dat het wapen een revolver betreft van het merk Röhm, type RG 24, kaliber .22 Long Rifle met als serienummer 134250. Dit wapen is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3e , gelet op artikel 2 lid 1, categorie III sub 1 van de Wet wapens en munitie. Het voorhanden hebben hiervan is strafbaar gesteld in artikel 26 lid 1 in verband met artikel 55 lid 3 onder a van de Wet wapens en munitie. 29

Voorts is door een deskundige vastgesteld dat de aangetroffen patronen randvuurpatronen betreffen van het merk Winchester kaliber .22 Long Rifle. De patronen zijn munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lis 2 categorie III van de Wet wapens en munitie. Het voorhanden hebben van dergelijke munitie is strafbaar gesteld in artikel 26 lid 1 in verband met artikel 55 lid 1 van de Wet wapens en munitie. 30

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

het onder 1 impliciet subsidiair en 2 bewezen verklaarde levert op:

1 impliciet subsidiair: doodslag;

2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair (moord) en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren met aftrek van voorarrest, en beslissing omtrent de inbeslaggenomen voorwerpen overeenkomstig het vonnis van de rechtbank.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft op 25 april 2011 met een geladen vuurwapen op [slachtoffer] geschoten met als gevolg dat deze daaraan is overleden. Door aldus te handelen heeft de verdachte de dood veroorzaakt van een jonge man die midden in het leven stond. De verdachte heeft door zijn handelen de familie en vrienden van het slachtoffer onbeschrijflijk leed aangedaan. Dat is ook gebleken uit de ter terechtzitting in hoger beroep door de moeder van het slachtoffer voorgelezen slachtofferverklaring. Het is een feit van algemene bekendheid dat nabestaanden van een dergelijk ernstig feit hier nog lange tijd, zo niet de rest van hun leven, lichamelijke en psychische klachten van kunnen ondervinden.

Een feit als dit draagt tevens een voor de rechtsorde in zijn algemeenheid zeer schokkend karakter en brengt ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer gevoelens van angst en onveiligheid teweeg, te meer aangezien de verdachte de schoten heeft gelost op de openbare weg.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof acht geslagen op:

- een Pro Justitia rapport van het psychiatrisch

onderzoek, d.d. 15 december 2011, opgesteld door A. Neven onder supervisie van B.E.A. van der Hoorn;

- een Pro Justitia rapport van het psychologisch

onderzoek, d.d. 5 januari 2012, opgesteld door drs. M.C. Hoogerwerf.

Uit de rapportages komt naar voren dat de verdachte

nooit onder behandeling is geweest van een psychiater of psycholoog. Wel kreeg de verdachte jarenlang zo nodig rustgevende medicatie voorgeschreven en werden er enkele maanden antidepressiva voorgeschreven na een periode van overbelasting op het werk van de verdachte. Ten tijde van het onderzoek zijn er symptomen geconstateerd van een aanpassingsstoornis met depressieve stemming, waarbij depressieve gevoelens, emotionele labiliteit en gevoelens van hopeloosheid de belangrijkste uitingen zijn. Deze aanpassingsstoornis moet gezien worden als reactie op de gebeurtenissen en de detentiesituatie en was niet aanwezig ten tijde van het ten laste gelegde.

De deskundigen komen unaniem tot de conclusie dat de verdachte niet lijdt aan en ziekelijke of psychiatrische stoornis of en gebrekkige ontwikkeling van de geest-vermogens, ook niet ten tijde van het bewezen verklaarde feit, en menen dat hij derhalve als volledig toereke-ningsvatbaar dient te worden beschouwd. Net als de rechtbank neemt het hof die conclusie over.

In het voordeel van de verdachte heeft het hof bij de op te leggen straf rekening gehouden met de omstandigheid dat uit het de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 10 oktober 2013 blijkt dat de verdachte al lange tijd niet met politie en justitie in aanraking is gekomen, alsmede met de leeftijd en de gezondheids-toestand van de verdachte.

Alles overwegende is het hof van oordeel dat op het bewezen verklaarde feit niet anders kan worden gereageerd dan met een langdurige, geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur.

Beslag

De na te melden in beslag genomen en nog niet terugge-geven voorwerpen, zoals deze onder de nummers 6, 7, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 18, 21, 23, 24 en 25 vermeld zijn op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen dienen te worden onttrokken aan het verkeer.

Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien deze voorwerpen kunnen worden beschouwd als een gezamenljkheid van voorwerpen, welke voorwerpen aan de dader of de verdachte toebehoren en bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten, dan wel de feiten waarvan hij wordt verdacht, is aangetroffen, terwijl de voorwerpen kunnen dienen tot het

begaan of de voorbereiding van soortgelijke feiten dan wel tot de belemmering van de opsporing daarvan en op grond waarvan gezegd kan worden dat die gezamenlijkheid van zodanige aard is, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft mr. J.C. Spigt zich namens N. slachtoffer als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van

€ 13.291,50.

In hoger beroep is de vordering van de benadeelde partij beperkt tot een bedrag van € 7.523,74 ter zake van materiële schade (grafzerk en drank € 2.291,50 alsmede kosten van rechtsbijstand € 5.232,24).

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij tot een bedrag van € 2.291,50, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel, een en ander overeenkomstig het vonnis van de rechtbank.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens niet gemotiveerd betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij genoegzaam aangetoond, en is door de verdediging ook niet betwist, dat tot een bedrag van € 7.523,74 aan materiële schade is geleden. Deze schade is een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve tot dat bedrag worden toegewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer

N. slachtoffer

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van

€ 7.523,74 aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36f, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder

1. impliciet primair ten laste gelegde (moord) heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 impliciet subsidiair (doodslag) en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, zoals deze onder de nummers 6, 7, 11, 12, 13, 14, 15, 16, 18, 21, 23, 24 en 25 vermeld zijn op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen.

Vordering van de benadeelde partij N. slachtoffer

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij N. slachtoffer ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 7.523,74 (zevenduizend vijfhonderddrieentwintig euro en vierenzeventig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd N. slachtoffer, een bedrag te betalen van € 7.523,74 (zevenduizend vijfhonderddrieentwintig euro en vierenzeventig cent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 70 (zeventig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.P.C.M. Bruinsma,

L.F. Gerretsen-Visser en I.P.A. van Engelen,

in bijzijn van de griffier A. van der Schalk.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 31 oktober 2013.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt – tenzij anders vermeld – bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren. Omdat het dossier niet doorlopend genummerd is, zal het hof de bewijsmiddelen in het dossier aangeven door middel van rode stickers.

2 Proces-verbaal verhoor J. [getuige 1] 25-4-2011 pag. 3/6.

3 Proces-verbaal verhoor R. [getuige 3] 25-4-2011 pag. 3/5.

4 Proces-verbaal verhoor R. [getuige 3] 27-4-2011 pag. 2/6.

5 Proces-verbaal verhoor S.E.A.([vriendin]) 25-4-2011 pag.6/12 + 7/12.

6 Proces-verbaal verhoor S.E.A.([vriendin]) 27-4-2011 pag. 3/8.

7 Proces-verbaal verhoor S.E.A.([vriendin]) 10-1-2012 rechter-commissaris, sub 2.

8 Proces-verbaal verhoor S.E.A.([vriendin]) 22-5-2013 rechter-commissaris, sub 7.

9 Proces-verbaal verhoor S.E.A. (benadeelde partij) 25-4-2011 pag. 1/6 + 2/6.

10 Proces-verbaal verhoor S.E.A.([vriendin]) 25-4-2011 pag. 7/12 + 13/12.

11 Proces-verbaal verhoor S.E.A.([vriendin]) 10-1-2012 rechter-commissaris, sub 4.

12 Proces-verbaal verhoor S.E.A.([vriendin]) 22-5-2013 rechter-commissaris, sub 10.

13 Proces-verbaal verhoor S.E.A. (benadeelde partij) 25-4-2011 pag. 2/6.

14 Verdachte zitting rechtbank 9-3-2012, zittingsproces-verbaal pag. 6 + 7.

15 Proces-verbaal verhoor S.E.A.([vriendin]) 10-1-2012 rechter-commissaris, sub 6.

16 Proces-verbaal verhoor R. [getuige 3] 25-4-2011 pag. 4/5.

17 Proces-verbaal verhoor R. [getuige 3] 25-4-2011 pag. 3/5.

18 Proces-verbaal verhoor J. [getuige 1] 27-4-2011 pag. 3/5.

19 Proces-verbaal verhoor R. [getuige 3] 25-4-2011 pag. 4/5.

20 Proces-verbaal verhoor S.E.A.([vriendin]) 25-4-2011 pag. 7/12 + 8/12.

21 Proces-verbaal verhoor S.E.A.([vriendin]) 27-4-2011 pag. 4/8 + 5/8.

22 Proces-verbaal verhoor S.E.A.([vriendin]) 10-1-2012 rechter-commissaris, sub 7, 8, 9 + 11.

23 Proces-verbaal verhoor J. [getuige 1] 9-1-2012 rechter-commissaris, sub 13.

24 Proces-verbaal verhoor M. [buurtbewoner C] 25-4-2011 pag. 2/2.

25 Proces-verbaal verhoor S.E.A.([vriendin]) 25-4-2011 pag. 8/12.

26 Proces-verbaal verhoor S.E.A.([vriendin]) 27-4-2011 pag. 5/8.

27 Rapport Pathologie onderzoek d.d. 5-8-2011 drs. P.M.I. van Driessche (NFI).

28 Relaas proces-verbaal Forensisch onderzoek d.d. 13-11-2011, pag. 4/13

29 Proces-verbaal d.d. 26-4-2011 van verbalisant D.T. Ooms, beslagdossier pag. 168 e.v.

30 Proces-verbaal d.d. 28-4-2011 van verbalisant W.F. de Graaff, beslagdossier pag. 171 e.v.