Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:4027

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-09-2013
Datum publicatie
31-10-2013
Zaaknummer
200.112.333/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erfrecht. Verkoop en levering van onroerend goed door erflater aan erfgenaam voor te lage prijs. Bevoordeling. Artikel 4:1134 BW (oud).

Rechtsverwerking. Niet gebleken van een materiele schenking.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/489
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.112.333/01

Zaak- rolnummer rechtbank : 286439/HA ZA 07-1584

arrest van 17 september 2013

inzake

[de broer],

wonende te[woonplaats],

appellant, tevens voorwaardelijk geïntimeerde,

hierna te noemen: de broer,

advocaat: mr. P.A. van Hecke te Rotterdam,

tegen

[de zuster],

wonende te[woonplaats],

geïntimeerde, tevens voorwaardelijk appellante,

hierna te noemen: de zuster,

advocaat: mr. M.L.A. Verleun te Mijdrecht.

Het geding

Bij exploot van 17 augustus 2012 is de broer in hoger beroep gekomen van het vonnis door de rechtbank Rotterdam op 13 juni 2012 tussen de broer als eiser in conventie en gedaagde in reconventie en de zuster als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie gewezen, hierna: het bestreden vonnis.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het tussenvonnis van 7 april 2010 en het bestreden vonnis heeft vermeld.

Bij memorie van grieven heeft de broer twee grieven aangevoerd.

Bij memorie van antwoord heeft de zuster de grieven bestreden. Tevens heeft zij voorwaardelijk incidenteel appel ingesteld.

De partijen hebben hun procesdossiers aan het hof overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

Algemeen

1.

Voor zover tegen de feiten in het voormelde tussenvonnis geen grief is gericht, gaat het hof uit van de door de rechtbank in dit vonnis vastgestelde feiten.

2.

Tevens stelt het hof vast dat de zuster op 5 juli 1979 respectievelijk 27 december 1995

  • -

    de voormalige hofstede “[naam]” met erf en tuin aan de [adres oud], thans[adres A] (hierna: [adres A]) en

  • -

    de gehele boerderij met erf, ondergrond, wei- en bouwland, alles staande en gelegen aan de [adres B] (hierna: [adres B])

van de erflater, de vader van partijen, in eigendom onder bezwarende titel heeft verkregen. De koopprijs van de[adres B] bedroeg NGL 205.900,- (€ 93.433,35) en die van de [adres A] NGL 12.000,- (€ 5.445,36).

3.

Door de broer wordt in zijn memorie van grieven gevorderd dat het het hof moge behagen te beslissen overeenkomstig de eis in de appeldagvaarding.

In de appeldagvaarding vordert de broer dat het het hof moge behagen te vernietigen het bestreden vonnis, het hof begrijpt: voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en opnieuw rechtdoende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van de broer toe te wijzen met veroordeling van de zuster in de (na)kosten van beide instanties.

4.

De zuster concludeert tot verwerping van de grieven en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis, althans voorwaardelijk tot verwerping van de grieven en tot bekrachtiging van het bestreden vonnis en tot toewijzing van de vordering in reconventie. Met veroordeling van de broer in de kosten van de procedure in beide instanties, alsmede het verzoek het in dezen te wijzen arrest uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Omvang van het geschil

5.

Gelet op de door de man geformuleerde grieven verstaat het hof dat de rechtsstrijd in hoger beroep zich beperkt tot de kwestie of de zuster - zoals de broer stelt - de [adres A] en de [adres B] destijds voor een te lage prijs van de erflater heeft gekocht en geleverd gekregen, zodat op grond van artikel 4:1134 BW (oud) een bedrag gelijk aan het beloop van de bevoordeling in de nalatenschap van de erflater moet worden ingebracht, waarbij als peildatum voor de omvang van de in te brengen gift (destijds materiële schenking) heeft te gelden het tijdstip van de bevoordeling, te weten de verkoop van de onroerende zaken aan de zuster.

Rechtsverwerking

6.

Met zijn eerste grief richt de broer zich tegen het oordeel van de rechtbank dat hij zijn recht met betrekking tot zijn vordering tot inbreng zou hebben verwerkt, mede gezien de bijzondere omstandigheid dat de door de rechtbank benoemde deskundigen hebben laten weten dat het voor hen onmogelijk is gebleken de waarde van de onroerende zaken te bepalen op een datum in het verleden, zodat de omvang van “de benadeling” niet meer kan worden vastgesteld.

7.

De broer stelt dat de rechtbank de criteria van het leerstuk rechtsverwerking in casu verkeerd heeft toegepast, dan wel haar oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd, terwijl aan de motiveringsplicht van de rechter in dezen juist hoge eisen worden gesteld.

8.

De zuster is van mening dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het feit dat de gestelde benadeling niet kan worden vastgesteld, als een bijzondere omstandigheid in het licht van de rechtsverwerking dient te worden beschouwd.

9.

Het hof overweegt als volgt. Van rechtsverwerking kan slechts sprake zijn indien de schuldeiser zich heeft gedragen op een wijze die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onverenigbaar is met het vervolgens geldend maken van het betrokken recht. Enkel tijdsverloop dan wel louter stilzitten van de schuldeiser is op zichzelf niet voldoende om rechtsverwerking aan te nemen. Voor rechtsverwerking is vereist de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waardoor hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard ingeval de schuldeiser zijn aanspraak alsnog geldend zou maken.

10.

Het hof is van oordeel dat op basis van de in de stukken gestelde feiten en omstandigheden geen sprake is van rechtsverwerking. De stelling van de zuster dat het gaat om transacties die in een ver verleden hebben plaatsgevonden en dat van de broer verwacht had mogen worden dat hij ten tijde van het aangaan van deze transacties al kenbaar zou hebben gemaakt dat hij zich rechten voorbehield, gaat alleen daarom al niet op, omdat de broer zijn recht op inbreng pas geldend kon maken na het overlijden van de erflater. De zuster weerspreekt in hoger beroep niet dat de broer kort na het overlijden van de erflater in het kader van de verdeling van de nalatenschap zijn rechtsbijstandsverzekering heeft ingeschakeld en dat vervolgens een correspondentie is ontstaan tussen de rechtsbijstandsverzekeraar, de notaris en de belangenbehartiger van de zuster waarin ook de gestelde te lage verkoopwaarde van de onroerende zaken aan de orde is gekomen. In zoverre had de zuster rekening kunnen houden met een eventuele aanspraak van de broer op inbreng in de nalatenschap van de erflater ter zake van de door haar van de erflater verkregen onroerende zaken.

11.

Voor zover het eerst in 2007 door de broer daadwerkelijk aanhangig maken van de zaak bij de rechtbank kan worden beschouwd als “stilzitten”, overweegt het hof als volgt. Niet valt in te zien hoe de door de rechtbank vastgestelde en als bijzondere omstandigheid aangemerkte omstandigheid dat de omvang van de benadeling van de broer niet meer kan worden vastgesteld, bij de zuster het gerechtvaardigd vertrouwen kan hebben gewekt dat de broer zijn aanspraak niet meer geldend zou maken. Evenmin valt in te zien waarom de positie van de zuster door deze omstandigheid onredelijk is benadeeld of verzwaard door het geldend maken van de aanspraak van de broer. Haar stelling dat zij er geen rekening mee behoefde te houden dat de broer de transacties nog eens aan de orde zou stellen, treft geen doel. De grondslag van de inbrengregeling onder het oude recht was immers de door de wet veronderstelde wil van de erflater zijn erfgenamen gelijk te behandelen. Eerst bij het overlijden van de erflater kon pas aan de hand van diens testament worden vastgesteld of er daadwerkelijk een inbrengplicht zou zijn (al of niet vrijstelling van inbreng). De schenking werd als een voorschot op het erfdeel beschouwd. Pas bij het overlijden van de erflater bleek definitief de inbrengplicht van de zuster en daarmee de inbrengvordering van de broer. Ook de stelling van de zuster dat zij doordat taxatie van de onroerende zaken volgens de deskundigen niet mogelijk is gebleken in een verzwakte procespositie is geraakt, gaat naar het oordeel van het hof niet op. Immers, de uitkomst van deze taxatie was voor de stellingen van de broer evenzeer van belang.

12.

Dit alles leidt tot de conclusie dat de eerste grief van de broer slaagt.

Materiële schenking

13.

Nu de broer zijn mogelijke recht op inbreng niet heeft verwerkt, dient het hof thans te beoordelen of de verkrijging door de zuster van de [adres A] en de [adres B] is aan te merken als een voor inbreng vatbare materiële schenking.

14.

Ter onderbouwing van zijn stelling dat ter zake van de [adres A] en de [adres B] sprake is geweest van een materiële schenking heeft de broer in eerste aanleg twee taxatierapporten overgelegd. Volgens de eerste taxatie bedraagt de waarde van de [adres A] per peildatum € 90.000,-. In het tweede taxatierapport wordt de [adres B] - met inachtneming van het recht van gebruik en bewoning van de ouders van partijen - per peildatum op € 200.000,- gewaardeerd. Gelet op deze waarden heeft de zuster volgens de broer destijds te weinig voor het onroerend goed betaald. De broer betwist dat de woning behorende bij de[adres A] destijds onbewoonbaar was. Daarnaast was de bijbehorende grond volgens hem al meer waard dan de door de zuster betaalde koopprijs.

15.

De zuster heeft in eerste aanleg beide taxatierapporten van de broer betwist en gesteld dat zij destijds aan de erflater reële koopprijzen heeft betaald. Ter zake de waarde van de[adres B] verwijst zij naar het door haar overgelegde taxatierapport dat aan de verkooptransactie ten grondslag heeft gelegen en waarin rekening is gehouden met het recht van gebruik en bewoning van de ouders van partijen, alsmede met het door de zuster voortgezette agrarische gebruik van het onroerend goed. De zuster betwist dat de erflater in dezen heeft gehandeld met de bedoeling haar te bevoordelen. Inzake de [adres A] stelt de zuster dat de transactie met de erflater destijds is aangegaan onder een gebruiksbeperkende bepaling, alsmede dat het perceel destijds is gekocht met daarop een vervallen, onbewoonbare woning. De zuster wijst er ten slotte op dat beide transacties door de belastingdienst zijn geaccepteerd, zodat moet worden aangenomen dat het om economisch verantwoorde transacties gaat.

[adres B]

16.

Het hof overweegt als volgt. In de onderhavige zaak heeft de zuster bij akte verleden op 27 december 1995 de [adres B] verkregen van de erflater. Vaststaat dat bij de levering van het onroerend goed een beperkt recht van gebruik en bewoning is gevestigd ten behoeve van de ouders van partijen. Tevens staat als onweersproken vast dat het de bedoeling was dat de zuster het veehoudersbedrijf van de erflater zou voortzetten en dat zij dit ook daadwerkelijk heeft gedaan.

17.

In zijn arrest van 13 februari 2004 (NJ 2004, 653) heeft de Hoge Raad uitgemaakt dat in beginsel geen sprake is van schenking indien om een lonende exploitatie van de onderneming mogelijk te maken, de overdrachtsprijs wordt vastgesteld op de lagere agrarische waarde in plaats van de (hogere) waarde in het economisch verkeer. De overdrachtsprijs van de[adres B] is gebaseerd op een taxatierapport mede ondertekend door een rijkstaxateur waarin wordt uitgegaan van de agrarische waarde. Nu de broer de hoogte van de vastgestelde agrarische waarde niet heeft weersproken en tevens niet heeft weersproken dat voormelde transactie tussen de erflater en de zuster heeft plaatsgevonden ten behoeve van de opvolging door de zuster in het veehoudersbedrijf van vader, is het hof - mede gelet op de waardedrukkende factor van het daarbij verleende recht van gebruik en bewoning - van oordeel dat ter zake van de [adres B] van een materiële schenking niet is gebleken. Inbreng in de nalatenschap van de erflater is derhalve niet aan de orde. Dat de zuster eind 2009 ruim vier hectare grasland behorende bij het bedrijf aan een projectontwikkelaar heeft verkocht, kan daaraan niet afdoen aangezien de zuster het bedrijf toen al gedurende geruime tijd had voortgezet.

[adres A]

18.

Ten aanzien van de [adres A] overweegt het hof als volgt. De zuster heeft het desbetreffende door de broer in het geding gebrachte taxatierapport uit 2003 betwist om reden dat de taxateur de objecten niet heeft bezocht en geen kadastrale recherche heeft gepleegd. Het hof is met de zuster van oordeel dat de later toegezonden verklaring van de taxateur van 12 mei 2005 geen nadere aanknopingspunten biedt omdat niet duidelijk wordt waarom het daarin door de taxateur opgevoerde object met name wat de woning betreft vergelijkbaar zou zijn met de [adres A]. Gelet op de gemotiveerde betwisting door de zuster, zoals ook weergegeven onder overweging 15, is het hof van oordeel dat de broer zijn stellingen omtrent de [adres A] onvoldoende heeft onderbouwd. Nu de broer in hoger beroep ter zake geen specifiek maar slechts een algemeen bewijsaanbod heeft gedaan, moet het ervoor worden gehouden dat ook wat betreft de verkrijging door de zuster van de [adres A] niet gebleken is van een materiële schenking, zodat de zuster ter zake niet gehouden is tot inbreng in de nalatenschap van de erflater.

19.

Het hof gaat ten slotte voorbij aan de tweede, tevens laatste grief van de broer samengevat inhoudende dat de rechtbank een nieuwe deskundige had moeten benoemen om de waarde van de onroerende zaken per peildatum vast te stellen, nu de broer - gelet op het hiervoor overwogene - geen belang meer heeft bij deze grief.

Conclusie

20.

Het bovenstaande brengt mee dat het bestreden vonnis - zij het op andere gronden - moet worden bekrachtigd voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen. Gelet hierop behoeft het voorwaardelijk incidenteel appel van de zuster geen verdere bespreking.

21.

Nu partijen in een familierechtelijke betrekking tot elkaar staan, zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het hof ziet om diezelfde reden geen aanleiding omtrent de proceskosten in eerste aanleg anders te beslissen dan de rechtbank heeft gedaan en zal de desbetreffende vorderingen van partijen afwijzen.

22.

Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis in conventie en reconventie op 13 juni 2012 door de rechtbank Rotterdam tussen de partijen gewezen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen in hoger beroep meer of anders gevorderd is.

Dit arrest is gewezen door mrs. Labohm, Van Kempen en Stollenwerck en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 september 2013 in aanwezigheid van de griffier.