Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:3870

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
20-08-2014
Zaaknummer
BK-11-000784 tm BK-11-00798 BK-11-00803 t-m BK-11-00817
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2011:BT7287, Bekrachtiging/bevestiging
Einduitspraak: ECLI:NL:GHDHA:2015:2011
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bank Zonder Naam. Verzwegen buitenlands vermogen. In geschil is of de navorderingsaanslagen rechtsgeldig zijn opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2014-1955
NTFR 2014/2213 met annotatie van E.P. Hageman FB
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummers BK-11/00784 tot en met BK-11/00798

BK-11/00803 tot en met BK-11/00817

Uitspraak d.d. 9 oktober 2013

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst Rijmond, de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende en de Inspecteur tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage (thans Rechtbank Den Haag) van 27 september 2011, AWB 10/273, AWB 10/274, AWB 10/275, AWB 10/5016 t/m AWB 10/5020, AWB 10/5021 t/m AWB 10/5024 en AWB 10/5025 t/m AWB 10/5027 betreffende na te melden navorderingsaanslagen, verhogingen en beschikkingen.

Navorderingsaanslagen, verhogingen, beschikkingen, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. De Inspecteur heeft op 31 december 2007 aan belanghebbende over de jaren 1995 en 2002 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd alsmede een navorderingsaanslag in de vermogensbelasting over het jaar 1996. De navorderingsaanslagen over de jaren 1995 en 1996 zijn verhoogd met 100 percent van de nagevorderde belasting, van welke verhoging geen kwijtschelding is verleend. Bij gelijktijdig met de navorderingsaanslag over het jaar 2002 genomen beschikking is een vergrijpboete van 100 percent van de nagevorderde belasting opgelegd. Tevens is bij gelijktijdig met de navorderingsaanslagen genomen beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. De Inspecteur heeft aan belanghebbende op 30 december 2008 over de jaren 1996 tot en met 2000 en op 24 december 2008 over de jaren 2001, 2003 en 2004 navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd. Tevens zijn op 30 december 2008 navorderingsaanslagen in de vermogensbelasting over de jaren 1997 tot en met 2000 opgelegd. De navorderingsaanslagen over de jaren 1996 en 1997 zijn telkens verhoogd met 100 percent van de nagevorderde belasting, van welke verhogingen geen kwijtschelding is verleend. Bij gelijktijdig met de navorderingsaanslagen over de jaren 1998 tot en met 2001, 2003 en 2004 genomen beschikkingen zijn vergrijpboetes van 100 perecnt van de nagevorderde belasting opgelegd. Voorts is bij gelijktijdig met alle navorderingsaanslagen genomen beschikkingen heffingsrente in rekening gebracht.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de navorderingsaanslagen, de beschikkingen heffingsrenten, verhogingen en boetebeschikkingen bezwaar gemaakt. Bij in twee geschriften vervatte uitspraken op bezwaar van 4 december 2009 respectievelijk 11 juni 2010 heeft de Inspecteur de onder 1.1 onderscheidenlijk 1.2 genoemde navorderingsaanslagen, verhogingen, vergrijpboetes en heffingsrenten gehandhaafd.

1.4. Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft bij de bestreden - in één geschrift vervatte - uitspraken het volgende beslist, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

“De rechtbank:

- verklaart de beroepen, voor zover die zijn gericht tegen de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen, de heffingsrentebeschikkingen en de boetebeschikkingen over de jaren 1996 tot en met 2004, gegrond;

- verklaart de beroepen, voor zover die zijn gericht tegen de navorderingsaanslagen vermogensbelasting, de heffingsrentebeschikkingen en de boetebeschikkingen over de jaren 1997 tot en met 2000, gegrond;

- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar, voor zover deze betrekking hebben op de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen, de heffingsrentebeschikkingen en de boetebeschikkingen over de jaren 1996 tot en met 2004;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar, voor zover deze betrekking hebben op de navorderingsaanslagen vermogensbelasting, de heffingsrentebeschikkingen en de boetebeschikkingen over de jaren 1997 tot en met 2000;

- vernietigt de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen en de heffingsrentebeschikkingen over de jaren 1996 tot en met 2001;

- vernietigt de navorderingsaanslagen vermogensbelasting en de heffingsrentebeschikkingen over de jaren 1997 tot en met 2000;

- vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 2002 tot een naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 13.877;

- vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 2003 tot een naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 16.026;

- vermindert de navorderingsaanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 2004 tot een naar een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 19.752;

- vernietigt de in de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 1996 tot en met 2001 begrepen verhogingen en vergrijpboetes;

- vernietigt de in de navorderingsaanslagen vermogensbelasting over de jaren 1997 tot en met 2000 begrepen verhogingen en vergrijpboetes;

- vermindert de in de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 1995, 2002 tot en met 2004 en in de navorderingsaanslag vermogensbelasting over het jaar 1996 begrepen vergrijpboetes tot de bedragen zoals hiervoor in de kolom verhoging/boete na matiging in 4.41. zijn vermeld;

- wijzigt de beschikkingen heffingsrente aldus dat de heffingsrenten worden verminderd tot bedragen, berekend naar de nader vastgestelde bedragen van de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 2002 tot en met 2004;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde besluiten;

- veroordeelt verweerder de kosten van het bezwaar en het beroep tot een bedrag van € 2.730 aan eiser te voldoen;

- gelast dat verweerder het door eiser in de zaak AWB 10/5016 betaalde griffierecht van in totaal € 41 aan hem vergoedt.”

De in voormeld citaat genoemde rechtsoverweging 4.41 van de rechtbank luidt:

”4.41. Gelet op het vorenoverwogene dienen de onderstaande verhogingen en vergrijpboetes tot de volgende bedragen te worden verminderd:

Navorderingsaanslagen IB/PVV verhoging / boete (100%) verhoging / boete na matiging

1995 ƒ 43.873 (€ 19.908) € 16.921

2002 € 4.163 € 3.538

2003 € 4.774 € 4.535

2004 € 5.218 € 4.957

Navorderingsaanslagen VB verhoging / boete (100%) verhoging / boete na matiging

1996 ƒ 11.760 (€ 5.336) € 4.535.”

Loop van het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende en de Inspecteur hebben tegen de uitspraken van de rechtbank hoger beroep ingesteld. Van belanghebbende is in hoger beroep een griffierecht geheven van in totaal € 112 voor de behandeling van alle zaken. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend in het hoger beroep van belanghebbende. In het hoger beroep van de Inspecteur is door belanghebbende een verweerschrift ingediend, waarop door de Inspecteur is gereageerd met een conclusie van repliek. Belanghebbende heeft afgezien van een conclusie van dupliek.

2.2. Het Hof heeft voorafgaande aan de mondelinge behandeling op 4 december 2012 nadere stukken ontvangen van belanghebbende waarvan een afschrift is gezonden aan de Inspecteur.

2.3.1. De mondelinge behandeling van de zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 12 december 2012, gehouden te ’s-Gravenhage. Aldaar zijn beide partijen verschenen.

2.3.2. Ter zitting zijn de zaken van belanghebbende met de kenmerknummers BK -11/00784 tot en met BK-11/00798 en BK-11/00803 tot en met BK-11/00817 gezamenlijk behandeld. Al hetgeen is aangevoerd en overgelegd in een van deze zaken geldt eveneens als te zijn aangevoerd en overgelegd in de andere zaken. Van het verhandelde ter zitting is door de griffier één proces-verbaal opgemaakt.

2.4. Tevens zijn ter zitting behandeld de hoger beroepen van een andere, door de gemachtigde van belanghebbende vertegenwoordigde, belastingplichtige, welk hoger beroep eveneens betrekking heeft op in het kader van het project Bank Zonder Naam opgelegde navorderingsaanslagen,verhogingen, vergrijpboetes en beschikkingen heffingsrente.

Vaststaande feiten

3.1. Op grond van de stukken van het geding gaat het Hof in hoger beroep uit van de volgende door de rechtbank in haar uitspraak vermelde feiten, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid.

Algemeen

2.1. Op 18 februari 2005 hebben de Belgische autoriteiten op basis van de Europese Richtlijn 77/799/EEG (hierna: de Richtlijn) in het kader van een zogenoemde spontane uitwisseling van inlichtingen fotokopieën verstrekt aan de FIOD-ECD Team Internationaal, welke bij een huiszoeking in België in beslag waren genomen. De belastingdienst heeft naar aanleiding van deze gegevens vervolgens onderzoek gedaan, later bekend geworden als het project Bank Zonder Naam. Het onderzoek richtte zich op het vaststellen van de identiteit van Nederlandse rekeninghouders bij de Van Lanschot Bankiers (Luxemburg) SA te Luxemburg (hierna: VLB), waarvan de gegevens waren vermeld op vorengenoemde fotokopieën (hierna: de renseignementen). Het project Bank Zonder Naam is in maart 2007 van start gegaan.

2.2. Verweerder heeft renseignementen ontvangen betreffende de rekeningen bij de VLB. De daarop voorkomende getallen zijn rekeningnummers en de daarbij behorende saldi van bankrekeningen en effectenportefeuilles per 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996 zijn in Nederlandse guldens. Voorts bevatten de renseignementen tevens een adressenlijst. De renseignementen van 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996 luiden – voor zover hier van belang – als volgt:

Bijlage B.1:

“[VLB] Date: 9/05/96 (…)

RACINE * NAME * CCY* CURRENT ACCOUNTS * DEPOSITS * BONDS*

[nummer] [X] NLG 168,300.38 .00 315,264.57

SHARES / OPTIONS * INV. FUNDS * TOTAL

187,652.02 .00 671,216.97 A”;

Bijlage B.2:

“[VLB] Date: 11/28/96 (…)

RACINE * NAME *CCY* CURRENT ACCOUNTS * DEPOSITS * BONDS*

[nummer] [X] NLG 35,271.49 .00 380,479.45

SHARES / OPTIONS * INV. FUNDS * TOTAL

174,778.78 103,348.80 693,878.52 A”;

Bijlage B.6:

“26 [nummer] [X] 941221 NLG 617207,71 22914,42 262400,22 90000, 233905,8

0

A18 364”;

Bijlage B.9:

“[nummer] MESSR [X] [adres]”.

Navorderingsaanslagen 1995 t/m 2004

2.3.

Eiser, geboren op [dag en maand] 1946, is gehuwd met [Y]. Eiser is in 1995 en volgende jaren beschreven voor de inkomsten- en de vermogensbelasting. Hij was in de jaren waarop de navorderingsaanslagen betrekking hebben woonachtig in Nederland en mitsdien binnenlands belastingplichtig. Hij heeft in zijn aangiften geen inkomens- of vermogensbestanddelen opgenomen die betrekking hebben op een rekening bij de VLB.

2.4.

Op 24 mei 2007 is eiser door verweerder geïdentificeerd als rekeninghouder van een VLB-rekening. Vervolgens heeft verweerder eiser bij brief van 1 november 2007 verzocht gegevens en inlichtingen te verstrekken ter zake van zijn in het buitenland aangehouden bankrekening(en). Verweerder heeft eiser daarbij onder meer gewezen op artikel 47, eerste lid, onderdeel a, artikel 49, artikel 25, zesde lid, onderdeel b, en artikel 27e, onderdeel b, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: de Awr) inzake omkering van de bewijslast. Als bijlage bij deze brief zijn een tweetal formulieren gevoegd, te weten een formulier “Verklaring In het buitenland aangehouden bankrekening(en)” en een formulier “Opgaaf In het buitenland aangehouden bankrekening(en)”. In die formulieren wordt van eiser gevraagd om – onder vermelding van onder andere rekeningnummers, namen van buitenlandse banken en jaren van opening van de rekeningen – aan te geven van welke in het buitenland aangehouden bankrekeningen hij rekeninghouder is geweest.

2.5.

Op 13 november 2007 heeft verweerder, onder verwijzing naar vorengenoemde vragenbrief van 1 november 2007, een herinneringsbrief aan eiser gestuurd. Een reactie van de zijde van eiser is vervolgens uitgebleven.

2.6.

Verweerder heeft bij brief van 30 november 2007 eiser in kennis gesteld van zijn voornemen om in verband met een door eiser aangehouden bankrekening bij de VLB navorderingsaanslagen op te leggen voor de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 1995 en 2002 en voor de vermogensbelasting over het jaar 1996, met verhogingen respectievelijk een vergrijpboete van 100%. Verweerder heeft voorts aangegeven dat hij, bij een ongewijzigd feitencomplex, voor de jaren ná 1995 die niet in de kennisgeving zijn vermeld, op een later moment navorderingsaanslagen (met boete) zal opleggen.

2.7.

Bij brief van 10 december 2007 heeft de gemachtigde van eiser aangegeven de zaken van eiser te behartigen en dat hij uiterlijk 24 december 2007 inhoudelijk zal reageren op verweerders brief van 30 november 2007.

2.8.

Bij brief van 18 december 2007 heeft verweerder meegedeeld dat de in 2.7. genoemde brief geen aanleiding voor hem is om zijn standpunt te herzien en dat de aangezegde navorderingsaanslagen, verhogingen en boete zullen worden opgelegd.

2.9.

Bij brief van 19 december 2007 heeft de gemachtigde van eiser verzocht om nadere concrete informatie.

2.10.

Met dagtekening 31 december 2007 zijn de aangezegde navorderingsaanslagen, verhogingen en vergrijpboete opgelegd.

2.11.

Bij brief van 9 januari 2008 heeft de gemachtigde van eiser tegen vorengenoemde navorderingsaanslagen, verhogingen en vergrijpboete een pro-forma bezwaarschrift ingediend. Daarbij heeft de gemachtigde van eiser om inzage van de op de zaak betrekking hebbende stukken verzocht.

2.12.

Bij brief van 23 januari 2008 heeft verweerder de gemachtigde van eiser verzocht om vóór 21 februari 2008 de bezwaren nader te motiveren. Bij brief van 29 februari 2008 heeft verweerder aangegeven dat hij voornemens is de bezwaren op korte termijn af te handelen en heeft hij de gemachtigde van eiser in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord. Voorts heeft hij aangegeven dat de op de zaak betrekking hebbende stukken vanaf 10 maart 2008 ter inzage liggen en dat hij de beslistermijn op het bezwaar van 6 weken met 4 weken verlengt.

2.13.

Bij brief van 10 maart 2008 geeft de gemachtigde van eiser aan van verschillende inspecties een aantal stukken te hebben ontvangen, dat hij vooralsnog geen inzage in de op de zaak betrekking hebbende stukken wenst en dat hij binnen 6 weken de gronden van het bezwaar zal indienen.

2.14.

Bij brief van 4 april 2008 stelt verweerder de gemachtigde van eiser in de gelegenheid om voor 21 april 2008 de bezwaren nader te motiveren.

2.15.

Bij brief van 21 april 2008 heeft de gemachtigde van eiser zijn bezwaar nader gemotiveerd. In die brief staat onder meer – voor zover hier van belang – het volgende vermeld:

(…)

Mijn cliënt heeft u te kennen gegeven geen bankrekening in het buitenland te hebben, dan wel te hebben

aangehouden, door niet in te gaan op uw uitnodiging om informatie te verstrekken en de gestelde vragen op het formulier “Opgaaf in het buitenland aangehouden bankrekening(en)” niet te beantwoorden en niet aan u te retourneren. (…)

Mijn cliënt ontkent met klem en ten stelligste, zoals hierboven reeds is aangegeven, in het buitenland een bankrekening te hebben dan wel te hebben aangehouden.”.

2.16.

Verweerder heeft vervolgens bij brief van 26 november 2008 eiser in kennis gesteld van zijn voornemen om navorderingsaanslagen op te leggen voor de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 1996 tot en met 2001, 2003 en 2004 en voor de vermogensbelasting over de jaren 1997 tot en met 2000, met verhogingen respectievelijk vergrijpboetes van 100%. Vervolgens zijn met dagtekening 24 december 2008 en

30 december 2008 de aangezegde navorderingsaanslagen, verhogingen en vergrijpboetes opgelegd.

2.17

De gemachtigde van eiser heeft tegen deze navorderingsaanslagen, verhogingen en vergrijpboetes tijdig bezwaar gemaakt en heeft zich in die procedure op hetzelfde standpunt gesteld als in de onder 2.11. genoemde bezwaarprocedure.

2.18.

Bij brief van 3 november 2009 heeft verweerder op eisers motivering van het bezwaar van 21 april 2008 betreffende in 2.10. genoemde navorderingsaanslagen gereageerd, waarna verweerder op 4 december 2009 op dat bezwaar heeft beslist.

2.19.

De door verweerder ten aanzien van de VLB rekening nagevorderde bedragen zijn volledig bij eiser in aanmerking genomen.

2.20.

De in de navorderingsaanslagen begrepen verhogingen dan wel vergrijpboetes zijn op de voet van respectievelijk artikel 18, eerste lid, van de Awr (tekst tot en met 1997) en artikel 67e van de Awr (tekst vanaf 1998) opgelegd.”

Omschrijving geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

4.1. Tussen partijen is in geschil of de navorderingsaanslagen rechtsgeldig zijn opgelegd, welke vraag belanghebbende ontkennend beantwoordt en de Inspecteur bevestigend. Voorts is de hoogte van de opgelegde verhogingen en vergrijpboetes in geschil.

4.2.1. Belanghebbende heeft ter ondersteuning van zijn standpunten zakelijk weergegeven het volgende aangevoerd.

4.2.2. De Inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een nieuw feit. Voorts heeft hij geen enkel bewijs overgelegd.

4.2.3. De aangiftebiljetten zijn niet in kopie overgelegd. In de aangiften is niet gevraagd naar het aanhouden van tegoeden uit het buitenland.

De navorderingsaanslagen zijn geen van alle voortvarend opgelegd. Als uitgangspunt voor de beoordeling of de aanslagen voortvarend zijn opgelegd geldt het moment waarop de Lid-staat waaronder de belastingplichtige ressorteert over alle gegevens beschikt. Eind augustus 2006 was de identificatie rond maar desondanks werd belanghebbende pas in november 2007 aangeschreven. De Inspecteur heeft te lang stil gezeten. Alle gegevens waren al beschikbaar in november 2006. Waarom de aanslagen pas in december 2007 en later zijn opgelegd is onduidelijk.

Gelet op de reeds bij KB Lux opgedane ervaringen had het niet langer dan een jaar hoeven duren voordat aanslagen konden worden opgelegd. De Belastingdienst had het proces van het opleggen van de navorderingsaanslagen zo ingericht dat de volledige termijn van twaalf jaar kon worden benut. Het formuleren van standaardafdoeningen op bezwaar heeft niets met het opleggen van de aanslagen te maken.

Ook al is in sommige gevallen de reguliere vijfjaarstermijn van toepassing dan nog geldt het beginsel van voortvarendheid.

De wijze van identificatie is onjuist. Aan de hand van de renseignementen met alleen een naam zonder voorletters is een juiste identificatie niet mogelijk. Van een zuivere identificatie is geen sprake geweest. Het feit dat in BVR is vermeld dat belanghebbende is gehuwd is niet relevant voor de vraag of hij rekeninghouder is.

De schatting van de inkomsten respectievelijk vermogens is niet redelijk en in strijd met het zorgvuldigheids-, het voorzichtigheids- en willekeurbeginsel geschied. De door de Inspecteur gehanteerde berekening van de navorderingsaanslagen is willekeurig en onbetrouwbaar en de (uitkomst van de) schatting is onredelijk. Belanghebbende heeft geen inzage gekregen in de uitkomsten van het onderzoek van andere rekeninghouders. De vermogenstoename van 23,5 en 23,66 percent van 1994 tot 1996 is zeer grof en onbetrouwbaar. Niet duidelijk is hoe met stortingen rekening is gehouden. De Inspecteur had een percentage van 13,45 en 12,90 dienen te berekenen door 12/21e gedeelte en 12/22/e gedeelte te nemen van de eerstgenoemde percentages. Het is onduidelijk op welke percentagegegevens van het CBS de Inspecteur zijn berekening heeft gebaseerd. Vanuit zijn praktijk is het de gemachtigde van belanghebbende bekend dat het tegoed in het buitenland wordt aangehouden voor de oude dag. Daarom is het beleggingsprofiel defensief en wordt maximaal zes percent rendement behaald. De door de Inspecteur gehanteerde vergelijkingsgroep van 325 belastingplichtigen bestaat voor 74 percent uit bekenners waarvan de 23,5 percent naar beneden is bijgesteld. In een vergelijkbaar geval heeft de Inspecteur het geschil beperkt tot de navorderingsaanslagen 1995 en 1996 en 2002 en 2003. Dat had hier ook gemoeten.

4.2.4. De Inspecteur heeft niet voldaan aan de tussenuitspraak van 27 mei 2011 waarin hem werd gelast stukken in het geding te brengen. Er zijn geen namen van individuele ambtenaren verstrekt en er is een geanonimiseerd memo ingebracht in plaats van niet geanonimiseerd.

Belanghebbende wil, in lijn met de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 23 september 2011, kortstondige integrale inzage in de rekeningstandenlijsten B1, B2 en B6 om de authenticiteit en betrouwbaarheid te kunnen controleren in plaats van dat de gegevens in geanonimiseerde vorm worden verstrekt zoals in het onderhavige geval is geschied. Bij weigering dient vernietiging van alle aanslagen te volgen.

In de ambtsedige verklaringen van bij het project betrokken ambtenaren worden stukken genoemd waarvan belanghebbende het bestaan niet kent. Deze stukken wil belanghebbende ook overgelegd zien. Het gaat om onder meer een email van 20 november 2006 waarin wordt verzocht om de verzending van de vragenbrief aan belanghebbenden op te schorten, verslagen van kick-off bijeenkomsten, en het verslag van het nadere onderzoek naar belanghebbendes identificatie van 21 november 2006 (geheten memo identificatie) en verslagen van de positieve nadere identificatie en stukken over vermeende afpersing. Belanghebbende wil met die stukken aantonen dat er geen rekening is aangehouden dan wel dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs.

Het renseignement is niet afkomstig van de VLB bank en kan niet als bewijs gelden dat sprake is geweest van een rekening. Vastgesteld moet kunnen worden of in 40 percent van de gevallen is meegedeeld dat geen rekening is aangehouden want dan is de identificatie onjuist geweest. De omkering van de bewijslast is ten onrechte toegepast.

Alleen al daarom is een matiging van de verhogingen en boeten vereist met 20 percent. Voorts dient de boete te worden gematigd met minimaal 50 percent gezien de onvoortvarendheid binnen de reguliere navorderingstermijn.

Op de Inspecteur rust de stelplicht en de bewijslast van de feiten en omstandigheden die ertoe leiden dat een boete c.q. verhoging van 100 percent moet worden opgelegd. Voor ieder afzonderlijk belastingjaar dient aangetoond te worden dat belanghebbende rekeninghouder is. Er zijn geen vaststaande, aanvullende gegevens of voldoende sterke aanwijzingen dat er in andere jaren een buitenlandse rekening op na werd gehouden. Rekening dient te worden gehouden met het feit dat sprake is van omkering van de bewijslast en de ernst van de gedraging. Voorts is ten aanzien van de verhogingen en de boetes de voor berechting geldende redelijke termijn van artikel 6 EVRM overschreden. De door de rechtbank toegepaste vermindering is onvoldoende en er is geen rekening gehouden met bijzondere omstandigheden. Geen rekening is gehouden met de proportionaliteit. De verhogingen en de boetes dienen met meer dan 50 percent te worden verminderd.

4.2.5. Belanghebbende doet tenslotte een beroep op de beslissingen van de Hoge Raad zoals neergelegd in zijn arresten van 10 juni 2011, LJN: BO5080 en LJN BO5087 en verzoekt vergoeding van immateriële schade in verband met de lange duur van de procedure.

4.3.1. De Inspecteur heeft ter ondersteuning van zijn standpunt - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd.

4.3.2. Er is een nieuw feit aanwezig. Het bewijs van een nieuw feit hoeft niet op basis van afschriften van aangiftebiljetten te worden geleverd maar kan ook op andere wijze geschieden. Ten aanzien van deze belanghebbende zijn uitdraaien overgelegd waarop de bij de aangiften ingevulde gegevens zijn gerangschikt onder de kolom aangeleverd. In de aangiftebiljetten is steeds gevraagd naar de rente genoten op tegoeden in het buitenland en de saldi daarvan.

4.3.3. Belanghebbende geeft een onjuiste uitleg aan het arrest van het Hof van Justitie EG in de zaak Passenheim-Van der Schoot. Het Hof van Justitie heeft in die zaak niet de beperkende uitleg van de twaalfjaarstermijn gegeven die de gemachtigde verdedigt. De geheimhouding wordt door de richtlijn 77/799 EG (hierna: de Richtlijn) niet beperkt als de gegevens afkomstig zijn uit een land met een bankgeheim. De twaalfjaarstermijn is van toepassing. De Hoge Raad onderscheidt twee perioden. De periode van het vergaren van inlichtingen en de periode om tot het opleggen van de navorderingsaanslagen te komen. Beide perioden dienen afzonderlijk te worden beoordeeld. In beide perioden is door de Belastingdienst of de Inspecteur voortvarend gehandeld. De Inspecteur heeft bij het opleggen van de navorderingsaanslagen waarbij de verlengde navorderingstermijn is toegepast voldoende voortvarend gehandeld. De Belastingdienst is na ontvangst van de inlichtingen in maart 2005 uit het buitenland gestart met het verifiëren en verdelen van informatie. Er is een onderzoeksfase geweest tot maart 2006, daarna een besluit- en inrichtingsfase tot augustus 2006 en een projectfase tot maart 2007. Toen de naam van belanghebbende naar voren kwam is belanghebbende verzocht om een verklaring te geven, dat hij heeft geweigerd.

Met betrekking tot de reguliere navorderingstermijn geldt niet de eis van voldoende voortvarendheid.

4.3.4. De identificatie is tot stand gekomen aan de hand van een adressenlijst, en niet op de wijze zoals belanghebbende stelt.

4.3.5. De schatting is niet onredelijk, onbetrouwbaar of willekeurig gedaan. De gehanteerde berekening is weliswaar een van verscheidene mogelijkheden maar op zich niet onredelijk.

4.3.6. Het beroep op schending van algemene beginselen van behoorlijk bestuur slaagt niet omdat geen sprake van gelijke gevallen. De door belanghebbende gevraagde stukken zijn overgelegd of betreffen algemene voortgangsgegevens, of zien niet op de besluitvorming in individuele gevallen of zijn terecht door de rechtbank onder geheimhouding geplaatst.

4.3.7. De renseignementen zijn niet onrechtmatig verkregen. Zij zijn op basis van de Bijstandsrichtlijn 7799 van 19 december 1977 toegezonden aan de Nederlandse fiscus. Een vermeende afpersingszaak maakt dat niet anders.

4.3.8. Gelet op de hoogte van het tegoed en de soort rekening (een beleggingsrekening) zoals blijkt uit de renseignementen over 1994 en 1995 en de ervaringsregels dat het overgrote deel van de rekeninghouders jarenlang een tegoed aanhield en dat een rekening in het buitenland niet voor een onbeduidend bedrag werd geopend, is ook voor de boete het bewijs geleverd dat belanghebbende rekeninghouder is gewest. Omkering van de bewijslast is voor de boeteoplegging mogelijk.

4.3.9. De rechtbank is ter beantwoording van de vraag of de redelijke termijn bij het opleggen van de boetes is overschreden terecht uitgegaan van het moment waarop de Inspecteur de eerste vragenbrief heeft verzonden.

4.3.10. De heffingsrente is correct en terecht in rekening gebracht.

4.3.11. Voor het geval sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in de procedure die aanleiding geeft tot het vergoeden van immateriële schade stelt de Inspecteur dat deze overschrijding niet is belopen in de bezwaarfase maar in beroep en/of hoger beroep.

4.4. De Inspecteur heeft in het door hem ingestelde hoger beroep aangevoerd dat met het voorbereiden en vaststellen van de navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen geen langere termijn gemoeid is geweest dan op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad en het Hof van Justitie EG kan worden aanvaard. Het Europeesrechtelijk evenredigheidsbeginsel brengt een redelijke belangenafweging mee tussen de individuele belangen en de algemene belangen van de overheid. De rechter mag de gemaakte belangenafweging slechts marginaal toetsen. De Inspecteur heeft aan de hand van de hem ter beschikking staande gegevens deze navorderingsaanslagen met redelijke voortvarendheid voorbereid en vastgesteld.

De Inspecteur is niet gedurende een periode van acht maanden blijven stilzitten. Vanaf het moment van het versturen van het eerste informatieverzoek door de Inspecteur in november 2007 heeft belanghebbende zich niet coöperatief opgesteld. De eerste reactie is van 21 april 2008. Op het moment dat voor de Inspecteur definitief is komen vast te staan dat belanghebbende niet meewerkt zijn de navorderingsaanslagen voorbereid en opgelegd.

In het geval hij in het gelijk wordt gesteld stelt de Inspecteur dat de door de rechtbank in eerste aanleg toegekende proceskostenvergoeding dient te worden verminderd tot een vergoeding voor drie samenhangende zaken met factor 1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting 2002, 2003 en 2004 te hoog waren vastgesteld omdat op grond van artikel 2.17, vierde lid, van de Wet IB 2001 slechts de helft van de saldi van de VLB rekening aan belanghebbende dient te worden toegerekend.

4.5. Belanghebbende verwijst in reactie op het hoger beroep van de Inspecteur met betrekking tot de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting voor de jaren 1996 tot en met 2001 en vermogensbelasting 1997 tot en met 2000 niet voortvarend zijn opgelegd naar hetgeen hij in zijn hoger beroep heeft gesteld.

Belanghebbende stelt dat de aanvulling op het hoger beroep van 12 maart 2012 te laat, in strijd met de beginselen van behoorlijke procesorde, is.

4.6. Voor een verdere uiteenzetting van de standpunten van partijen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het hoger beroep van belanghebbende strekt tot vernietiging van de uitspraken van de rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en primair tot vernietiging van de navorderingsaanslagen en de beschikkingen en subsidiair tot vermindering van de navorderingsaanslagen en wijziging van de beschikkingen naar door het Hof vast te stellen belastbare inkomens, respectievelijk vermogens, verhogingen en boetes. Voorts strekt het hoger beroep tot het toekennen van een proceskostenvergoeding en een vergoeding wegens immateriële schade.

5.2. De Inspecteur heeft ten aanzien van de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting en de volksverzekeringen voor de jaren 1996 tot en met 2001 en de vermogensbelasting 1997 tot en met 2000 geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraken van de rechtbank en tot bevestiging van de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de proceskostenvergoeding in beroep. Voor het overige heeft hij geconcludeerd tot bevestiging van de uitspraken van de rechtbank. Voorts heeft de Inspecteur geconcludeerd tot afwijzing van het verzoek om immateriële schadevergoeding voor de bezwaarfase.

Oordeel van de rechtbank

6.

De rechtbank heeft het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiser en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

De op de zaken betrekking hebbende stukken

4.1.

Verweerder heeft niet volledig voldaan aan de tussenuitspraak van de enkelvoudige geheimhoudingskamer van 27 mei 2011. Verweerder heeft in afwijking van de tussenuitspraak niet de in het draaiboek Bank Zonder Naam opgenomen namen van individuele belastingambtenaren verstrekt. Ingevolge artikel 8:31 van de Awb kan de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die haar geraden voorkomen. De rechtbank ziet er in dit geval van af om aan de weigering van verweerder om de betreffende namen in te brengen gevolgen te verbinden. Gelet op de gegevens waarover de rechtbank thans beschikt, heeft de rechtbank de betreffende namen voor de beoordeling van het onderhavige geschil niet nodig. Ook overigens is niet aannemelijk geworden dat eiser door de weigering van verweerder om de betreffende namen te verstrekken in zijn procesbelangen is geschaad.

4.2.

Verweerder heeft voorts in afwijking van de tussenuitspraak, anders dan hij kennelijk in zijn brief van 23 juni 2011 heeft bedoeld te stellen, niet het geanonimiseerde memo inzake zogeheten meewerkers in eerdere rekeningprojecten – bijlage E in de tussenuitspraak – ingebracht. Verweerder heeft daartoe gesteld dat dit memo geen op de zaak betrekking hebbend stuk is. Ter vervanging van dit memo heeft verweerder bijlage 17 van het verweerschrift van 24 november 2010 (hierna: bijlage 17) ingebracht. Daarbij heeft verweerder onder meer in zijn brief van 25 januari 2011 aangegeven dat de in het memo vervatte informatie in bijlage 17 is opgenomen. Bijlage 17 behoort tot de gedingstukken. Gelet op de inhoud van bijlage 17 en hetgeen verweerder daaromtrent overigens heeft gesteld, ziet de rechtbank er van af om aan de weigering van verweerder om het memo in te brengen gevolgen te verbinden.

4.3.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank, anders dan eiser ter zitting heeft betoogd, met de bij het verweerschrift van 24 november 2010 gevoegde bijlagen alle relevante stukken voor de cijfermatige onderbouwing van de redelijke schatting ingebracht. Hetzelfde heeft te gelden voor de gegevens met betrekking tot de identificatie, met uitzondering van het memo identificatieproces. Voor laatstgenoemde memo, als ook voor de gegevens van de (absolute) aantallen meewerkers, weigeraars en ontkenners, verwijst de rechtbank naar de tussenuitspraak van 27 mei 2011 op dit punt (bijlage H en J). Nu de rechtbank reeds omtrent vorengenoemde gegevens (bijlage H en J) in de tussenuitspraak heeft beslist en voorts tegen een dergelijke tussenuitspraak niet eerder kan worden opgekomen dan in hoger beroep tegen de einduitspraak, gaat de rechtbank aan hetgeen eiser op dit punt heeft aangevoerd voorbij.

4.4.

De rechtbank gaat ook voorbij aan eisers stelling ter zitting dat verweerder alle saldi-gegevens van de meewerkers dient in te brengen. De rechtbank overweegt hierbij dat zij deze gegevens niet nodig heeft voor de beoordeling van het geschil.

4.5.

Ten aanzien van het ter zitting gedane verzoek van eiser om alle aangiftebiljetten in te brengen, overweegt de rechtbank nog dat eiser hierbij geen belang heeft, aangezien de aangiftegegevens middels de door verweerder ingebrachte schermprints bekend zijn.

Toepassing van de verlengde navorderingstermijn

4.6.

De navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 1995 tot en met 2001 en de navorderingsaanslagen vermogensbelasting over de jaren 1996 tot en met 2000 zijn, naar tussen partijen kennelijk niet in geschil is, opgelegd met gebruikmaking van de twaalfjaarstermijn als bedoeld in artikel 16, vierde lid, van de Awr (hierna: de verlengde navorderingstermijn). De overige navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 2002 tot en met 2004 zijn binnen de reguliere vijfjaarstermijn opgelegd.

4.7.

Eiser heeft gesteld dat de navorderingsaanslagen niet met de vereiste voortvarendheid zijn opgelegd, zodat deze aanslagen dienen te worden vernietigd.

4.8.

Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van Schoot, C-155/08 en C-157/08, BNB 2009/222, heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 26 februari 2010, nrs. 43 050bis en 43 670bis, LJN: BJ9092 en BJ9120, BNB 2010/199 en 200, regels geformuleerd die in verband met het door het Hof van Justitie genoemde evenredigheidsbeginsel in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn op een tijdstip waarop de ten aanzien van binnenlandse tegoeden geldende vijfjaarstermijn is verstreken. Op grond van deze regels moet, na het verkrijgen van aanwijzingen van het bestaan van de in het buitenland aangehouden spaartegoeden, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met:

(i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens

(ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een navorderingsaanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.

Niet van belang is of de aanwijzingen zijn verkregen voor of na afloop van de reguliere navorderingstermijn van 5 jaar en of sprake is van een bankgeheim in het land waar de tegoeden zich bevinden.

4.9.

De navorderingsaanslag inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 1995 en de navorderingsaanslag vermogensbelasting over het jaar 1996 zijn opgelegd met dagtekening 31 december 2007. Tussen het moment waarop de FIOD-ECD Team Internationaal de door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens heeft ontvangen en het moment waarop eiser door verweerder is geïdentificeerd is een periode van twee jaar en drie maanden verstreken. Vaststaat dat in die periode voor de verwerking van die gegevens het project Bank Zonder Naam is opgestart en dat in die periode ook de identificatie van mogelijke belastingplichtigen heeft plaatsgevonden. Om dit zorgvuldig en betrouwbaar te kunnen doen, alsmede om in deze periode een berekeningswijze voor de tegoeden op andere momenten te kunnen bepalen, heeft de Belastingdienst kennelijk voor een projectmatige aanpak gekozen. De met dit project gemoeide tijd van ruim 2 jaar voordat verweerder tot identificatie van eiser is gekomen, acht de rechtbank gezien de complexiteit niet onredelijk lang. Eiser is vervolgens een half jaar na voormelde identificatie voor het eerst door verweerder aangeschreven. Tussen het moment waarop eiser voor het eerst is aangeschreven – 1 november 2007 – en de dagtekening van voormelde navorderingsaanslagen – 31 december 2007 – is een periode van twee maanden verstreken. Verweerder heeft eiser in die periode meermaals verzocht informatie over zijn in het buitenland aangehouden bankrekeningen te verstrekken, aan welk verzoek eiser geen gehoor heeft gegeven. Met het totale tijdsverloop is in totaal een periode van twee jaar en tien maanden gemoeid geweest. Gelet op de hiervoor genoemde feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat met het voorbereiden en vaststellen van voornoemde navorderingsaanslagen, geen langere termijn is gemoeid dan op grond van het evenredigheidsbeginsel kan worden aanvaard.

4.10.

De navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 1996 tot en met 2001 en de navorderingsaanslagen vermogensbelasting over de jaren 1997 tot en met 2000 zijn met dagtekening 24 december 2008 dan wel 30 december 2008 opgelegd, derhalve één jaar later dan de hiervoor in 4.9. genoemde navorderingsaanslagen. Ook ten aanzien van elk van deze navorderingsaanslagen moet worden beoordeeld of het tijdsverloop tussen het tijdstip waarop verweerder aanwijzingen van het bestaan van de bankrekening heeft verkregen en het tijdstip waarop hij de navorderingsaanslag heeft opgelegd, kan worden aanvaard. Verweerder heeft als reden voor het later opleggen van de onderhavige navorderingsaanslagen aangevoerd dat de hiervoor in 4.9 genoemde navorderingsaanslagen eind december vlak voor het verstrijken van de (verlengde) navorderingstermijn ter behoud van rechten zijn opgelegd en dat uit zorgvuldigheidsoverwegingen met het opleggen van de overige navorderingsaanslagen is gewacht ten einde het standpunt van eiser in de bezwaarfase mee te kunnen nemen bij de aanslagregeling over de daarop volgende jaren. Daarbij heeft verweerder rekening gehouden met de mogelijkheid dat eiser in de bezwaarfase alsnog met nadere informatie dan wel bewijsstukken zou komen, als ook de aankondiging van de Hoge Raad in januari 2008 om in de zaken X en Passenheim-van der Schoot prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie te zullen stellen.

4.11.

De rechtbank stelt bij de beoordeling voorop dat de in 4.9. genoemde navorderingsaanslagen ter behoud van rechten zijn opgelegd en dat verweerder, naast het door het Hof van Justitie genoemde evenredigheidsbeginsel, bij het opleggen van navorderingsaanslagen tevens de benodigde zorgvuldigheid dient te betrachten, waarbij hij zoveel als mogelijk dient aan te sluiten bij de daadwerkelijk verschuldigde belasting. Daarnaast acht de rechtbank het voor de beoordeling nog van belang dat eiser een zogenoemde ontkenner is en dat hij pas voor het eerst in zijn brief van 21 april 2008 betreffende de motivering van zijn bezwaar tegen de hiervoor in 4.9. genoemde navorderingsaanslagen heeft ontkend een buitenlandse bankrekening te hebben (gehad). De rechtbank acht het in het kader van de te betrachten zorgvuldigheid dan ook niet onredelijk dat verweerder er in het onderhavige geval voor heeft gekozen om de uitkomsten van de bezwaarfase betreffende de in 4.9. genoemde navorderingsaanslagen af te wachten, alvorens de onderhavige navorderingsaanslagen op te leggen, daar verweerder zoveel mogelijk heeft willen aansluiten bij een juiste omvang van de verschuldigde belasting over de verschillende jaren en, naar verweerder onweersproken heeft gesteld, een deel van de zogenoemde VLB-ontkenners alsnog in de bezwaarfase is overgegaan tot het verstrekken van de benodigde gegevens.

4.12.

Nadat de in 4.9. genoemde navorderingsaanslagen eind december 2007 ter behoud van rechten waren opgelegd, heeft eiser in zijn brief van 21 april 2008 de tegen die navorderingsaanslagen gerichte bezwaren nader gemotiveerd. In die brief heeft eiser voor het eerst ontkend een buitenlandse bankrekening te hebben (gehad). Verweerder heeft vervolgens 7 maanden later bij brief van 26 november 2008 de onderhavige navorderingsaanslagen aangekondigd. Uit de gedingstukken valt voorts op te maken dat verweerder in de periode tussen 21 april 2008 en 30 december 2008 geen actie meer heeft ondernomen met betrekking tot voormelde bezwaarprocedure. Verweerder gaat namelijk pas geruime tijd later in zijn brief van 3 november 2009 in op eisers motivering van het bezwaar van 21 april 2008. Tussen het moment waarop eiser voor het eerst heeft ontkend een buitenlandse bankrekening te hebben (gehad) – 21 april 2008 – en de dagtekening van de onderhavige navorderingsaanslagen – 24 december 2008 en 30 december 2008 – is ongeveer een periode van 8 maanden verstreken. Gelet op dit tijdsverloop is de rechtbank van oordeel dat met het voorbereiden en vaststellen van de in 4.10. bedoelde navorderingsaanslagen een langere termijn gemoeid is geweest dan op grond van de in 4.8 genoemde rechtspraak kan worden aanvaard.

4.13.

Dit brengt mee dat de in 4.10. genoemde navorderingsaanslagen dienen te worden vernietigd.

Aanslagtermijn overige aanslagen

4.14.

De navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 2002 tot en met 2004 zijn met dagtekening 31 december 2007 (2002) en 24 december 2008 (2003 en 2004) opgelegd. Derhalve zijn deze navorderingsaanslagen binnen de reguliere navorderingstermijn van 5 jaar opgelegd. Nu de in 4.8. genoemde rechtspraak uitsluitend van toepassing is in situaties, waarin navorderingsaanslagen met de verlengde navorderingstermijn zijn opgelegd, falen eisers grieven op dit punt (vgl. Hoge Raad 18 februari 2011, nr. 09/05204, LJN: BP4779).

Renseignementen

4.15.

Verweerder heeft zijn standpunt dat eiser houder is van een bankrekening bij de VLB gebaseerd op de in de renseignementen opgenomen gegevens, zijnde de gegevens die waren begrepen in de gestolen fotokopieën, zoals die door de Belgische autoriteiten op 18 februari 2005 aan de FIOD-ECD Team Internationaal zijn verstrekt.

4.16.

De stelling van eiser dat sprake is van onrechtmatig verkregen bewijs, omdat zowel de Belgische- als de Nederlandse autoriteiten de onder 2.1. genoemde Richtlijn hebben geschonden doordat zij de Luxemburgse autoriteiten niet hebben verzocht of de gegevens opgenomen in de gestolen fotokopieën voor fiscale doeleinden mochten worden gebruikt, faalt. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat de Richtlijn uitsluitend is gericht tot de lidstaten en dat belastingplichtigen, zoals eiser, daaraan geen rechten kunnen ontlenen (vgl. Hof van Justitie 27 september 2007, C-184/05, BNB 2008/13 (Twoh International BV)). Bovendien is de Richtlijn niet van toepassing op door een lidstaat (België) aan een derde lidstaat (Nederland) doorgegeven inlichtingen die weliswaar afkomstig zijn uit een andere lidstaat (Luxemburg), maar niet aan de doorgevende staat zijn verstrekt door de bevoegde autoriteit van die andere lidstaat (vgl. Hoge Raad 4 juni 2010, nr. 09/00212, LJN: BM0137, BNB 2010/322). Nu vaststaat dat België de aan Nederland doorgegeven inlichtingen niet op basis van de Richtlijn van Luxemburg maar op andere wijze heeft ontvangen, is de Richtlijn in het onderhavige geval niet van toepassing. Voor het stellen van prejudiciële vragen ziet de rechtbank gezien het vorenstaande geen aanleiding.

4.17.

Voorts mag verweerder naar het oordeel van de rechtbank de gegevens in de gestolen fotokopieën als bewijsmiddel gebruiken. De rechtbank acht daarbij van belang dat de Nederlandse fiscus in het bezit van de gestolen fotokopieën is gekomen doordat de Belgische autoriteiten deze gegevens spontaan op basis van de Richtlijn aan de Nederlandse autoriteiten hebben verstrekt. Indien al kan worden aangenomen dat de fotokopieën op strafrechtelijk onrechtmatige wijze door de Belgische autoriteiten zijn verkregen, zoals eiser ter zitting heeft gesteld, dan zijn de gegevens door de Nederlandse fiscus naar het oordeel van de rechtbank niet verkregen op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het gebruik van die gegevens ontoelaatbaar moet worden geacht. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat er geen enkele aanwijzing is dat de Belgische overheid de hand heeft gehad in de ontvreemding van gegevens van de VLB en dat ook anderszins voor de Nederlandse belastingautoriteiten geen redenen bestonden om aan te nemen dat bij de verkrijging van de gegevens een zo fundamenteel recht van de in die gegevens vermelde personen was geschonden dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van die gegevens ontoelaatbaar moest worden geoordeeld (vgl. Hoge Raad 21 maart 2008,

nr. 43 050, LJN: BA8179, BNB 2008/159).

4.18.

De rechtbank ziet voorts, gelet op de toelichting die is ontvangen van de Belgische autoriteiten bij de brief van 18 februari 2005 (hierna: de Nota) en hetgeen verweerder daartoe overigens heeft aangevoerd, geen aanleiding om aan de aard en herkomst van de in de renseignementen opgenomen gegevens, als ook de betrouwbaarheid van de inhoud daarvan, te twijfelen. Bovendien valt ook uit de informatie die van de meewerkende VLB- spaarders is verkregen niet af te leiden dat er sprake zou zijn van onjuiste of onbetrouwbare informatie. Derhalve dient naar het oordeel van de rechtbank van de juistheid van de in de renseignementen opgenomen gegevens te worden uitgegaan. Het door eiser ter zitting ingebrachte stuk, welke dezelfde lay-out bevat als de renseignementen, maakt dit niet anders. Hetgeen eiser overigens op dit punt heeft aangevoerd, kan evenmin aan voormeld oordeel afdoen. Aan de enkele, blote stelling van eiser dat de VLB na voorlegging van de renseignementen heeft ontkend dat deze afkomstig zijn uit de interne administratie van de VLB, gaat de rechtbank voorbij, nu eiser zijn stelling niet nader met bewijsstukken heeft onderbouwd. Daarnaast kan eiser evenmin worden gevolgd in diens uitleg van de door hem aangehaalde passage in punt IV van de Nota. Immers onder “betrokkenen” dient te worden verstaan degenen bij wie de gestolen fotokopieën in beslag zijn genomen en niet de belastingdienst Nederland, zoals eiser stelt.

Identificatie

4.19.

De rechtbank stelt voorop dat, gelet op de ontkenning daarvan door eiser, op verweerder de bewijslast rust dat eiser houder is (geweest) van een bankrekening bij de VLB. Verweerder heeft de gegevens van de rekeninghouders zoals vermeld op de renseignementen vergeleken met de gegevens in het geautomatiseerde systeem Beheer van Relaties van de belastingdienst (hierna: het BVR-systeem). Het BVR-systeem wordt voor wat betreft natuurlijke personen gevoed met gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie. Uit de door verweerder ingebrachte schermprints van de in het BVR-systeem opgenomen personen blijkt dat er slechts één persoon voorkomt met de achternaam [X] die gehuwd is met iemand met de achternaam [Y]. Voorts blijkt uit die prints dat de feitelijke woonplaats van eiser in de periode 1 januari 1993 tot en met 31 december 1999 overeenkomt met de in de renseignementen vermelde adres en woonplaats van [X] met rekeningnummer [nummer]. De rechtbank heeft geen aanleiding om aan de juistheid van deze uitkomsten te twijfelen. Gelet op de combinatie van de achternaam van eiser tezamen met de achternaam van zijn echtgenote, op de omstandigheid dat in het BVR-systeem maar één persoon voorkomt met die naamcombinatie, en gelet op de omstandigheid dat het adres en de feitelijke woonplaats van eiser in de periode 1 januari 1993 tot en met 31 december 1999 blijkens het BVR-systeem overeenkomt met de in de renseignementen vermelde adres en woonplaats van een persoon met dezelfde achternaam als die van eiser, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat eiser rekeninghouder is (geweest) van de in de renseignementen vermelde rekening met nummer [nummer].

Omkering bewijslast

4.20.

Verweerder neemt het standpunt in dat eiser niet heeft voldaan aan de inlichtingenverplichting als bedoeld in artikel 47 van de Awr en dat eiser evenmin de vereiste aangifte heeft gedaan. Op grond van artikel 25, derde lid, aanhef, onderdeel b, en slot, van de Awr (tekst vanaf 2008), heeft verweerder bij uitspraken op bezwaar de navorderingsaanslagen gehandhaafd.

4.21.

Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Awr is een ieder verplicht desgevraagd aan de inspecteur de gegevens en inlichtingen te verschaffen en bescheiden over te leggen die voor de belastingheffing te zijnen aanzien van belang kunnen zijn en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers waarvan de raadpleging van belang kan zijn voor de vaststelling van de feiten welke invloed kunnen uitoefenen op de belastingheffing te zijnen aanzien, voor dit doel beschikbaar te stellen.

4.22.

Gelet op de door de Belgische autoriteiten verstrekte gegevens en de door verweerder uitgevoerde identificatie die erin resulteerde dat eiser als rekeninghouder kon worden aangewezen, was er naar het oordeel van de rechtbank, anders dan eiser van mening is, voldoende aanleiding om aan eiser nadere inlichtingen omtrent die rekening te vragen als door verweerder is gedaan. Het vorenstaande brengt mee dat eiser, ingevolge het bepaalde in artikel 47, eerste lid, van de Awr, verplicht was om de door verweerder gevraagde gegevens en inlichtingen te verstrekken. Eiser heeft deze gegevens, ondanks herhaalde verzoeken van verweerder daartoe, niet verstrekt. Eiser heeft niet aan zijn inlichtingenverplichting voldaan. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder terecht in de uitspraken op bezwaar de bewijslast op grond van artikel 25, derde lid, aanhef, letter b, en slot, van de Awr heeft omgekeerd.

4.23.

Nu de bewijslast wegens het niet voldoen aan de inlichtingenverplichting reeds is omgekeerd, komt de rechtbank niet meer toe aan de beoordeling van de vraag of de bewijslast ook moet worden omgekeerd op de grond dat eiser niet de vereiste aangiften heeft gedaan.

4.24.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank gehouden de beroepen, ingevolge artikel 27e, aanhef, onderdeel b, en slot, van de Awr, ongegrond te verklaren, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn, waarbij het op de weg van eiser ligt om overtuigend aan te tonen dat de uitspraken op bezwaar niet in stand kunnen blijven.

4.25.

Met hetgeen eiser heeft aangevoerd, heeft hij naar het oordeel van de rechtbank niet aangetoond dat en in hoeverre de uitspraken op bezwaar onjuist zijn. De enkele, blote stelling van eiser dat hij de VLB heeft aangeschreven om een bewijs te krijgen dat hij geen rekeninghouder bij die bank is (geweest) en dat een reactie van de VLB is uitgebleven, is daarvoor onvoldoende.

Redelijke schatting

4.26.

Op verweerder rust ondanks de omkering van de bewijslast wel de verplichting om een redelijke schatting te maken van de verzwegen inkomens- en vermogensbestanddelen. Verweerder heeft ter onderbouwing van de door hem gecorrigeerde inkomens- en vermogensbestanddelen een berekening overgelegd, welke nader is toegelicht in de verweerschriften onder de punten 6.5.2 (verweerschrift van 14 april 2010) en 6.4.2 (verweerschrift van 24 november 2010). Hieruit komt naar voren dat verweerder zijn schatting heeft gebaseerd op de gemiddelde vermogenstoename van de saldi van alle rekeninghouders bij de VLB die op alle drie de data waarover de belastingdienst informatie uit België heeft ontvangen (21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996), één of meerdere rekeningen in Nederlandse valuta hadden. Het gaat daarbij om de saldi van in totaal 325, op 14 maart 2007, geïdentificeerde personen. Uit de vergelijking van het totaal van die saldi kwam een vermogenstoename op jaarbasis naar voren van respectievelijk 23,55% (21 december 1994 tot 5 september 1996) en 23,66% (21 december 1994 tot 28 november 1996). Verweerder is in zijn schatting voor het vermogen op 1 januari 1996 uitgegaan van het saldo van eisers VLB rekening per 21 december 1994, zoals vermeld in bijlage B.6 van de renseignementen (ƒ 1.226.428). Het vermogen per 1 januari 1995 is aldus vastgesteld op ƒ 1.226.428 en het vermogen per 1 januari 1996 op (ƒ 1.226.428 + 23,5% =) ƒ 1.514.639. Voor het vermogen op 1 januari 1997 en latere jaren is verweerder uitgegaan van het saldo van eisers VLB rekening op 28 november 1996 (ƒ 693.878). Verweerder heeft vervolgens op die vermogens steeds een jaarlijkse vermogenstoename van 23,5% toegepast, die is berekend vanuit het laatst bekende saldo. Ten aanzien van de te belasten inkomensbestanddelen uit vermogen is verweerder, rekening houdende met de wettelijke rentepercentages, de marktrente en de rendementen volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek, uitgegaan van een jaarlijks rendement van 6% over het door hem berekende vermogen, hetgeen betekent dat het belastbare inkomen over 1995 met (6% x ƒ 1.226.428 =) ƒ 73.586 is verhoogd.

4.27.

Alhoewel aan de berekeningswijze van verweerder een zekere grofheid niet kan worden ontzegd, is die berekeningswijze op zichzelf bezien niet zodanig willekeurig en onbetrouwbaar dat de daaruit voortvloeiende schatting als onredelijk ter zijde moet worden geschoven. De omstandigheid dat verweerder bij de berekening van het vermogen jaarlijks een vermogenstoename heeft toegepast, terwijl het saldo van eisers VLB rekening op 28 november 1996 ten opzichte van het saldo op 21 december 1994 aanzienlijk is afgenomen, doet aan voormeld oordeel niet af, aangezien in de door verweerder in aanmerking genomen saldi van de 325 geïdentificeerde personen zowel met toenames als met afnames rekening is gehouden. Bovendien heeft eiser, als houder van de VLB-rekening in de positie verkerend om over gegevens daarvan te beschikken dan wel beschikking te krijgen, niets aangevoerd om de onredelijkheid van de schatting met argumenten te bestrijden. De rechtbank verwerpt eisers stelling dat de schatting van verweerder niet controleerbaar zou zijn, nu verweerder, zoals ook onder 4.3. is overwogen, alle relevante stukken voor de cijfermatige onderbouwing van de redelijke schatting heeft ingebracht.

4.28.

Eiser heeft voorts ter zitting nog aangevoerd dat hij wegens het ontbreken van aangiftebiljetten niet kan nagaan of hij in de jaren 1995 tot en met 2000 het hoogst persoonlijke inkomen heeft gehad. Uit de door verweerder ingebrachte schermprints van de definitieve aanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen komt evenwel naar voren dat eiser in de jaren 1995 tot en met 2000 het hoogst persoonlijke inkomen had. Derhalve heeft verweerder de voor het jaar 1995 in aanmerking genomen inkomenscorrectie terecht aan eiser toegerekend.

4.29.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zijn de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 1995 en vermogensbelasting over het jaar 1996 terecht en naar de juiste bedragen opgelegd. Voorts dienen de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 2002 tot met 2004, overeenkomstig het standpunt van verweerder in 3.3., te worden verminderd. Dit in verband met het feit dat, naar verweerder ter zitting heeft gesteld, op grond van artikel 2.17, vierde lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 de helft van de saldi van de VLB-rekening over die jaren aan eiser dient te worden toegerekend. Overigens brengt het zorgvuldigheidsbeginsel, anders dan eiser ter zitting heeft betoogd, hier niet mee dat voormelde omissie van verweerder tot vernietiging van de navorderingsaanslagen moet leiden. Vorengenoemde navorderingsaanslagen dienen, gelet op de uit gedingstukken naar voren komende aanslaggegevens, als volgt te worden verminderd:

2002 2003 2004

gemiddeld saldo VLB-tegoeden € 721.835 € 795.829 € 869.823

50% correctie VLB-tegoeden € 360.917 € 397.914 € 434.911

50% correctie VLB-tegoeden € 360.917 € 397.914 € 434.911

af: (restant) heffingvrij vermogen € 13.968 € 0 € 0

rendementsgrondslag € 346.949 € 397.914 € 434.911

belastbaar inkomen uit sparen

en beleggen (4%) € 13.877 € 15.916 € 17.396

belastbaar inkomen uit sparen

en beleggen primitieve aanslag € 0 € 110 € 2.356

belastbaar inkomen uit sparen

en beleggen navorderingsaanslag € 13.877 € 16.026 € 19.752.

Verhogingen / vergrijpboetes

4.30. Nu de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 1996 tot en met 2001 en vermogensbelasting over de jaren 1997 tot en met 2000 worden vernietigd, dienen eveneens de in die navorderingsaanslagen begrepen verhogingen en vergrijpboetes te worden vernietigd.

4.31. De rechtbank stelt voorop dat op verweerder de bewijslast rust dat het aan opzet van eiser is te wijten dat over de saldi op de VLB rekening in elk van de jaren 1995, 2002 tot en met 2004 te weinig inkomstenbelasting en in het jaar 1996 te weinig vermogensbelasting is geheven.

4.32. De rechtbank heeft, zoals hiervoor onder 4.18. is overwogen, geen aanleiding om aan de authenticiteit en de betrouwbaarheid van de renseignementen te twijfelen. Daarnaast moet het naar het oordeel van de rechtbank, gelet ook op hetgeen hiervoor onder 4.19. is overwogen, er voor worden gehouden dat eiser houder was van de in de renseignementen vermelde VLB rekening met nummer [nummer]. Uit de renseignementen valt naar het oordeel van de rechtbank voorts op te maken dat op die rekening, bestaande uit een lopende rekening en een effectenportefeuille, op 21 december 1994, 5 september 1996 en op 28 november 1996 een aanzienlijk vermogen, te weten in totaal (afgerond) ƒ 1.226.428, ƒ 671.216 en ƒ 693.878 stond.

4.33. Het is inmiddels van algemene bekendheid dat zogenoemde zwartspaarders met een bankrekening in een land met een bankgeheim gedurende een lange periode deze rekening hebben aangehouden met als doel aanzienlijke vermogens buiten het zicht van de fiscus te houden. Voormelde ervaringsregel vindt ook steun in de door de zogenoemde VLB-meewerkers verstrekte gegevens. In aanmerking nemende dat het er voor moet worden gehouden dat eiser in 1994 en 1996 houder was van voormelde VLB-rekening en er op 21 december 1994, 5 september 1996 en 28 november 1996 een aanzienlijk vermogen stond op die rekening, is het, gelet op eerdergenoemde ervaringsregel, meer dan waarschijnlijk dat deze rekening ook in 1995 bestond en dat deze rekening ook ná 1996 gedurende een reeks van jaren heeft bestaan. Eiser heeft ook in latere jaren een vermogen van een dergelijke omvang niet in zijn aangiften vermeld, zodat dit vermoedelijk op deze of op een andere buitenlandse bankrekening is blijven staan. Gelet op het vorenstaande en de omstandigheid dat eiser tot op heden geen enkele openheid van zaken heeft gegeven en hij op geen enkele wijze heeft meegewerkt om tot een juiste belastingheffing met betrekking tot die rekening te komen, acht de rechtbank het vermoeden gerechtvaardigd dat het in 1996 bestaande saldo op eisers VLB-rekening, zoals dat uit de renseignementen naar voren komt, in de daarop volgende jaren (2002 tot en met 2004), in stand is gebleven, rentedragend is gebleven en / of dividendinkomsten bevat. Gezien de omvang van het in 1994 en 1996 bestaande saldo op eisers VLB-rekening acht de rechtbank eveneens het vermoeden gerechtvaardigd dat op voormelde rekening reeds in 1995 een aanzienlijk saldo stond. Nu eiser het saldo van diens VLB-rekening en de daarop ontvangen rente dan wel dividenden niet in zijn aangiften inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 1995, 2002 tot en met 2004 en vermogensbelasting over het jaar 1996 heeft opgenomen, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat het aan opzet van eiser is te wijten dat van hem in elk van die jaren te weinig belasting is geheven (vgl. Hoge Raad 15 april 2011, nr. 09/05192, LJN: BN6350).

4.34. Daar het voorts van algemene bekendheid is dat banktegoeden en inkomsten daaruit moeten worden aangegeven voor de heffing van de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen en de vermogensbelasting, en Nederlandse banken verplicht zijn opgave te doen aan de fiscus van de bij hen aangehouden rekeningen, heeft eiser door omvangrijke bedragen te storten op een rekening in een land met een bankgeheim dit geld en de daaruit ontvangen inkomsten gedurende een lange reeks van jaren bewust aan het zicht van de fiscus onttrokken. Vorengenoemde omstandigheden, alsmede de omstandigheid dat tevens sprake is van recidive (eiser beschikte immers ook in 1994 over een fors vermogen dat hij niet aan de fiscus heeft opgegeven), maken dat sprake is van omstandigheden die in beginsel in elk van de nog in geding zijnde jaren een verhoging en vergrijpboetes van 100% van de verschuldigde belastingbedragen rechtvaardigen.

4.35. Met betrekking tot de vraag of een boete passend en geboden is, neemt de rechtbank in aanmerking de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan, waaronder ook valt de omstandigheid dat de zogenoemde omkering van de bewijslast is toegepast (vgl. Hoge Raad 18 januari 2008, nr. 41 832, LJN: BC1962 en Hoge Raad 24 oktober 2008, nr. 07/12139, LJN: BG1239). In het onderhavige geval is de hoogte van de verschuldigde belastingbedragen komen vast te staan met toepassing van de omkering van de bewijslast. Daarbij heeft verweerder de saldi van eisers VLB rekening en de daaruit genoten inkomsten geschat. De rechtbank heeft, naar hiervoor onder 4.27. is overwogen, geoordeeld dat deze schatting redelijk is. Het schatten van de saldi en inkomsten brengt naar zijn aard de mogelijkheid mee dat de in werkelijkheid aanwezige tegoeden en daaruit genoten inkomsten lager zijn. Eiser verkeerde echter als rekeninghouder als enige in de positie om duidelijkheid te verschaffen omtrent de daadwerkelijk aanwezige saldi en de daaruit genoten inkomsten. Als gevolg van eisers keuze om die informatie niet te verstrekken, was verweerder genoodzaakt om schattingen van de saldi en inkomsten te maken. De rechtbank acht de door verweerder opgelegde verhoging en vergrijpboetes onder die omstandigheden, ook rekening houdend met de omstandigheid dat de verschuldigde belastingbedragen zijn komen vast te staan met omkering van de bewijslast, passend en vanuit een oogpunt van normhandhaving geboden.

4.36. De door eiser gestelde schending van de motiveringsplicht door verweerder kan evenmin tot een matiging van de verhoging en vergrijpboetes leiden. Van een schending van die plicht is de rechtbank overigens niet gebleken.

4.37. Wel dienen de in de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 2002 tot en met 2004 begrepen vergrijpboetes evenredig te worden verminderd in verband met de hiervoor onder 4.29. genoemde verlagingen van het belastbare inkomen uit sparen en beleggen voor die jaren. Gelet op het vorenstaande dienen die vergrijpboetes tot op de volgende bedragen te worden verminderd:

verschuldigde belasting overboete 100%

correctie VLB-tegoeden (r.o. 4.29)

2002: (€ 13.877 x 30%) = € 4.163 € 4.163

2003: (€ 15.916 x 30%) = € 4.774 € 4.774

2004: (€ 17.396 x 30%) = € 5.218 € 5.218.

Redelijke termijn

4.38. De rechtbank ziet ambtshalve aanleiding om de verhogingen respectievelijk vergrijpboetes in verband met de overschrijding van de redelijke termijn te matigen. Voor de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat deze niet binnen een redelijke termijn geschiedt, indien niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak wordt gedaan, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden (vgl. Hoge Raad 22 april 2005, nr. 37 984, LJN: AO9006, BNB 2005/337). De rechtbank is van oordeel dat, anders dan eiser van mening is, voor het eerst bij brieven van 30 november 2007 en 26 november 2008, waarin de verhogingen en vergrijpboetes voor de onderliggende jaren zijn aangekondigd, jegens eiser een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat aan hem voor de onderliggende jaren verhogingen respectievelijk vergrijpboetes zouden worden opgelegd.

4.39. Het vorenstaande brengt mee dat op het moment waarop de rechtbank uitspraak doet meer dan twee jaren zijn verstreken sinds de aanvang van de redelijke termijn. Op grond van voormeld arrest levert dit in beginsel een overschrijding van de redelijke termijn op. Gelet op de complexiteit van de zaken, als ook het feit dat in het onderhavige geval een 8:29 Awb-procedure heeft plaatsgevonden, doen zich naar het oordeel van de rechtbank bijzondere omstandigheden voor die een afwijking van deze regel rechtvaardigen met een half jaar. Derhalve is met betrekking tot de onderhavige verhogingen dan wel vergrijpboetes sprake van een overschrijding van de redelijke termijn van:

- één jaar en vier maanden ten aanzien van de in de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 1995, 2002 en vermogensbelasting over het jaar 1996 begrepen verhoging en vergrijpboete;

- vier maanden ten aanzien van de in de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 2003 en 2004 begrepen vergrijpboetes.

4.40. De rechtbank matigt de verhogingen respectievelijk vergrijpboetes als volgt:

- de in de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over het jaar 1995, 2002 en de in de navorderingsaanslag vermogensbelasting over het jaar 1996 begrepen vergrijpboete en verhoging met 15%;

- de in de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 2003 en 2004 begrepen vergrijpboetes met 5%.

4.41. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dienen de onderstaande verhogingen en vergrijpboetes tot de volgende bedragen te worden verminderd:

Navorderingsaanslagen IB/PVV verhoging / boete (100%) verhoging / boete na matiging

1995 ƒ 43.873 (€ 19.908) € 16.921

2002 € 4.163 € 3.538

2003 € 4.774 € 4.535

2004 € 5.218 € 4.957

Navorderingsaanslagen VBverhoging / boete (100%)verhoging / boete na matiging

1996 ƒ 11.760 (€ 5.336) € 4.535.

Heffingsrente

4.42. Gelet op verweerders toelichting in het verweerschrift is de rechtbank voorts van oordeel dat verweerder aannemelijk heeft gemaakt dat hij de in rekening gebrachte heffingsrenten niet te hoog heeft vastgesteld. Overigens heeft eiser ook geen afzonderlijke gronden tegen die berekening aangevoerd. Wel dienen de in rekening gebrachte heffingsrenten, in verband met de hiervoor onder 4.29. genoemde verminderingen van de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen over de jaren 2002 tot en met 2004, dienovereenkomstig te worden verminderd.

Slotsom

4.43. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen zijn de beroepen, voor zover die zijn gericht tegen de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen, de heffingsrentebeschikkingen en de boetebeschikkingen over de jaren 1996 tot en met 2004, gegrond. Voorts zijn de beroepen, voor zover die zijn gericht tegen de navorderingsaanslagen vermogensbelasting, de heffingsrentebeschikkingen en de boetebeschikkingen over de jaren 1997 tot en met 2000, gegrond.

4.44. De beroepen zijn voor het overige ongegrond.

VProceskosten

De rechtbank vindt aanleiding verweerder te veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van de bezwaren en de beroepen AWB 10/274, AWB 10/5016 t/m AWB 10/5020, AWB 10/5021 t/m AWB 10/5024 en AWB 10/5025 t/m AWB 10/5027 redelijkerwijs heeft moeten maken, waarbij de rechtbank de zaken AWB 10/5016 t/m AWB 10/5020, AWB 10/5021 t/m AWB 10/5024 en AWB 10/5025 t/m AWB 10/5027 aanmerkt als samenhangende zaken in de zin van artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit). Deze kosten zijn voor zaak AWB 10/274 op de voet van het Besluit voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 1.092 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 218, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437, wegingsfactor 1). De kosten voor de samenhangende zaken AWB 10/5016 t/m AWB 10/5020, AWB 10/5021 t/m AWB 10/5024 en AWB 10/5025 t/m AWB 10/5027 zijn vastgesteld op € 1.638 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift met een waarde per punt van € 218, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 437, wegingsfactor 1 en factor 1,5 voor samenhang). De totale vergoeding bedraagt derhalve € 2.730. ”

Beoordeling van de hoger beroepen

De op de zaak betrekking hebbende stukken

7.1.1. Het Hof volgt het oordeel van de rechtbank in 4.1 tot en met 4.3 omtrent de op de zaak betrekking hebbende stukken en maakt dat tot de zijne.

7.1.2. Ook in hoger beroep is niet aannemelijk geworden dat de namen, telefoon- en faxnummers en de adressen van belastingambtenaren een rol hebben gespeeld bij de besluitvorming van de Inspecteur om de onderhavige navorderingsaanslagen op te leggen, noch bij de onderbouwing van die aanslagen. De geheimhoudingskamer van de rechtbank (hierna: de geheimhoudingskamer) heeft in de uitspraak van 27 mei 2011 beslist dat het belang van de privacy van deze gegevens van groter belang geacht dan het belang van belanghebbende bij de kennisneming van deze gegevens. De rechtbank heeft deze beslissing in de uitspraak van 27 september 2011 terecht gevolgd.

7.1.3. De geheimhoudingskamer heeft geoordeeld dat bijlage E bij de brief van de Inspecteur van 25 januari 2011 - bevattende de gegevens van meewerkers in eerdere rekeningprojecten en het onderhavige rekeningproject - een op de zaak betrekking hebbend stuk is dat geanonimiseerd van naam, sofinummer en rekeningnummer aan belanghebbende dient te worden verstrekt. De Inspecteur heeft gesteld dat in plaats van dit stuk – door partijen omschreven als memo – in bijlage 17 bij het verweerschrift van 24 november 2010 alle gegevens uit het memo zijn opgenomen behalve de hiervoor genoemde te anonimiseren gegevens. Het Hof acht de afweging die de rechtbank gemaakt heeft tussen het privacyaspect van bekendmaking van namen, sofinummers en rekeningnummers redelijk. De rechtbank heeft derhalve terecht afgezien van het verbinden van gevolgen aan het niet overleggen van bijlage E.

7.1.4. Omtrent de bijlagen B1, B2 en B6 bij de Nota: de rekeningstandenlijsten.

De Inspecteur heeft als bijlage bij het verweerschrift voor de rechtbank in geanonimiseerde vorm de rekeningstandenlijsten verstrekt alsmede de pagina van het renseignement waarop de naam van belanghebbende is vermeld. Ter zake van de namen van de rekeninghouders en de rekeningnummers die in de overgelegde bijlagen zijn geanonimiseerd doet de Inspecteur een beroep op artikel 8:29 Awb. Als gewichtige redenen voor de geheimhouding heeft de Inspecteur genoemd de bescherming van persoonsgegevens van derden en controlestrategische overwegingen.

De geheimhoudingskamer heeft geoordeeld dat de privacy van de betreffende rekeninghouders en controlestrategische overwegingen zich verzetten tegen openbaarmaking van de namen van de rekeninghouders en van de rekeningnummers. Zoals de Inspecteur terecht heeft aangevoerd zouden potentiële belastingplichtigen die nog niet zijn geïdentificeerd aan de hand van deze gegevens kunnen nagaan of zij al dan niet voorkomen op de lijsten en aan de hand daarvan kunnen afwegen of zij al dan niet moeten of willen inkeren. Het door belanghebbende gestelde belang bij kennisneming van de ongeanonimiseerde gegevens weegt naar het oordeel van de rechtbank hier niet tegen op. Voor wat betreft de namen van de rekeninghouders en rekeningnummers doet de Inspecteur terecht een beroep op artikel 8:29 van de Awb.

Belanghebbende heeft voor het Hof gesteld dat hij korte inzage wenst in deze gegevens om de authenticiteit en betrouwbaarheid te kunnen beoordelen. De gegevens zijn in geanonimiseerde vorm verstrekt en belanghebbende heeft geen feiten en/of omstandigheden gesteld op grond waarvan zou moeten worden getwijfeld aan de authenticiteit en/of betrouwbaarheid. Het Hof volgt de door de geheimhoudingskamer gemaakte afweging.

7.1.5. Met betrekking tot de door belanghebbende in hoger beroep genoemde stukken oordeelt het Hof als volgt.

Agendapunten en bijbehorende verslagen in het kader van het Project Bank Zonder Naam zijn zonder nadere aanduiding te algemeen van aard omschreven om te kunnen wijzen op een of meerdere stukken die op de zaak van belanghebbende betrekking hebben.

Ten aanzien van agendapunten en verslagen van kick-off bijeenkomsten is het Hof van oordeel dat deze in een te ver verband staan met de beslissing om navorderingsaanslagen op te leggen om relevant te kunnen zijn voor de zaak van belanghebbende.

De Inspecteur heeft verklaard dat geen stukken aanwezig zijn betreffende de vermeende afpersing van de bankinstelling. De gedingstukken wijzen niet in de richting van de aanwezigheid van dergelijke stukken.

Het memo van 24 november 2006, bijlage J, inzake de identificatie met gegevens van belastingplichtigen die in een ander rekeningproject openheid van zaken hebben gegeven is door de geheimhoudingskamer onder de geheimhouding geplaatst. De rechtbank heeft daarvoor redengevend geoordeeld dat de Belastingdienst een gerechtvaardigd belang heeft bij een effectieve controle en controlestrategie. Het algemene publieke belang van een adequaat functionerende Belastingdienst acht de rechtbank van groter gewicht dan het individuele belang van belanghebbende bij het verkrijgen van de in het memo opgenomen aanvullende informatie. Het Hof is van oordeel dat dit terecht is gebeurd. De identificatie van belanghebbende is uitvoerig omschreven in het verweerschrift en de bijlage 12 bij het verweerschrift voor de rechtbank. Niet blijkt dat identificatie afhankelijk was van de identificatie van belastingplichtigen die in een ander rekeningproject openheid van zaken hebben gegeven.

De Inspecteur heeft ter zitting gesteld dat geen verslag is gemaakt van een extra identificatiecheck en/of chikwadraattoets op de renseignementen naar aanleiding van een verzoek van de projectleider van 20 december 2006; die is uitgevoerd op de eenheden zelf; op de betreffende belastingeenheden is nog eens de juistheid van de gegevens van de belanghebbenden met nummer, sofinummer, rekeningnummer en adres nagegaan. Het Hof ziet geen reden om aan de juistheid van die verklaring te twijfelen.

7.1.6. De Inspecteur heeft in hoger beroep alsnog overgelegd de e-mailberichten van 20 november 2006 en 5 december 2006.

7.1.7. Het Hof verwerpt het standpunt van belanghebbende dat kopieën van originele aangiftebiljetten hadden moeten worden overgelegd. De aangiftegegevens zijn vermeld op de overgelegde schermuitdraaien onder de noemer aangeleverde gegevens. Niet gesteld of gebleken is dat belanghebbende zelf niet op eenvoudige wijze een kopie van de destijds ingeleverde biljetten kon overleggen.

(Verlengde) navorderingstermijn

7.2.1. Naar aanleiding van de arresten van het Hof van Justitie EG van 11 juni 2009, X en E.H.A. Passenheim-van der Schoot, C-155/08 en C-157/08, BNB 2009/222, heeft de Hoge Raad in zijn arresten van 26 februari 2010, nrs. 43 050bis en 43 670bis, LJN: BJ9092 en BJ9120, BNB 2010/199 en 200, regels geformuleerd, die in verband met de eerbiediging van het door het Hof van Justitie EG genoemde evenredigheidsbeginsel ter rechtvaardiging van de beperking van het vrije verkeer van kapitaal die artikel 16, vierde lid, van de Awr inhoudt, in acht moeten worden genomen bij het opleggen van een navorderingsaanslag met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn op een tijdstip waarop de reguliere navorderingstermijn van vijf jaar is verstreken. Op grond van deze regels moet, na het verkrijgen van aanwijzingen van het bestaan van de in het buitenland aangehouden spaartegoeden, het tijdsverloop worden aanvaard dat noodzakelijkerwijs is gemoeid met:

(i) het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting, en tevens

(ii) het met redelijke voortvarendheid voorbereiden en vaststellen van een navorderingsaanslag aan de hand van de gegevens die de inspecteur ter beschikking staan.

Niet van belang is of de aanwijzingen zijn verkregen voor of na afloop van de reguliere navorderingstermijn van vijf jaar en of sprake is van een bankgeheim in het land waar de tegoeden zich bevinden.

7.2.2. Voor zover het standpunt van belanghebbende erop neerkomt dat uit de in 7.2.1 genoemde arresten van het Hof van Justitie EG volgt dat de verlengde navorderingstermijn van twaalf jaar voor navordering niet geldt voor de tijd die nodig is voor het verkrijgen van inlichtingen bij de belastingplichtige zelf of derden binnen Nederland is het Hof van oordeel dat voor dit standpunt geen steun is te vinden in evenvermelde arresten van het Hof van Justitie EG noch in de arresten van de Hoge Raad die daarna zijn gewezen.

7.2.3. Voor elk van de navorderingsaanslagen die zijn opgelegd met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn moet worden beoordeeld of het tijdsverloop tussen het moment waarop de Inspecteur aanwijzingen van het bestaan van de VLB-rekening heeft verkregen en het tijdstip waarop hij de navorderingsaanslagen heeft opgelegd, aanvaardbaar is.

7.2.4. Het onderzoek dient zich in het onderhavige geval te richten op de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 1995 tot en met 2001 en de navorderingsaanslagen VB voor de jaren 1996 tot en met 2000 die, naar tussen partijen kennelijk niet in geschil is, zijn opgelegd met gebruikmaking van de verlengde navorderingstermijn.

7.2.5. De navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2002 tot en met 2004 zijn opgelegd op 31 december 2007 (2002) en 24 december 2008 (2003 en 2004). Voor die jaren is door de Inspecteur derhalve geen gebruik gemaakt van verlenging van de termijn voor navordering van vijf jaar tot twaalf jaar. Voorzover belanghebbende stelt dat de navorderingsaanslagen die zijn opgelegd met toepassing van de navorderingstermijn van vijf jaar niet met de nodige voortvarendheid zijn opgelegd en deze aanslagen, naar belanghebbende stelt, om die reden niet in stand kunnen blijven, verwerpt het Hof die stelling, reeds omdat de in 7.2.1 genoemde arresten niet inhouden dat het beginsel van evenredigheid ook geldt in het geval de verlengde navorderingstermijn neergelegd in artikel 16, vierde lid, van de Awr geen toepassing vindt. Het Hof zal derhalve de hiervoor in 7.2.1 geformuleerde toets van voortvarendheid bij de hier vermelde navorderingsaanslagen niet aanleggen.

7.2.6. De tijd die de Inspecteur heeft besteed aan het verkrijgen van de inlichtingen die nodig zijn voor het bepalen van de verschuldigde belasting en die welke noodzakelijkerwijs is gemoeid met het voorbereiden en vaststellen van een navorderingsaanslag, zoals de identificatie en het overige fiscale onderzoek, dient aanvaardbaar te zijn. Daarbij neemt het Hof in aanmerking de massaliteit van het aantal gegevens, de grote hoeveelheid van de vermeende rekeninghouders en de ten aanzien van ieder van hen te betrachten zorgvuldigheid om tot een eenduidige identificatie te komen.

7.2.7. Tussen het moment dat in februari 2005 de informatie via de Belgische belastingautoriteit bij de FIOD/ECD binnenkwam en het moment dat voor het eerst contact met belanghebbende is opgenomen door het zenden van een vragenbrief, is ongeveer twee jaar en negen maanden verstreken. De Inspecteur heeft verklaard dat in die periode de informatie is bestudeerd, dat een projectteam is opgezet, dat een draaiboek is opgezet voor het identificeren en belasten van de daarbij genoemde personen en dat de identificatie heeft plaatsgevonden.

7.2.8. De Belastingdienst is na ontvangst van de inlichtingen in februari 2005 gestart met het verifiëren en analyseren van de ontvangen informatie. Gelet op de grote hoeveelheid gegevens en de in acht te nemen zorgvuldigheid is ervoor gekozen de gegevens op een projectmatige wijze te verwerken. De daarmee gemoeide projectwerkzaamheden hebben onafgebroken plaatsgevonden. De projectwerkzaamheden hebben niet allemaal tegelijk plaatsgevonden, doch steeds hebben volgtijdelijk ten minste één van onderstaande typen projectwerkzaamheden plaatsgevonden. Ruwweg kunnen de projectmatige werkzaamheden in drie verschillende periodes worden onderscheiden.

7.2.9. De eerste fase was de onderzoeksfase. Gedurende deze fase is onderzocht en beoordeeld of de ontvangen gegevens bruikbaar waren voor fiscale behandeling. Deze fase heeft geduurd vanaf het moment dat de gegevens zijn ontvangen tot ruwweg maart 2006. De werkzaamheden binnen deze periode hebben bij de FIOD/ECD en Belastingdienst Centrum voor Product en Procesontwikkeling (B/CPP) plaatsgevonden.

In deze periode hebben de volgende activiteiten plaatsgevonden:

(1) opstarten van behandeling: de interne Organisatie informeren over het verkrijgen van de gegevens en capaciteit vrijmaken om met de gegevens aan de slag te gaan;

(2) analyseren en veredelen van de ontvangen gegevens: het digitaliseren, rubriceren en ordenen van de gegevens. Hiervoor zijn geautomatiseerd verschillende bestanden gemaakt, gekoppeld en met elkaar vergeleken;

(3) identificeren van rekeninghouders; het ontwerpen van geautomatiseerde zoekvragen

ter identificatie; het via interne en externe systemen koppelen van de ontvangen gegevens aan inwoners van Nederland. Enerzijds hebben geautomatiseerde zoekslagen plaatsgevonden die grotendeels zijn uitgevoerd door een EDP-auditor van B/CPP (zie het Proces-verbaal Geautomatiseerde identificatie van 13 maart 2003). Anderzijds zijn diverse handmatige zoekslagen gemaakt. Door deze onderzoeken zijn bijvoorbeeld eigenaren van postbussen achterhaald, telefoonnummers gekoppeld aan belastingplichtigen en codenamen gekraakt. Bij twijfel werden steeds weer nieuwe zoekslagen gemaakt, zodat de juist geïdentificeerde personen aangeschreven konden worden; en

(4) sofiëren van de gegevens. Het zodanig bewerken van de ontvangen gegevens tot voor de behandeling van individuele belastingplichtigen noodzakelijke informatie.

De activiteiten onder 2, 3, en 4 hebben het grootste gedeelte van de voorperiode doorlopend plaatsgevonden.

7.2.10. De tweede fase was de besluit- en inrichtingsfase. Gedurende deze fase heeft (1) in het voorjaar 2006 overleg plaatsgevonden tussen de Kennisgroep Landelijke Acties, het ministerie van Financiën en de FIOD-ECD. Besloten is tot een landelijk gecoördineerde aanpak in een project. Voorts hebben besprekingen over risico’s, rechtsvragen, mogelijk- en onmogelijkheden in het project bij de Belastingdienst plaatsgevonden. Daarnaast is een projectleider aangezocht die op 24 augustus 2006 van start is gegaan; en (2) continue afstemming plaatsgevonden met het ministerie van Financiën (afstemmen en informeren over ontwikkelingen en voortgang).

7.2.11. De derde fase was de projectfase. In het algemeen kunnen de werkzaamheden in deze periode als volgt worden samengevat:

(1) samenstellen van een landelijk projectteam;

(2) opzetten van een projectorganisatie: plannen maken en uitwerken, het landelijke en regionale management van de Belastingdienst informeren, formeren van een groep collegae die het landelijke project regionaal uitzet en bewaakt (= de regiotrekkers), capaciteit vrij doen maken in de regio’s voor het behandelen van de renseignementen, regelen van administratieve ondersteuning op landelijk en regionaal niveau;

(3) opzetten van een projectapplicatie: bouwen van een computerprogramma specifiek toegesneden voor de fiscale behandeling met betrekking tot de ontvangen gegevens. Deze applicatie verschaft behandelaren en projectleiding steeds op individueel niveau inzage in de behandeling;

(4) afstemmen en schrijven van een draaiboek: raadplegen deskundigen heffing, inning en opsporing. Afstemmen met deskundiger successierecht en het Openbaar Ministerie;

(5) informeren, organiseren en houden van startbijeenkomsten voor de regiotrekkers;

(6) het schrijven van standaardbrieven die bij de aanvang van het project verstuurd moeten worden;

(7) verifiëren van de ontvangen gegevens: op verschillende manieren beoordelen of de ontvangen gegevens (voldoende) betrouwbaar zijn (vergelijken met gegevens die reeds in eerdere projecten verstrekt waren en chi-kwadraattoets);

(8) selecteren van posten in verband met mogelijk strafrechtelijk onderzoek; (9) voorbereiding starten van civiele kortgedingprocedures, en overleg met de Landsadvocaat.

Het analyseren en veredelen van de gegevens en het identificeren van rekeninghouders heeft hierbij de meeste tijd gevergd. Deze activiteiten hebben gedurende de periode april 2005 tot en met maart 2007 onafgebroken plaatsgevonden en zijn naderhand vervolgd. In maart 2007 is besloten de gegevens van de eerste tranche geïdentificeerde belastingplichtigen vrij te geven voor behandeling op de diverse kantoren van de Belastingdienst.

De keuze voor een projectmatige aanpak is naar het oordeel van het Hof aanvaardbaar vanwege de eenheid van beleid en uitvoering. Belanghebbende behoorde niet tot die eerste tranche. De Inspecteur is, belanghebbende heeft dit niet weersproken, op 24 mei 2007 op de hoogte gekomen van het feit dat belanghebbende naar voren is gekomen als rekeninghouder van de VLB. Gelet op de uitgevoerde werkzaamheden en de daarbij nagestreefde zorgvuldigheid is de met het identificatieproces gemoeide tijd van twee jaar en twee maanden daarvoor niet onredelijk lang.

7.2.12. Het Hof sluit zich aan bij hetgeen de rechtbank in 4.10 en 4.11 van de uitspraak heeft overwogen. De eerste vragenbrief van de Inspecteur dateert van 1 november 2007. De tijd die is verstreken van mei 2007 tot november 2007 is, in aanmerking genomen dat de naam van de echtgenote diende te worden gecontroleerd en dat diende te worden bezien wie van de twee het hoogste persoonlijke inkomen had, niet te lang. Belanghebbende heeft op de vragenbrief niet gereageerd. Hierna is op 13 november 2007 een rappel gezonden waarop belanghebbende evenmin heeft gereageerd. Vervolgens heeft de Inspecteur op 30 november 2007 de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en 2002 en VB 1996 aangekondigd. Daarna heeft de gemachtigde zich op 10 december 2007 gesteld. Bij brief van 19 december 2007 is verzocht door de gemachtigde om concrete informatie. Het voornemen tot het opleggen van de navorderingsaanslagen met verhogingen en boetes over de andere jaren heeft de Inspecteur aan belanghebbende meegedeeld op 30 november 2007 onder de voorwaarde dat het feitencomplex niet wijzigt. Belanghebbende is daarbij in de gelegenheid gesteld op dit voornemen te reageren. Het bezwaar tegen de eerste navorderingsaanslagen heeft de gemachtigde gemotiveerd in april 2008. De tijdspanne die is verstreken tussen mei 2007 en het daadwerkelijk opleggen van de eerste navorderingsaanslagen op 31 december 2007, is aanvaardbaar. Het Hof heeft hierbij ook gelet op de omstandigheid dat voor het opleggen van deze navorderingsaanslagen een handmatig proces moest worden uitgevoerd.

7.2.13. Het Hof volgt het oordeel van de rechtbank in onderdeel 4.12 met betrekking tot het ontbreken van voldoende voortvarendheid in de periode die is verstreken van eind april 2008 tot eind december 2008. De bezwaarfase met betrekking tot de eerder opgelegde navorderingsaanslagen over de inkomstenbelastingjaren 1995 en 2002 en het vermogenbelastingjaar 1996 laat onverlet dat niets de Inspecteur in de weg stond, toen eind april 2008 duidelijk was dat belanghebbende ontkende over enige rekening in het buitenland te beschikken en van hem geen enkele medewerking te verwachten viel, ook de navorderingaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 1996 tot en met 2001 en de vermogensbelasting 1997 tot en met 2000 op te leggen. De omstandigheid dat bezwaar liep tegen de navorderingsaanslagen inkomstenbelasting voor 1995 en 2002 en de vermogensbelasting 1996 doet daar in zoverre niet aan af. Ook niet van belang is de omstandigheid dat de Belastingdienst standaardafdoeningen voor de bezwaarschriften van de gemachtigde van belanghebbende aan het formuleren was. De door de Inspecteur aangevoerde hercheck in de zomer van 2008 heeft plaatsgevonden omdat bij rekeningen met dubbele namen de mogelijkheid bestond dat gezien de gebruikte query 2005 een aantal belastingplichtigen niet in de heffing zou worden betrokken. Die omstandigheid staat er echter niet aan in de weg dat belanghebbende die wel reeds in de navordering was betrokken ook de navorderingaanslagen inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen 1996 tot en met 2001 en de vermogensbelasting 1997 tot en met 2000 opgelegd kon krijgen. De periode eind april 2008 tot eind december 2008 bevat een onverklaarbare vertraging van meer dan zes maanden.

Identificatie

7.3.1. Het Hof volgt het oordeel van de rechtbank in overweging 4.19 van zijn uitspraak ten aanzien van de identificatie van belanghebbende als rekeninghouder van VLB met nummer [nummer] en maakt deze tot de zijne. Uit het proces-verbaal van ambtshandeling blijkt dat de identificatie zorgvuldig tot stand is gekomen. De identificatie is tot stand gekomen aan de hand van een adressenbestand dat behoorde tot de uitgewisselde inlichtingen tussen België en Nederland. Er zijn geen feiten en of omstandigheden uit het dossier naar voren gekomen op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat dit bestand door toedoen van de Belgische overheid is verkregen door middel van onrechtmatig gebruik van bevoegdheden. De omstandigheid dat de gegevens van de privépersoon die ze in handen heeft gekregen en die de overheid bij een huiszoeking heeft verkregen, afkomstig zijn uit diefstal of een ander strafbaar feit als bijvoorbeeld afpersing door die persoon gepleegd, levert geen onrechtmatig handelen door de Inspecteur op.

Er is geen enkele aanwijzing dat de Belgische overheid de hand heeft gehad in de ontvreemding van de gegevens van Van Lanschot en ook anderszins bestonden voor de Nederlandse belastingautoriteiten geen redenen om aan te nemen dat bij de verkrijging van de gegevens door de Belgische overheid een zo fundamenteel recht van de daarin vermelde personen was geschonden dat het instellen van een nader onderzoek naar de fiscale relevantie van die gegevens ontoelaatbaar moest worden geoordeeld (vgl. Hoge Raad 21 maart 2008, nr. 43 050, LJN BA 8179).

7.3.2. Voor zover belanghebbende met een beroep op de Richtlijn van de Raad van de Europese gemeenschappen van 19 december 1977 betreffende de wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen, bepaalde accijnzen en heffingen op verzekeringspremies (hierna: Bijstandsrichtlijn) heeft bedoeld te stellen dat de Nederlandse en Belgische overheid de informatie van Van Lanschot heeft verkregen met schending van de soevereiniteit van de Staat Luxemburg, faalt die stelling eveneens. De Bijstandsrichtlijn is uitsluitend gericht tot de lidstaten en belastingplichtigen, zoals belanghebbende, kunnen daaraan geen rechten ontlenen. In onderhavige zaken is verder geen sprake geweest van informatie-uitwisseling tussen Luxemburg en Nederland, maar van het overdragen van gegevens door de Belgische fiscale autoriteiten aan de Nederlandse fiscale autoriteiten. De Bijstandsrichtlijn mist derhalve toepassing (vergelijk Hoge Raad 4 juni 2010, nr. 09/00212, LJN BM0137).

7.3.3. Gelet op deze unieke identificatie is vastgesteld dat slechts belanghebbende als rekeninghouder van de rekening met nummer [nummer] in aanmerking komt. Deze rekening bestond in ieder geval uit een rekening-courant en een beleggingsrekening met bonds, options en investment funds.

7.3.4. Belanghebbende heeft geen reden aangevoerd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van de daarvoor door de Inspecteur in 2007 aangeboden modelbrief en waarom hij geen antwoord heeft gegeven op het verzoek van de Belastingdienst om nadere informatie.

7.3.5. De omstandigheid dat een rekening-courant op naam van belanghebbende bekend is alsmede een beleggingsrekening met drie soorten beleggingen tezamen met de omstandigheid dat op drie data een in december 1994 , een in september 1996 en een in november 1996 saldi bekend zijn, leidt het Hof tot het oordeel dat deze rekeningen ook in het tussenliggende jaar 1995 en in het jaar 1996 een geschiedenis van mutaties moet hebben gekend. Belanghebbende heeft onvoldoende feiten en/of omstandigheden aangevoerd waaruit het tegendeel volgt.

7.3.6. Van consumptieve bestedingen van het saldo van de rekening(en) in 1994, 1995 en 1996 blijkt niets. Ook niet in de jaren na 1996. Van overbrenging van kapitaal naar Nederland blijkt niet uit de aangiften en ook niet uit andere gedingstukken. Belanghebbende heeft in geen van de door de Inspecteur overgelegde aangiften renten of saldi van een of meer buitenlandse bankrekeningen vermeld. Anders dan belanghebbende stelt is het niet nodig dat de Inspecteur voor de juistheid van deze stelling deze slechts kan bewijzen door de aangiftebiljetten in het geding te brengen. De aangeleverde gegevens geven al voldoende aanleiding voor de juistheid van zijn stelling en het is van algemene bekendheid dat de biljetten over de nagevorderde jaren steeds een vraag hadden of er buitenlandse rekeningen waren en/of er rente was genoten. Het lag vervolgens op de weg van belanghebbende om hierover informatie te verstrekken. De stelling van belanghebbende dat slechts een bericht van de VLB-bank per navorderingsjaar kan dienen als bewijs dat over een betreffend jaar een rekening aanwezig is ziet eraan voorbij dat de Inspecteur bewijs kan leveren op grond van alle feiten/en of omstandigheden waaruit het bestaan van een dergelijke rekening kan worden afgeleid.

Het Hof komt, mede gelet op het omvangrijke bedrag eind 1996, tot het oordeel dat aannemelijk is dat het tegoed bij de VLB ook na 1996 in stand is gebleven hetzij bij VLB of op een andere (buitenlandse) bankrekening en dat dit niet tot het aangegeven en belastbare vermogen voor de vermogensbelasting is gaan behoren. Hetzelfde geldt voor het op de rekeningen behaalde rendement voor de inkomstenbelasting. Belanghebbende heeft onvoldoende feiten en/of omstandigheden aangevoerd die aanleiding kunnen vormen om hierover anders te oordelen.

Bewijslastverdeling

7.4.1. De Inspecteur heeft belanghebbende gevraagd gegevens en inlichtingen te verschaffen over de door hem in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Daarbij is belanghebbende erop gewezen dat hij verplicht is die gegevens en inlichtingen te verstrekken en dat het niet voldoen aan deze verplichting leidt tot omkering en verzwaring van de bewijslast.

7.4.2. Vaststaat dat in het kader van de vaststelling van de navorderingsaanslagen geen door de Inspecteur verlangde gegevens of inlichtingen over enige op naam van belanghebbende staande in het buitenland aangehouden bankrekening zijn verstrekt, terwijl belanghebbende reeds buiten eigen toedoen als houder van die buitenlandse rekening was geïdentificeerd, de Inspecteur van die gegevens en inlichtingen derhalve het bestaan mocht aannemen en voldoende aannemelijk is geworden dat belanghebbende over die gegevens en inlichtingen beschikte of kon beschikken maar niet de moeite heeft genomen om inlichtingen van de VLB te verzoeken en ook niet het door de Belastingdienst toegezonden formulier ter verkrijging van inlichtingen van de VLB wilde invullen en verzenden aan de VLB. Gelet op hetgeen hiervoor onder 7.3.1 tot en met 7.3.4 is overwogen heeft belanghebbende niet voldaan aan zijn verplichting ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Awr. Hieruit volgt dat het Hof de beroepen met betrekking tot de nagevorderde belasting over de navorderingsjaren op grond van het bepaalde in artikel 27e, onderdeel b, van de Awr ongegrond dient te verklaren, tenzij blijkt dat en in hoeverre de uitspraken op het bezwaar onjuist zijn.

Redelijke schatting

7.5.1. Belanghebbende is - naar het Hof bewezen acht - houder van de rekening bij de VLB. Belanghebbende heeft geen opening van zaken hierover gegeven. Dit betekent dat de Inspecteur ter vaststelling van de over de betrokken jaren verschuldigde belasting is aangewezen op een schatting.

7.5.2. Bij het maken van die schatting mag de Inspecteur een navorderingsaanslag niet naar willekeur vaststellen. De navorderingsaanslag moet berusten op een redelijke schatting van de te weinig betaalde belasting. Wat betreft de gemaakte schatting volgt het Hof het oordeel van de rechtbank in overwegingen 4.26 en 4.27.

7.5.3. De Inspecteur heeft de hoogte van de correctie voor elk jaar gebaseerd op een vermogenstoename van 23,5 percent. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de berekening jegens de betreffende rekeninghouder (weigeraar en geïdentificeerde ontkenner) redelijk en dus niet willekeurig mag zijn. Deze mag echter, gelet op de mate waarin gegevens slechts summier beschikbaar zijn, wel enige ruwheid vertonen (vgl. HR 15 april 2011, nr. 09/03075, LJN: BN6324).

7.5.4. Aangenomen moet worden dat de in 7.5.3. genoemde maatstaf in het onderhavige rekeningproject eveneens geldt en dat, zoals de Hoge Raad heeft overwogen in voormeld arrest, ook geldt dat het model nog aan de hiervoor aangelegde maatstaf voldoet wanneer – gegeven het feit dat de Inspecteur door de houding van de rekeninghouder over slechts minimale gegevens beschikt – op redelijke wijze wordt vermeden dat inkomsten uit banksaldi ten onrechte niet in de heffing worden betrokken. Dit brengt, naar de Hoge Raad heeft geoordeeld, onder meer mee dat het model gegevens van de vergelijkingsgroep (waartoe meewerkers behoren) als maatstaf mag nemen zonder uit te gaan van de gemiddelden binnen die groep, en dusdoende, mits onderbouwd, rekening mag houden met de reële kans dat een weigeraar in een bepaald jaar een buitenlands tegoed aanhield, als ook met de reële kans dat een weigeraar in een bepaald jaar een banktegoed aanhield dat hoger is dan het – uit bekende gegevens afgeleid – gemiddelde van de vergelijkingsgroep.

7.5.5. In het onderhavige geval is weliswaar sprake van enige ruwheid maar steeds is rekening gehouden met bekende saldi en is voor de jaren na 1996 verder gerekend met het eindsaldo uit 1996 van belanghebbende zelf met een vermogenstoename van 23,5 percent per jaar. Dit percentage vloeit voort uit de gemiddelde vermogenstoename inclusief stortingen, afboekingen, rente, dividend en beleggingsresultaat van 325 rekeninghouders die een of meerdere rekeningen hadden bij VLB op de data in 1994 en 1996 waarop belanghebbende ook een rekening aanhield. Hierbij heeft de Inspecteur het percentage gerekend over het gehele jaar en niet over een gedeelte groter dan een jaar zoals belanghebbende stelt. De stelling dat de vermogenstoename exclusief stortingen is genomen, is niet in overeenstemming met de feiten aangezien is uitgegaan van saldi en niet van afzonderlijke mutaties op de rekeningen. De gevolgde methode is, vergeleken met het door de Hoge Raad getoetste model, dus toelaatbaar.

7.5.6. Voor het percentage van zes ter berekening van het fictieve rendement tot het jaar 2001, is de Inspecteur uitgegaan van het fictieve rendement dat van toepassing is op het in buitenlandse beleggingsinstellingen aangehouden vermogen (artikel 29a Wet op de inkomstenbelasting 1964). Daarbij is rekening gehouden met de omstandigheid dat de wettelijke rente over de jaren 1995 tot en met 2000 gemiddeld ten minste ook dit percentage bedroeg, terwijl overige rente-indicaties hiervan niet sterk afweken, alsmede met de omstandigheid dat obligaties in het algemeen langere tijd worden aangehouden tegen het oorspronkelijke (hogere) percentage en dat over feitelijke dividendinkomsten geen eenduidige uitspraken kunnen worden gedaan. Het Hof acht dit een redelijk uitgangspunt. De stelling van belanghebbende dat het rentepercentage op 5 zou moeten worden gesteld, omdat het gemiddelde rendement op vermogen dat voor 90 percent bestaat uit spaartegoeden en obligaties voor de jaren 1997 tot en met 2000 onderscheidenlijk 5,33, 4,75, 4,19 en 4,92 percent bedraagt, verwerpt het Hof. Belanghebbende heeft noch voor de stelling dat zijn vermogen voor 90 percent uit spaartegoeden en obligaties bestaat, noch voor de gestelde rentepercentages enig bewijs bijgedragen, zodat die stellingen niet aannemelijk zijn geworden.

7.5.7. Belanghebbende heeft tegenover het in 7.5.1 tot en met 7.5.6 overwogene niet doen blijken dat de correcties van de Inspecteur te hoog zijn vastgesteld.

Gelijkheidsbeginsel

7.6. Belanghebbende stelt dat hij ongelijk wordt behandeld “ten opzichte van andere belastingplichtigen die zich in een exact vergelijkbare casus en fiscale rechtspositie bevinden”. Hij onderbouwt deze stelling met (een citaat uit) een brief van 31 oktober 2011 van de Belastingdienst waarin de Belastingdienst in een andere zaak waarin dezelfde gemachtigde optreedt, laat weten dat in die zaak nadere bestudering van het dossier tot de conclusie heeft geleid dat slechts de navorderingsaanslagen IB/PVV 1995 en 1996 in geschil zijn.

Een beroep op het gelijkheidsbeginsel kan alleen slagen als sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen op grond van begunstigend beleid of een oogmerk tot begunstiging dan wel wanneer in een meerderheid van de met de betrokken belastingplichtige vergelijkbare gevallen een juiste wetstoepassing achterwege is gebleven.

Belanghebbende heeft echter niet gesteld in welk opzicht belanghebbende vergelijkbaar is met deze belastingplichtigen. Hij heeft noch aan zijn stelplicht dienaangaande noch aan de op hem rustende bewijslast voldaan om aannemelijk te maken dat zijn zaak vergelijkbaar is met die van de in de brief van 31 oktober 2011 genoemde personen.

Verhogingen en boetes

7.7.1. Op de Inspecteur rust de last te bewijzen dat belanghebbende in elk van de jaren voor de belastingheffing relevante tegoeden en rentebaten opzettelijk niet heeft verantwoord als gevolg waarvan bij de aanslagregeling te weinig belasting is geheven.

7.7.2. Het Hof heeft hiervoor in de overwegingen 7.3.1 tot en met 7.3.4 geoordeeld dat de Inspecteur is geslaagd in het bewijs dat belanghebbende in de onderwerpelijke jaren houder van een rekening-courant en een beleggingsrekening met het nummer [nummer] is geweest. Het saldo betrof zowel in december 1994, in september 1996 als in november 1996 een aanzienlijk bedrag. Het is waarschijnlijk dat een tegoed van een dergelijke omvang ook in 1995 aanwezig was. Van consumptieve bestedingen van het saldo van de rekening(en) in de loop van 1996 naar november 1996 en begin 1997 blijkt niets. Ook niet in de jaren na 1996. Van overbrenging van kapitaal naar Nederland blijkt niet uit de aangiften en ook niet uit andere gedingstukken. Een tegoed van een dergelijke omvang komt niet zomaar tot stand en pleegt niet uit het vermogen te verdwijnen. Belanghebbende heeft in geen van de door de Inspecteur overgelegde aangifte-uitdraaien rente of saldi van een of meer buitenlandse bankrekeningen vermeld. Voorts is de rentevrijstelling voor de betreffende jaren reeds volledig benut met de rente die in de aangiften is vermeld, dan wel is de resterende ruimte van de rentevrijstelling voor die jaren niet toereikend voor de rente waarvan kan worden aangenomen dat die is ontvangen. Anders dan belanghebbende stelt is het niet nodig dat de Inspecteur voor de juistheid van deze stelling alleen maar de aangiftebiljetten in het geding kan brengen. De aangeleverde gegevens geven al voldoende aanleiding voor de juistheid van zijn stelling en het is van algemene bekendheid dat de biljetten over de nagevorderde jaren steeds een vraag hadden of er buitenlandse rekeningen waren en/of er rente was genoten. Het lag vervolgens op de weg van belanghebbende om hierover informatie te verstrekken. Het Hof komt, mede gelet op het omvangrijke bedrag in december 1994 en november 1996, tot het vermoeden dat het tegoed bij de VLB reeds in 1995 en geheel 1996 aanwezig is en na 1996 in stand is gebleven, hetzij bij VLB of op een andere (buitenlandse) bankrekening. Belanghebbende heeft op geen enkele wijze gebruik gemaakt van de mogelijkheid om tegenbewijs te leveren zodat het Hof uitgaat van de juistheid van het vermoeden.

7.7.3. Belanghebbende heeft in de aangiften inkomstenbelasting en vermogensbelasting voor de jaren 1995 tot en met 2004 in het geheel geen melding gemaakt van een rekening in het buitenland en geen buitenlandse saldi verantwoord. Door deze aangiften stellig en zonder voorbehoud te doen heeft belanghebbende willens en wetens onjuiste aangiften gedaan omdat op deze wijze geen rente tot de aangegeven inkomsten en geen saldi tot de aangegeven vermogen dan wel bezittingen ter berekening van de rendementsgrondslag voor het inkomen uit sparen en beleggen zijn gaan behoren. Belanghebbende kon er daarbij van uitgaan dat de rekening buiten het zicht zou blijven van de Nederlandse Belastingdienst omdat de rekening was geopend in een land met een bankgeheim. Belanghebbende heeft op geen enkele wijze gebruik gemaakt van de mogelijkheid om gegevens te verschaffen die leiden tot een ander oordeel.

7.7.4. Het Hof is van oordeel dat belanghebbende met betrekking tot de thans te beoordelen verhogingen en boetes voor het inkomstenbelastingjaar 1995 en het vermogensbelastingjaar 1996 en de inkomstenbelastingjaren vanaf 2002 over elk van de nagevorderde jaren het beboetbare feit heeft begaan door bedragen aan inkomsten en bezittingen niet in de aangiften te verantwoorden, en dat het niet anders kan zijn dan dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat van hem bij de primitieve aanslagregeling vervolgens te weinig belasting is geheven.

7.7.5. Voor de hoogte van de voor elk van de jaren gepleegd beboetbaar feit opgelegde boete en ter beantwoording van de vraag of deze boete telkenjare passend en geboden is, neemt het Hof naast het in 7.7.2 overwogene tot uitgangspunt dat, naar de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt, belanghebbende de bedoeling heeft gehad gedurende die reeks van jaren tegoeden op een bankrekening aan te houden in een land met een bankgeheim en de daaruit genoten voordelen buiten het zicht van de Nederlandse fiscus te houden, en dat bij de beboeting de omvang van de verzwegen belasting dient te worden bepaald aan de hand van de bedragen die voor de heffing zijn vastgesteld. Bekend is dat een bank in het algemeen over tegoeden op een rekening jaarlijks rente bijschrijft. Het Hof komt, mede gelet op het omvangrijke bedrag eind 1994 en eind 1996, tot het oordeel dat het tegoed bij de VLB reeds in 1995 en geheel 1996 aanwezig was en ook na 1996 in stand is gebleven hetzij bij VLB of op een andere (buitenlandse) bankrekening en dat rente aldaar is ontvangen.

7.7.6. In het onderhavige geval heeft belanghebbende geen informatie verstrekt. Van het verstrekken van informatie door belanghebbende onder de aan belanghebbende geuite dreiging van een boete- of strafprocedure is in dit geval derhalve geen sprake.

De Inspecteur heeft voor het opleggen van aanslagen en boetes gebruik gemaakt van stukken die buiten de wil van belanghebbende om tot stand zijn gekomen.

De opgelegde verhogingen en boetes zijn ook niet aan belanghebbende opgelegd vanwege de weigering van belanghebbende om informatie te verstrekken, zodat de onderhavige zaak niet vergelijkbaar is met die in het arrest EHRM 5 april 2012, nr. 11663/04, LJN: BW5997 (Chambaz/Zwitserland). Voor zover belanghebbende een beroep doet op dat arrest wijst het Hof dat beroep af.

7.7.7. Ingeval van opzet bedraagt de boete 50 percent, tenzij sprake is van strafverzwarende omstandigheden, in welk geval de boete tot 100 percent kan worden verhoogd. Als strafverzwarende omstandigheden gelden listigheid, valsheid en samenspanning, alsmede het feit dat het ten onrechte niet geheven bedrag (verhoudingsgewijs) omvangrijk is geweest.

7.7.8. Naar het oordeel van het Hof is aannemelijk dat belanghebbende er bewust voor gekozen heeft een rekening-courant en een beleggingsrekening aan te houden in een land met een bankgeheim teneinde het tegoed en de inkomsten daaruit op een listige wijze voor de inspecteur verborgen te houden. Dit rechtvaardigt een boete van 100 percent van de nagevorderde belasting.

7.7.9. Het in 7.7.8 overwogene neemt niet weg dat bij de beoordeling of een boete in de omstandigheden van het geval telkens passend en geboden is, acht dient te worden geslagen op de proportionaliteit van die boete in verband met de ernst van het gepleegde feit. Bij de beoordeling van die ernst dient mede acht te worden geslagen op de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan, waaronder ook valt de omstandigheid dat hiertoe de zogenoemde omkering van de bewijslast is toegepast (HR 18 januari 2008, nr. 41832, ECLI:NL:HR:2008: BC1962, BNB 2008/165).Voor gevallen als de onderhavige verdient daarbij opmerking dat de berekening van de verschuldigde belasting is gebaseerd op de gemiddelde stijging van het vermogen binnen een vergelijkingsgroep. Bij de beoordeling van de rechtmatigheid van deze grondslag is in aanmerking genomen dat de Inspecteur door toedoen van de rekeninghouder over minimale gegevens beschikt. Bij de beoordeling van de proportionaliteit van de boete kan aan het gebrek aan medewerking van de rekeninghouder echter niet een zodanige betekenis worden toegekend als bij toepassing van de omkering van de bewijslast voor de materiële belasting (vergelijk HR 15 april 2011, nrs. 09/03075 en 09/05192, ECLI:NL:HR:2011: BN6324 en BN6350).

7.7.10. In de onderhavige gevallen is de hoogte van de verschuldigde belasting komen vast te staan met toepassing van die zogenoemde omkering van de bewijslast. Daarbij heeft de Inspecteur de tegoeden van belanghebbende bij de VLB en de daaruit genoten inkomsten geschat aan de hand van een vermogenstoename van 23,5 percent per jaar. Dit percentage vloeit voort uit de gemiddelde vermogenstoename inclusief stortingen, afboekingen, rente, dividend en beleggingsresultaat van 325 geïdentificeerde rekeninghouders die een of meerdere rekeningen hadden bij VLB op de data in 1994 en 1996 waarop belanghebbende ook een rekening aanhield. Het schatten van de tegoeden en inkomsten brengt naar zijn aard de mogelijkheid mee dat de door belanghebbende in werkelijkheid aanwezige tegoeden en daaruit genoten inkomsten lager zijn. In dit verband acht het Hof van belang dat de schatting van de hoogte van de correcties is gebaseerd op de gemiddelde stijging van het vermogen binnen een vergelijkingsgroep en daarmee een zekere mate van ruwheid vertoont. Om die redenen acht het Hof in het onderhavige geval een boete van 50 percent van de nagevorderde belasting passend en geboden, behoudens de gevolgen wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Overschrijding redelijke termijn bij verhogingen en boetes

7.8.1. Het Hof volgt het oordeel van de rechtbank in 4.38 van zijn uitspraak omtrent de aanvang van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM. De beantwoording van de vraag of de redelijke termijn is overschreden hangt af van het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege het betrokken bestuursorgaan jegens de beboete een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat aan hem een boete zal worden opgelegd. Als zodanige handelingen dienen in elk geval aangemerkt te worden de kennisgevingen als bedoeld in de artikelen 67g, lid 2, en 67k, lid 1, AWR (vergelijk Hoge Raad, 22-04-2005, 37.984, ECLI:NL:HR:2005: AO9006). De kennisgevingen zijn in het onderhavige geval van 30 november 2007 en 26 november 2008. Het lag nog in de macht van belanghebbende om na ontvangst van de vele verzoeken om informatie en vragenbrieven in de periode daarvoor het opleggen van verhogingen en boetes (ten dele) te voorkomen door het geven van openheid van zaken omtrent zijn buitenlandse rekening. De handeling waaraan belanghebbende redelijkerwijs de verwachting kan ontlenen dat de Inspecteur verhogingen en boetes zal opleggen volgt pas uit de hiervoor vermelde kennisgevingen.

7.8.2. Vanaf de datum van de kennisgeving voor de inkomstenbelastingjaren 1995 en 2002 en vermogensbelasting 1996 op 30 november 2007 tot de uitspraak van de rechtbank die is verzonden op 29 september 2011 is drie jaar en tien maanden verstreken. Derhalve een jaar en tien maanden te lang in vergelijking met de termijn van twee jaar die als redelijk kan worden beschouwd voor beide fasen van bezwaar en beroep tezamen. Het Hof is met de rechtbank van oordeel dat bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die overschrijding van de termijn rechtvaardigen namelijk de complexiteit van de zaken en de procedure ex artikel 8:29 van de Awr. Hierbij zij aangetekend dat laatstgenoemde procedure ertoe heeft geleid dat enerzijds de Inspecteur een flink aantal gegevens nog over diende te leggen aan de rechtbank maar anderzijds deze gegevens terecht in geanonimiseerde vorm kon verstrekken. De omstandigheid dat een procedure ex artikel 8:29 Awr is gevolgd omdat de Inspecteur een aantal stukken geheim wilde houden komt gelet op bovengenoemde aantekening slechts ten dele als bijzondere omstandigheid voor rekening van degene aan wie de boete is opgelegd. Het Hof is van oordeel dat met inachtneming van de complexiteit van de zaken in totaal een overschrijding van de redelijke termijn is gerechtvaardigd met zes maanden.

De procedure in hoger beroep - gerekend wordt vanaf de datum waarop het rechtsmiddels is ingesteld - heeft geen overschrijding van de redelijke termijn, die op twee jaar is gesteld, te zien gegeven. De totale overschrijding komt daarmee op een jaar en vier maanden.

7.8.3. Vanaf de datum van de kennisgeving op 26 november 2008 voor de inkomstenbelastingjaren 2003 en 2004 tot de uitspraak van de rechtbank die is verzonden op 29 september 2011 zijn twee jaren en tien maanden verstreken. Derhalve tien maanden te lang in vergelijking met de termijn van twee jaar die als redelijk kan worden beschouwd voor beide fasen van bezwaar en beroep tezamen. Het Hof is met de rechtbank van oordeel dat bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die overschrijding van de termijn rechtvaardigen namelijk de complexiteit van de zaken en de procedure ex artikel 8:29 van de Awr. Het Hof is van oordeel dat met inachtneming van deze bijzondere omstandigheden in totaal een overschrijding van de redelijke termijn is gerechtvaardigd met zes maanden.

De procedure in hoger beroep – gerekend wordt vanaf de datum waarop het rechtsmiddel is ingesteld, te weten 2 november 2011 - heeft geen overschrijding van de redelijke termijn, die op twee jaar is gesteld te zien gegeven. De totale overschrijding komt daarmee op vier maanden.

7.8.4. Een en ander leidt het Hof tot de conclusie dat de boetes voor het inkomstenbelastingjaar 1995 en vermogensbelastingjaar 1996 alsmede de inkomstenbelastingjaren 2002 tot en met 2004 zoals deze door de rechtbank zijn verminderd, in stand blijven.

Zorgvuldigheidsbeginsel en heffingsrente

7.9.1. De heffingsrente heeft de Inspecteur berekend met inachtneming van de bepalingen in hoofdstuk VA van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Uit de bewoordingen van deze wet volgt onmiskenbaar dat heffingsrente wordt berekend indien de vaststelling van een navorderingsaanslag na afloop van het belastingtijdvak leidt tot een te betalen bedrag.

Gegevens op grond waarvan de Inspecteur een voorlopige aanslag had kunnen opleggen waren niet voorhanden. Het opleggen van een voorlopige navorderingsaanslag is niet mogelijk. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van hoofdstuk VA volgt niet dat de Staatssecretaris beleid zal formuleren of heeft geformuleerd voor gevallen als de onderhavige waarin het niet gaat om het opleggen van een voorlopige aanslag maar om een navorderingsaanslag.

7.9.2. Belanghebbende heeft, zie hiervoor onder meer 7.7.3, in de aangiften voor de inkomstenbelasting en de vermogensbelasting niet vermeld dat hij inkomsten uit tegoeden in het buitenland heeft genoten en heeft evenmin belaste vermogensbestanddelen in het buitenland aangegeven. Het initiatief daarvoor ligt bij belanghebbende. In de rechtsoverwegingen 7.2.1 tot en met 7.2.12 hiervoor heeft het Hof geoordeeld dat de navorderingsaanslagen voor het inkomstenbelastingjaar 1995 en het vermogensbelastingjaar 1996 voldoende voortvarend zijn opgelegd. Alsdan kan niet worden gezegd dat de Inspecteur het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden door tot de datum dat hij de navorderingsaanslagen heeft opgelegd heffingsrente te berekenen (Vgl. HR 28 maart 2001, nr. 35968, LJN AB0764, BNB 2001/297). Ook ten aanzien van de navorderingsaanslagen die binnen de vijfjaarstermijn zijn opgelegd kan dat niet worden gezegd.

Slot

7.10. Al het vorenoverwogene leidt tot de conclusie dat het hoger beroep van belanghebbende en het hoger beroep van de Inspecteur ongegrond zijn.

Immateriële schadevergoeding

8.1. Belanghebbende heeft in hoger beroep verzocht om toekenning van een schadevergoeding wegens spanning en frustratie die belanghebbende heeft ondervonden door overschrijding van de redelijke termijn in de procedure in bezwaar, beroep en hoger beroep (vergelijk HR 10 juni 2011, (nrs. 09/02639, 09/05112 en 09/05113, ECLI:HR:2011: BO5046, BO5080 en BO5087)). Hij voert daarvoor aan dat de bezwaarfase samen met de beroepsfase langer dan twee jaren heeft geduurd, evenals mogelijk de hoger beroepsfase en geen bijzondere omstandigheden aanwezig zijn die deze lange duur rechtvaardigen.

8.2. De bezwaarfase heeft een aanvang genomen met de ontvangst van het eerste bezwaarschrift op 9 januari 2008. Het beroepschrift is op 7 januari 2010 ingekomen. De rechtbank heeft uitspraak gedaan op 27 september 2011, verzonden op 29 september 2011 en op 2 november 2011 is hoger beroep ingesteld.

8.3. Aan deze vaststellingen ontleent het Hof het vermoeden dat de redelijke termijn in bezwaar en beroep is overschreden, waarvoor de rechtbank ten dele verantwoordelijk kan zijn. De procedure in hoger beroep - gerekend wordt vanaf de datum waarop het rechtsmiddels is ingesteld - heeft geen overschrijding van de redelijke termijn, die op twee jaar is gesteld, te zien gegeven.

8.4. Het Hof verbindt hieraan de gevolgtrekking dat in deze procedure met toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) moet worden beslist omtrent het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het Hof zal met het oog daarop de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) in het geding betrekken en in de gelegenheid stellen zich uit te laten als hierna bepaald. Het Hof zal bij afzonderlijke uitspraak op het verzoek van belanghebbende beslissen.

Proceskosten en griffierecht

9.1.1. Het Hof acht termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten, waarbij het Hof, gelet op de inhoud van de desbetreffende dossiers, de zaken BK-11/00784 tot en met BK-11/00798 en BK-11/00803 tot en met BK-11/00817 aanmerkt als met elkaar samenhangende zaken in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het Hof stelt deze kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met het vorengenoemde Besluit en de daarbij behorende bijlage, voor de vorenbedoelde zaken tezamen vast op € 2.124 wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof in het hoger beroep van belanghebbende (2 punten à € 472 x 1,5 (gewicht van de zaken voor het Hof)), vermenigvuldigd met factor 1,5 wegens vier of meer samenhangende zaken.

9.1.2. De rechtbank heeft aan belanghebbende reeds voor de kosten in de bezwaar- en de beroepsfase een proceskostenvergoeding toegekend.

9.1.3. Belanghebbende heeft geen bijzondere omstandigheden gesteld of aannemelijk gemaakt op grond waarvan een hogere proceskostenvergoeding zou moeten worden toegekend.

9.2. Voorts dient aan belanghebbende het voor de behandeling in hoger beroep gestorte griffierecht van € 112 te worden vergoed.

9.3. Nu de uitspraak van de rechtbank in stand blijft, wordt van de Inspecteur een griffierecht geheven van € 454.

Beslissing

Het Gerechtshof:

- bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten in hoger beroep aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.124;

- gelast de Staat aan belanghebbende een bedrag van € 112 aan griffierecht te vergoeden;

- gelast dat van de Staat een griffierecht wordt geheven van € 454;

- stelt de Staat (de minister van Veiligheid en Justitie) in de gelegenheid zich - binnen vier weken na de verzending van de kopie van deze uitspraak door de griffier als hierna te bepalen - uit te laten omtrent het verzoek van belanghebbende over de hiervoor bedoelde schadevergoeding, en

- gelast de griffier daartoe de gedingstukken en een kopie van deze uitspraak te verzenden aan de Raad voor de Rechtspraak.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, P.J.J. Vonk, J.J.J. Engel, in tegenwoordigheid van de griffier mr. Y. Postema. De beslissing is op 9 oktober 2013 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- - de naam en het adres van de indiener;

- - de dagtekening;

- - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.