Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:3832

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
24-02-2014
Zaaknummer
200.123.311-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewind: in hoger beroep wordt het inleidend verzoek tot onderbewindstelling afgewezen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 431
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 9 oktober 2013

Zaaknummer : 200.123.311/01

Rekestnummer rechtbank : 1203920 EJ VERZ 12-82902 SGR

[de rechthebbende],

wonende te [woonplaats],

verzoeker hoger beroep,

hierna te noemen: de rechthebbende,

advocaat mr. C.J. Berghout te Delft.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1.

[broer 1],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [broer 1],

2.

[zus 1],

wonende te Bodegraven,

hierna te noemen: [zus 1],

3.

[broer 2],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [broer 2],

4.

Stichting CAV,

gevestigd te Zoetermeer,

hierna te noemen: de bewindvoerder.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De rechthebbende is op 6 maart 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 6 december 2012 van de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie Delft.

Bij het hof is voorts van de zijde van de rechthebbende op 21 maart 2013 een brief van 20 maart 2013 met als bijlage het verzoekschrift uit de eerste aanleg ingekomen.

De zaak is op 5 september 2013 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de rechthebbende, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    mevrouw [A] namens de bewindvoerder;

[broer 1], [zus 1] en [broer 2] (verder: de broers en zus van de rechthebbende) zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is op verzoek van [broer 1] een bewind ingesteld over alle goederen die (zullen) toebehoren aan de rechthebbende en is Stichting CAV benoemd tot bewindvoerder van de rechthebbende.

Het hof gaat uit van de door de kantonrechter vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1.

In geschil is de onderbewindstelling van de goederen van de rechthebbende.

2.

De rechthebbende verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van [broer 1] af te wijzen.

3.

De rechthebbende betoogt dat hij wel voldoende in staat is zijn financiën te beheren. In zijn visie heeft [broer 1] onvoldoende aangetoond dat hij daartoe niet in staat zou zijn. De rechthebbende was niet op de hoogte van het ingediende verzoek, waardoor hij in eerste aanleg geen verweer heeft gevoerd. De rechthebbende geeft aan dat hij een tijdje opgenomen is geweest, maar inmiddels weer een eigen woning heeft. Hij krijgt maandelijks naast zijn AOW een klein pensioen en heeft er voor gezorgd dat alle vaste lasten automatisch betaald worden.

4.

Ter zitting heeft de bewindvoerder meegedeeld dat het lastig is om in te schatten of de rechthebbende in staat is zijn financiën te beheren.

5.

Het hof overweegt als volgt. Indien een meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen, kan een bewind worden ingesteld, zoals bedoeld in artikel 1:431 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (verder: BW), over één of meer van zijn goederen, die hem als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren.

6.

Op grond van de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat niet wordt voldaan aan de voorwaarden van voornoemd artikel. In het dossier bevinden zich geen stukken waaruit kan worden opgemaakt dat de rechthebbende als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat zou zijn om ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk te behartigen. In het inleidend verzoek staat slechts het volgende vermeld: “heer kan door psychiatrische ziekte financiën niet meer zelf beheren”. Nadere onderbouwing van het inleidend verzoek ontbreekt. In hoger beroep is [broer 1], de broer van de rechthebbende en verzoeker in eerste aanleg, niet ter zitting verschenen om zijn inleidend verzoek nader toe te lichten. Evenmin zijn de andere broers en/of zus van de rechthebbende ter zitting verschenen om hun visie omtrent de situatie van de rechthebbende kenbaar te maken. De rechthebbende heeft zelf te kennen gegeven dat hij thans in staat is zelfstandig zijn financiën te beheren, hetgeen niet, althans onvoldoende, is weersproken. Derhalve is het hof van oordeel dat onvoldoende is onderbouwd dat de gronden zoals vermeld in artikel 1:431, eerste lid, BW aanwezig zijn, zodat het hof de bestreden beschikking zal vernietigen en het inleidend verzoek van [broer 1] zal afwijzen. Ingevolge het bepaalde in artikel 1:448 lid 4 in samenhang met artikel 1:384 BW eindigt als gevolg daarvan de taak van de bewindvoerder daags na deze uitspraak .

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

wijst het inleidend verzoek van [broer 1] af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Lückers, Kamminga en Stuurop, bijgestaan door mr. De Klerk als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 9 oktober 2013.