Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:3942

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
18-09-2013
Datum publicatie
25-11-2013
Zaaknummer
200.132.621-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing minderjarige, enkele maanden oud.

Beeindiging van de uithuisplaatsing: niet langer noodzakelijk, hechtingsbelang minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 18 september 2013

Zaaknummer : 200.132.621/01

Rekestnummers rechtbank : JE RK 13-1674, JE RK 13-1668 en JE RK 13-1669

Zaaknummers rechtbank : C/10/425547, C/10/425471 en C/10/425473

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. T. de Deugd te Haarlem,

tegen

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1) [naam 1],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. S. Kandemir te Dordrecht;

2) de Stichting Bureau Jeugdzorg te Rotterdam,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 28 augustus 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van
2 augustus 2013 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

Jeugdzorg heeft op 13 september 2013 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof is voorts van de zijde van de vader op 4 september 2013 een brief van
2 september 2013 met bijlagen ingekomen.

De zaak is op 18 september 2013 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en mevrouw M.A. van der Klei, tolk in de Engelse taal;

- de moeder, bijgestaan door mr. M. Erik, kantoorgenoot van mr. Kandemir, en eveneens door mevrouw M.A. van der Klei, tolk in de Engelse taal;

- namens de raad mevrouw L. van der Veen;

- namens Jeugdzorg mevrouw E. Lekkerkerk en de heer H.J. Klaibeda.

De advocaat van de vader heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Op [geboortedatum] 2013 is [naam 2] te [geboorteplaats] geboren, hierna te noemen: de minderjarige. Op 23 januari 2013 is een akte van erkenning van de minderjarige door de vader opgemaakt, waarbij tevens is vastgelegd dat voor de (dan nog ongeboren) minderjarige voor de geslachtsnaam ‘[naam 3]’ is gekozen. Met ingang van 7 juni 2013 oefenen de vader en de moeder gezamenlijk het gezag uit over de minderjarige.

Bij beschikking van 17 mei 2013 is de toen nog ongeboren minderjarige voorlopig onder toezicht gesteld voor de duur van drie maanden.

Bij beschikking van 21 mei 2013 is een machtiging verleend tot plaatsing van de minderjarige in een vorm van pleegzorg voor de duur van vier weken.

Bij beschikking van 29 mei 2013 is de machtiging verlengd tot 17 augustus 2013.

Bij de bestreden beschikking heeft de kinderrechter de minderjarige onder toezicht gesteld voor de duur van één jaar met benoeming van Jeugdzorg tot stichting in de zin van de Wet op de jeugdzorg. Voorts is de machtiging tot plaatsing van de minderjarige in een vorm van pleegzorg verlengd voor de periode van 17 augustus 2013 tot 17 november 2013. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1.

In geschil is de uithuisplaatsing van de minderjarige voor de periode van 17 augustus 2013 tot 17 november 2013 in een vorm van pleegzorg.

2.

De vader verzoekt het hof om, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het verzoek van de raad tot verlenging van de uithuisplaatsing alsnog af te wijzen. Indien het hof van oordeel is dat de machtiging dient te worden verlengd, verzoekt de vader het hof te bepalen dat de machtiging niet langer zal duren dan twee maanden en te bepalen dat direct gestart wordt met een proefplaatsing bij de moeder zoals geadviseerd door het FACT en dat de raad binnen die termijn van twee maanden een gedegen onderzoek verricht naar de mogelijkheden van plaatsing van de minderjarige bij de moeder, dan wel in haar netwerk, en van plaatsing bij de vader, dan wel diens netwerk, dan wel een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie juist acht.

3.

De vader is van mening dat, nu de rechtbank bij beschikking van 29 mei 2013 een machtiging heeft afgegeven voor de minderjarige [naam 1], en niet voor de minderjarige [naam 3], de minderjarige zonder recht of titel in een pleeggezin heeft verbleven. Er kan dan ook geen sprake zijn van een verlenging van de machtiging, nu er niet eerder een machtiging is afgegeven voor de minderjarige met haar correcte naam. De onzekere verblijfsstatus van de moeder is geen reden om de minderjarige van de moeder te scheiden, integendeel. Als de moeder de minderjarige dagelijks zou verzorgen, zou dit ten goede komen aan een verblijfsstatus voor de moeder. Niet gebleken is dat de moeder niet over pedagogische capaciteiten zou beschikken. Ook is er al tijden geen sprake van psychotisch gedrag en is de moeder sinds juni 2013 vrij van medicatie. Er is geen gedegen onderzoek verricht naar de moeder, terwijl wel allerlei conclusies worden getrokken. Door de uithuisplaatsing kan de minderjarige zich in haar cruciale levensfase niet hechten aan haar ouders. Een uurtje per twee weken contact is daartoe onvoldoende. Bovendien zijn de pleegouders een maand met vakantie gegaan. Ten onrechte is een gedegen netwerkonderzoek achterwege gelaten.

4.

Jeugdzorg verzoekt het hof om het verzoek van de vader af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, gelet op de bedreigde ontwikkeling van de minderjarige. De moeder heeft gedurende haar zwangerschap verergerde psychiatrische klachten gehad en was niet bij machte zorg te dragen voor de minderjarige. De moeder woont in de vrouwenopvang van het Leger Des Heils “[locatie]” en krijgt daar als slachtoffer van mensenhandel praktische en juridische ondersteuning. Zij is verwikkeld in een gerechtelijke procedure tegen uitzetting. Sinds eind augustus 2013 is een aanvang gemaakt met het Uitwijktraject door Flexus Jeugdplein met als doel een terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder te bewerkstelligen binnen een periode van drie maanden. Het Uitwijktraject zal Jeugdzorg adviseren of een terugplaatsing mogelijk is. Uit het behandelplan van Bavo-Europort FACT blijkt dat nadere diagnostiek nodig is met betrekking tot de psychiatrische problematiek van de moeder. Het feit dat zij gestopt is met haar medicatiegebruik zonder voorafgaand overleg met haar behandelend psychiater is onverantwoord, gelet op de diagnose Chronisch Recidiverende Psychose. Er is geen zicht geweest op enige betrokkenheid van de vader bij de zwangerschap van de moeder en ook nu is de rol van de vader en zijn relatie met de moeder onduidelijk.

5.

Volgens de moeder is er geen noodzaak voor een uithuisplaatsing. Zij is stabiel, krijgt veel steun van de vader en wil haar dochtertje heel graag bij zich hebben. De moeder wil graag zelf voor de minderjarige zorgen, zodat zij haar moederliefde en borstvoeding kan geven en de minderjarige zich zal kunnen hechten aan de moeder. De moeder verzet zich niet tegen de ondertoezichtstelling en staat open voor iedere vorm van hulpverlening.

6.

De raad stelt dat een eventuele thuisplaatsing bij de moeder uiterst zorgvuldig moet worden verricht, gelet op de zeer jeugdige leeftijd van de minderjarige. Een eventueel mislukken van de terugplaatsing zal immers zeer schadelijk zijn voor de minderjarige. De langzame opbouw van de contactmomenten van de moeder en de minderjarige geven de gelegenheid om de draagkracht van de moeder te toetsen.

7.

Het hof overweegt als volgt. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de moeder een traumatisch verleden heeft en dat zij gedurende de zwangerschap en rond de bevalling van de minderjarige psychiatrische problematiek vertoonde. Gelet op de geestestoestand van de moeder ten tijde van de geboorte van de minderjarige was een uithuisplaatsing van de minderjarige dringend en onverwijld noodzakelijk om in de basale zorg van de minderjarige te voorzien. Naar het oordeel van het hof is de machtiging uithuisplaatsing destijds dan ook terecht verleend. Het feit dat de geslachtsnaam van de minderjarige in de beschikking van 29 mei 2013 foutief vermeld is, maakt niet dat de beschikking daardoor niet rechtsgeldig zou zijn. Duidelijk is immers – voor alle betrokkenen in de procedure – dat het om deze minderjarige gaat.

8.

Er is sprake van een zeer positieve ontwikkeling met betrekking tot de toestand van de moeder. Zij neemt geen medicatie meer, is al maanden stabiel en vertoont geen gedrag zoals zij dit ten tijde van en voor de geboorte van de minderjarige vertoonde. Alle betrokkenen zijn van mening dat het goed gaat met de moeder. Zij beschikt inmiddels over een verblijfsvergunning, ontvangt een uitkering en weet zich gesteund door de vader en de medewerkers en -bewoners van “[locatie]”. Jeugdzorg heeft dan ook een verkort Uitwijktraject in gang gezet, waarbij binnen drie maanden wordt gestreefd naar terugplaatsing van de minderjarige bij de moeder. De contactmomenten die de moeder in dat kader met de minderjarige heeft, verlopen positief: de moeder is liefdevol, zorgzaam en speelt adequaat in op de behoeften van de minderjarige.

9.

De minderjarige is vier maanden oud en bevindt zich in een cruciale (hechtings)fase van haar leven. Het is dan ook van essentieel belang dat zij zo spoedig mogelijk wordt herenigd met haar moeder, zodat het hechtingsproces tussen beiden op gang kan komen. Naar het oordeel van het hof hebben Jeugdzorg en de raad onvoldoende gesteld om de uithuisplaatsing thans nog te rechtvaardigen. Ook is nagelaten om in al die maanden dat de minderjarige uit huis geplaatst was een netwerkonderzoek te doen. Het feit dat daartoe thans opdracht is gegeven door Jeugdzorg aan het ‘Uitwijktraject’, acht het hof geen reden om de uithuisplaatsing te laten voortduren. Reeds nu zijn er immers geen gronden meer voor een voortduren van de machtiging tot uithuisplaatsing. Niet kan worden gezegd dat bij een opheffing van de machtiging tot uithuisplaatsing de minderjarige zodanig zal opgroeien dat haar zedelijke of geestelijke belangen of haar gezondheid ernstig zullen worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging zullen falen. In het kader van de ondertoezichtstelling van de minderjarige kan verder worden toegezien op de zorg door de moeder en de veiligheid van de minderjarige. Het hof is dan ook van oordeel dat de duur van de verlenging van de machtiging uithuisplaatsing dient te worden bekort tot 25 september 2013 en zal dienovereenkomstig beslissen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor wat betreft de daarbij bepaalde duur van de machtiging tot uithuisplaatsing van de minderjarige [naam 2], geboren op [geboortedatum] 2013 te [geboorteplaats] en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de termijn van de machtiging tot uithuisplaatsing eindigt op 25 september 2013;

verklaart deze beschikking in zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van den Wildenberg, Mink en Van Montfoort, bijgestaan door mr. Van Waning als griffier, mondeling uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 september 2013 en geminuteerd op 2 oktober 2013.