Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:3915

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
21-10-2013
Zaaknummer
BK-13/00001
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:BY7043, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting. Echtscheidingsconvenant. Alimentatie. In geschil is of het bedrag van € 521.629 ingevolge art. 6.1, tweede lid, onderdeel a in samenhang met art. 6.3, eerste lid, onderdelen a en b Wet IB 2001, als afkoopsom van alimentatieverplichting, in aftrek kan komen op belanghebbendes belastbaar inkomen uit werk en woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2306
V-N 2013/64.19.7
FutD 2013-2643
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-13/00001

Uitspraak d.d. 9 oktober 2013

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst Zuidwest, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 13 november 2012, nummer AWB 12/807, betreffende de hierna vermelde aanslag en beschikking.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van

€ 296.894 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.787. Daarbij is bij beschikking een bedrag van € 134 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Van belanghebbende is een griffierecht geheven van € 115. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 7 augustus 2013, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt.

Vaststaande feiten

Het Hof gaat in hoger beroep uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, opgenomen onder 1 tot en met 4 van haar uitspraak, waarbij de rechtbank belanghebbende als ”eiser” en de Inspecteur als ”verweerder” heeft aangeduid:

”1.  Eiser is in 1994 onder het maken van huwelijkse voorwaarden gehuwd met [Y] (hierna: [Y]). Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren. Eiser en [Y] zijn vanaf 1 januari 2005 duurzaam gescheiden gaan leven en op 20 april 2006 hebben zij een echtscheidingsconvenant (convenant) ondertekend. Op 30 juli 2008 heeft de Rechtbank Middelburg de echtscheiding uitgesproken. Het convenant bevat onder meer de volgende bepalingen:

“2  Partneralimentatie

2.1  Een bijdrage in de kosten van levensonderhoud

Met ingang van 1 mei 2006 betaalt de man aan de vrouw een alimentatie van € 5.000,= (bruto) per maand en komen alle lasten verbonden aan de voormalige echtelijke woning en alle (overige) kosten van haar levensonderhoud voor rekening van de vrouw, met uitzondering van de rente op de schuld onder hypothecair verband ad € 250.000,= met leningnummer [nummer 2], welke renteverplichting de man tot de datum van aflossing voor zijn rekening blijft nemen.

Deze bijdrage zal vooruit worden betaald, aldus dat deze bijdrage iedere eerste van de maand op de rekening van vrouw zal zijn bijgeschreven. Met ingang van 1 juli 2008 wordt de hiervoor genoemde bijdrage ad € 5.000,= (bruto) per maand verminderd tot € 4.500,= (bruto) per maand, welke bijdrage zal worden betaald tot 31 december 2010.

2.2  Partijen sluiten voor ieder jaar in de toekomst de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW uit.

De duur van de alimentatieverplichting

 2.3  Partijen zijn ervan op de hoogte dat de wettelijke alimentatietermijn op grond van de thans geldende wettelijke bepalingen (maximaal) twaalf jaar duurt, te rekenen vanaf de datum van ontbinding van het huwelijk. In afwijking hiervan komen partijen overeen dat de man maximaal gedurende een periode van vier jaar en acht maanden te rekenen vanaf 1 mei 2006 gehouden is tot betaling van enige onderhoudsbijdrage. Verlenging van de termijn voor de periode na 31 december 2010 is niet mogelijk, tenzij sprake is van een dermate ingrijpende wijziging van omstandigheden dat ongewijzigde handhaving van de termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van de onderhoudsgerechtigde kan worden gevergd (overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:401 lid 2 BW). Een verzoek tot verlenging dient te worden gedaan binnen drie maanden na afloop van de afgesproken duur.

3

De vermogensrechtelijke afwikkeling

3.1

Partijen gaan hierbij over tot de afwikkeling van de tussen hen geldende    huwelijkse voorwaarden.

3.2

Partijen komen overeen c.q. stellen vast dat ieder van hen gerechtigd is tot het vermogen dat ten huwelijk door ieder van hen is aangebracht en hetgeen door ieder van hen is verkregen door erfenis/schenking. Partijen komen verder overeen c.q. stellen vast dat ieder van hen verder gerechtigd is tot het (overige) vermogen op zijn, respectievelijk haar naam, met inachtneming van het navolgende.

3.3

De voormalig echtelijke woning te [Q], België, aan de [adres] wordt toegedeeld aan de vrouw, onder de verplichting voor haar om voor haar rekening te nemen en als persoonlijke schuld te voldoen de hypothecaire geldlening afgesloten bij de ABM-AMRO met leningnummer [nummer 1], pro resto groot € 226.742,38 per 1 april 2006, zulks onder de opschortende voorwaarde dat de man wordt ontslagen uit hoofdelijke aansprakelijkheid voor deze schuld onder hypothecair verband.

3.4

De man is gehouden om voor zijn rekening te nemen en als persoonlijke schuld te voldoen de hypothecaire geldlening afgesloten bij de AMB-AMRO met leningnummer [nummer 2], groot € 250.000,=. Uiterlijk op de datum van de notariële levering van de woning dient te man de schuld te hebben afgelost.

3.6

Partijen geven hierbij opdracht aan het notariskantoor (…) om, binnen een een maand na ondertekening van het onderhavige echtscheidingsconvenant een notariële akte te verlijden waarbij de [echtelijke woning] aan de vrouw wordt geleverd, en daarbij te constateren dat partijen ter zake van de verdeling niets meer van elkaar te vorderen hebben, over en weer kwijting hebben verleend en afstand hebben gedaan ontbinding van de overeenkomst te vorderen, welke notariële akte zal worden opgemaakt ten behoeve van de inschrijving in de openbare registers. (…)”

2.

De onder 3.3 van het convenant bedoelde voormalig echtelijke woning is bij notariële akte van 26 mei 2009 toebedeeld aan [Y]. De onder 3.4 van het convenant bedoelde schuld is afgelost in 2008.

3.

In zijn aangifte voor het jaar 2009 heeft eiser als persoonsgebonden aftrek onder meer een bedrag van € 58.383 wegens aan zijn ex-echtgenote betaalde alimentatie vermeld. Op 4 maart 2011 heeft eiser een aanvullende aangifte ingediend en als “Aanvullende alimentatie” een extra persoonsgebonden aftrek vermeld van € 521.629. Dit bedrag is als volgt samengesteld:

Waarde echtelijke woning (85% van de vraagprijs van € 1.200.000)

1.020.000

Af: eigenwoningschuld [Y]

226.742

eigenwoningschuld eiser

-

250.000

-

476.742

Overwaarde woning

543.258

Aandeel van eiser in de overwaarde

271.629

Bij: aflossing eigenwoningschuld eiser

-

250.000

521.629

4.

Bij het vaststellen van de aanslag heeft verweerder de extra persoongebonden aftrek van € 521.629 niet geaccepteerd en de aanslag opgelegd conform de eerste aangifte.”

3.2.

Voorts zijn in hoger beroep nog de volgende feiten als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, komen vast te staan:

3.2.1.

In de brief van 14 september 2005 heeft belanghebbende in het traject voorafgaand aan de vaststelling van het echtscheidingsconvenant (hierna: convenant) over de vermogensverdelingregeling het volgende geschreven:

” (…)

1.

Uitgangspunten

- we moeten het eens worden over het totale vermogen dat aanwezig is. Ik wil uitgaan van het overzicht dat ik in juni heb voorbereid en ingaat op de situatie per 1 januari 2005. Naar mijn weten is dat overzicht correct bevonden per die datum. Alle op- en aanmerkingen hebben tot op heden geen wezenlijke invloed op de cijfers. (Op elke datum zal het vermogen van beide partijen zijn toegenomen door algemene stijging van de aandelenmarkten en van de USD koers t.o.v. de Euro.) In het overzicht van juni is duidelijk aangegeven welke rekeningen en welke vermogensbestanddelen aan wie toebehoren. Volgens dit overzicht is het enig gezamenlijke vermogen het huis en de inboedel.

- Over de inboedel verdeling bestaat in principe overeenstemming (alhoewel we dit nog een keer moeten vastleggen. Kan ik doen n.a.v. ons laatste gesprek op 18.8.2005)

- Over het huis valt het volgende te zeggen. Het huis staat op beider naam (50/50).

Volgens [Y] (Hof: ex-echtgenote) is het Euro 800.000 waard (we kunnen dit gezamenlijk laten taxeren), er rust een schuld op het huis van Euro 480.000. Het netto eigen vermogen in het huis bedraagt Euro 320,000. In principe komt aan iedere partij dus Euro 160,000 toe. [X] (Hof: belanghebbende) heeft aangegeven het huis liever niet over te nemen of te bewonen. [X] is wel bereid om aan een overdacht van zijn deel in het huis aan [Y] te willen meewerken (maar wil daarbij dan uit zijn hypotheekverplichtingen worden ontslagen).

2.

Verdeling op basis van huwelijkse voorwaarden

- Ik heb geen precies overzicht over hoe een verdeling van de vermogens zal uitwerken als dit wordt gedaan volgens de huwelijkse voorwaarden. Echter een aantal dingen zullen min of meer worden uitgevoerd zoals onder 1 beschreven. Het gezamenlijke vermogen wordt dan (denk ik?) 50/50 verdeeld tenzij een van de partijen kan aantonen dat hij/zij meer dan 50% aan dit gezamenlijk vermogen heeft bijgedragen. Ik ben bereid tegen deze voorwaarden af te rekenen.

3.

Verdeling op basis van 50/50 vermogensdeling

- Ik ben bereid tot een 50/50 verdeling op basis van punt 1, echter wil geen discussies aangaan over wie wat in het verleden heeft betaald/bijgedragen, nog over hoe de vermogens tot stand zijn gekomen, welk deel schenkingen betreft, enz, enz..(Ik meen nl ook een groot aantal zaken te hebben betaald voor [Y] waartoe ik conform de huwelijkse voorwaarden overeenkomst niet toe verplicht was, enz, enz,

Mijn argumentatie kan ik nog wel uittypen over een aantal pagina’s maar dat levert niets op). Deze verdeling betekent in de praktijk dat ik ca Euro 125,000 aan [Y] zou betalen. Vervolgens zou ik dan mijn deel uit het huis krijgen (Euro 160,000 ofwel bij verkoop ofwel van [Y] indien zij blijft wonen).

- Als alternatief onder deze variant zou ik overwegen om [Y] mijn deel van netto eigen vermogen in het huis te geven (waarde ca Euro 160,000) en geen Euro 125,000 te betalen.

4.

Verdeling op basis van andere uitgangspunten

- Ik zie voor mij geen reden of aanleiding in te stemmen met een verdeling op een andere basis, nog om verder te (blijven) praten over allerlei compensatie regelingen, enz. Er kan niet meer verdeeld worden dan wat er is. En elke vorm van compensatie of correctie heeft net zoveel na- als voordelen en altijd is er een partij die wel iets redelijk of onredelijk vind, fair of unfair vindt, enz. Er zijn teveel voorbeelden te bedenken die over en weer zouden moeten worden verrekend of gecompenseerd. Dit is voor mij geen wenselijk traject.”

3.2.2. In de brief van 5 februari 2006 heeft belanghebbende als commentaar op artikel 3.3 van het conceptconvenant het volgende geschreven:

” Ik vind het niet juist dat mijn aandeel aan de vrouw kado doe plus Euro 250,000 aflos zonder ‘recourse’. Ik wil dan bijvoorbeeld ofwel dat vrouw daar met kinderen blijft voor een periode van temminste 5 jaar ofwel dat zij bij eerder verkoop een bedrag in betaal op de rekeningen van de kinderen.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. In geschil is of het bedrag van € 521.629 ingevolge artikel 6.1, tweede lid, onderdeel a in samenhang met artikel 6.3, eerste lid, onderdelen a en b van de Wet inkomstenbelasting 2001, als afkoopsom van alimentatieverplichting, in aftrek kan komen op belanghebbendes belastbaar inkomen uit werk en woning. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de Inspecteur ontkennend.

4.2. Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij wel is geslaagd in de bewijslast dat de alimentatieverplichting aan zijn ex-echtgenote door hem is afgekocht. Dit blijkt uit de samenhang van de bepalingen in het convenant. Daaruit volgt dat een lagere maandelijkse alimentatie en voor een kortere duur is overeengekomen in ruil voor het aandeel van belanghebbende in de echtelijke woning en de overneming door hem van de hypothecaire schuld van € 250.000. Dat in het convenant niet expliciet is vermeld dat de toebedeling van belanghebbendes aandeel in de echtelijke woning aan zijn ex-echtgenoot en de schuldovername verband houden met de afkoop van de alimentatieverplichting maakt dit niet anders. Het staat - aldus belanghebbende - vast dat sprake is van overbedeling van de ex-echtgenoot en dat de vordering uit dien hoofde van belanghebbende materieel is verrekend met de alimentatieverplichting van belanghebbende. Hij verwijst hierbij naar de in hoger beroep overgelegde stukken van 14 september 2005, 5 februari 2006 en de e-mail van de advocaat/scheidingsbemiddelaar, de heer [A] van 3 juni 2010. Ter staving van zijn standpunt verwijst hij voorts naar het arrest van de Hoge Raad van 19 september 2003, nr. 38.315, de uitspraak van het Hof Leeuwarden van 10 februari 2006, nr. 04/0442 en de uitspraak van het Hof Den Haag van 9 april 2013 nr. 12/00323.

4.3.1. De Inspecteur heeft het standpunt van belanghebbende gemotiveerd weersproken en stelt dat uit het convenant niet blijkt dat de alimentatieverplichting door belanghebbende is afgekocht. Ter zitting heeft hij nadrukkelijk bestreden dat bij de boedelverdeling de ex-echtgenote van belanghebbende is overbedeeld en dat belanghebbendes vordering uit dien hoofde met zijn alimentatieverplichting is verrekend.

4.3.2.Subsidiar stelt hij zich op het standpunt dat de afkoopsom niet € 521.629 doch € 47.129 bedraagt. Hierbij gaat hij uit van de getaxeerde waarde van de woning van € 571.000 (in plaats van € 1.020.000) minus de schuld van € 476.742. Belanghebbendes aandeel in de woning stelt hij op € 94.258 :/: 2= € 47.129. De overneming van de hypothecaire schuld van € 250.000 ter zake van de woning maakt geen deel uit van de afkoopsom.

4.4. Voor een nadere uiteenzetting van de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en van de uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 224.735 negatief (€ 296.894 -/- € 521.629) en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.787.

5.2. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank. Subsidiar concludeert hij tot gegrondverklaring van het hoger beroep en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 249.765

(€ 296.894 -/- € 47.129) en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.787.

Oordeel van de rechtbank

6.

De rechtbank heeft - voor zover in hoger beroep nog van belang - overwogen, waarbij belanghebbende als ”eiser” en de Inspecteur als ”verweerder” is aangeduid:

”10.  Ingevolge artikel 6.1, tweede lid, onderdeel a, in verbinding met artikel 6.3, eerste lid, onderdelen a en b, van de Wet IB 2001 zijn aftrekbare onderhoudsverplichtingen onder meer periodieke uitkeringen of verstrekkingen op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting en afkoopsommen van dergelijke uitkeringen of verstrekkingen die worden gedaan aan de gewezen echtgenoot. Onder een afkoopsom wordt mede begrepen een overbedeling die is verkregen tegenover het (deels) prijsgeven van een aanspraak op een alimentatie-uitkering (vgl. HR 19 september 2003, nr. 38 315, LJN: AK8291).

11.

De rechtbank stelt voorop dat de bewijslast in het onderhavige geschil bij eiser ligt. Het is dus aan eiser om aannemelijk te maken dat het bedrag van € 521.629 de afkoopsom van een alimentatieverplichting is. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Uit de bepalingen van het convenant volgt niet, ook niet in onderling verband bezien, dat partijen een lagere en/of kortere maandelijkse alimentatie-uitkering zijn overeengekomen in ruil voor de overdracht van eisers aandeel in de echtelijke woning aan [Y] en de schuldoverneming door eiser. Eiser heeft evenmin op andere wijze aannemelijk gemaakt dat hiervan sprake was. De enkele verklaring van [A], advocaat en echtscheidingsbemiddelaar van eiser en [Y], dat hij het door eiser betaalde bedrag niet anders kan plaatsen dan in het kader van een “levensonderhoudverhaal”, geeft geen zicht op hetgeen partijen beoogden overeen te komen en leidt de rechtbank niet tot een ander oordeel. Verweerder heeft eiser bovendien nog in de gelegenheid gesteld een nadere vaststellingsovereenkomst met [Y] te sluiten waarin hun gezamenlijke bedoeling tot de hiervoor bedoelde uitruil wordt vastgelegd, maar deze overeenkomst is – wat er ook zij van de reden daartoe - niet tot stand gekomen.

12.

Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.”

Beoordeling van het hoger beroep

7.1. De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de aanslag terecht en naar het juiste bedrag is vastgesteld. Het Hof neemt dit oordeel over en maakt de daartoe gebezigde gronden, vermeld in rechtsoverwegingen 10 en 11, tot de zijne. In hoger beroep heeft belanghebbende geen gronden aangevoerd die het Hof tot een ander oordeel leiden. Het Hof neemt daarbij nog het volgende in aanmerking

7.2. Voor hetgeen partijen bij de totstandkoming van een overeenkomst zijn overeengekomen en hebben bedoeld, dient, zoals belanghebbende betoogt, tevens acht te worden geslagen op hetgeen aan die overeenkomst is voorafgegaan, met name op hetgeen partijen over en weer in dat traject hebben verklaard en uit elkaars verklaringen hebben afgeleid en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijze mochten afleiden. Belanghebbende heeft in hoger beroep in dit verband gewezen op de onderhandelingen die aan het convenant zijn voorafgegaan en die tot uitdrukking zijn gekomen in het schrijven van belanghebbende van 14 september 2005 en van 5 februari 2006. Het Hof is van oordeel dat deze stukken, ook indien zij in onderling verband worden gelezen, niet de conclusie rechtvaardigen dat partijen beoogden de alimentatieverplichting af te kopen. Uit de tekst van de vermogensverdelingregeling die is opgenomen in de brief van 14 september 2005 (zie 3.2.1) kan dit redelijkerwijs niet worden afgeleid en dit geldt evenzeer voor het commentaar van belanghebbende op de artikelen 2.2, 2.3, 2.5 en 3.3 van het conceptconvenant. Voor zover sprake zou zijn van overbedeling van de ex-echtgenote door de toedeling van de echtelijke woning volgt bovendien uit belanghebbendes commentaar op artikel 3.3 (zie 3.2.1), dat hij daartegenover niets anders stelt dan dat de ex-echtgenote voor een periode van vijf jaar de toebedeelde woning aanhoudt.

7.3. Ook de jurisprudentie waarop belanghebbende een beroep doet, leidt het Hof niet tot een ander oordeel aangezien het onderhavige geval feitelijk en rechtens afwijkt van de in de aangehaalde jurisprudentie berechte gevallen. In de zaak waarin het Hof Den Haag op 9 april 2013 nr. 12/00323, uitspraak heeft gedaan, stond vast dat de man was overbedeeld en was dit ook met zoveel woorden vermeld in het convenant. Daarenboven was in het traject voorafgaand aan de vaststelling van het echtscheidingconvenant expliciet afgesproken en schriftelijk vastgelegd dat ter zake van die overbedeling sprake is van afkoop van de partneralimentatie.

7.4. Het vorenoverwogene voert tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is. Bijgevolg moet worden beslist zoals hierna is vermeld.

Proceskosten en griffierecht

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, W.M.G. Visser en H.A.J. Kroon, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J. Jansen. De beslissing is op 9 oktober 2013 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.