Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:3823

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
25-09-2013
Datum publicatie
09-10-2013
Zaaknummer
22-005773-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen van vijf grote hennepplanten. Hoewel het hof aannemelijk acht geworden dat de verdachte het geringe aantal planten (in ieder geval deels) heeft geteeld voor eigen (medicinaal) gebruik dient dit handelen, gelet op de professionele wijze waarop de verdachte heeft geteeld en mede gelet op de aanzienlijke oogst van deze planten,te worden bestraft.

Het Hof bepaalt de hoofdstraf voor het in eerste aanleg onder

2 bewezen- en strafbaar verklaarde op een taakstraf voor de duur van 10 (tien) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-005773-12

Parketnummer: 09-655130-12

Datum uitspraak: 25 september 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 3 december 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortejaar] 1952 te [geboorteplaats],

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 11 september 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 3 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder

1

en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 20 uren, subsidiair 10 dagen hechtenis.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

Het hoger beroep is ingevolge het bepaalde bij artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet gericht tegen de in eerste aanleg gegeven vrijspraak van het onder 3 ten laste gelegde. Voorts is het hoger beroep ingevolge de akte instellen rechtsmiddel d.d. 14 december 2012, evenmin gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissing ter zake van het onder 2 ten laste gelegde.

Het voorgaande brengt mee, dat het hof - nu in eerste aanleg ter zake van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde één hoofdstraf is uitgesproken - op grond van artikel 423, vierde lid, van het Wetboek van Strafvordering alsnog een hoofdstraf voor het in eerste aanleg onder

2

bewezen verklaarde zal bepalen.

Waar hierna wordt gesproken van "de zaak" of "het vonnis", wordt daarmee bedoeld de zaak of het vonnis voor zover op grond van het vorenstaande aan het oordeel van dit hof onderworpen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – voor zover nog aan de orde in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 24 oktober 2011 te Pijnacker, gemeente Pijnacker-Nootdorp, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan [adres]) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer vijf, althans een (groot) aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte. Daartoe heeft hij – verkort en zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd:

- Aanwijzing Opiumwet

Het openbaar ministerie heeft gehandeld in strijd met de Aanwijzing Opiumwet door de verdachte strafrechtelijk te vervolgen voor het telen van vijf hennepplanten. De zaak had volgens deze Aanwijzing geseponeerd moeten worden;

- Vertrouwensbeginsel

Er is sprake van een schending van het vertrouwensbeginsel, nu aan de verdachte op een eerdere zitting in een andere strafzaak door de politierechter is medegedeeld dat hij voor eigen gebruik vijf hennepplanten mag telen. De verdachte heeft hieraan het vertrouwen ontleend dat hij niet vervolgd zou worden.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

- Aanwijzing Opiumwet

Het telen en in bezit hebben van hennep is in beginsel strafbaar op grond van de Opiumwet. Het openbaar ministerie heeft echter een lagere prioriteit toegekend aan de opsporing en vervolging waar het gaat om kleine hoeveelheden drugs voor eigen gebruik. Bij een kwekerij van vijf planten of minder volgt er in de regel een sepot, tenzij er aanwijzingen zijn dat er sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen. In de Aanwijzing Opiumwet is een aantal indicatoren opgenomen die een rol spelen bij de vaststelling van hetgeen beroeps- of bedrijfsmatige teelt is. In de onderhavige zaak waren twee van deze indicatoren aanwezig; de hennepplanten werden door lampen belicht en er was voor voldoende ventilatie gezorgd. Om die reden kan de kwekerij volgens de Aanwijzing Opiumwet als ‘professioneel’ worden aangeduid.

Daarbij komt dat de verdachte niet tijdig afstand heeft gedaan van de bij hem aangetroffen en inbeslaggenomen (planten)materialen, hetgeen ingevolge het arrest van de Hoge Raad van 26 april 2011, LJN: BO4015, een voorwaarde is voor een sepot.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat het openbaar ministerie niet in strijd met de Aanwijzing Opiumwet heeft gehandeld door tot vervolging over te gaan.

- Vertrouwensbeginsel

Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging wegens schending van het vertrouwensbeginsel, slechts sprake kan zijn indien de vervolging wordt ingesteld nadat door het openbaar ministerie gedane, of aan het openbaar ministerie toe te rekenen, uitlatingen bij de verdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet zal worden vervolgd. Aan uitlatingen of gedragingen van functionarissen aan wie geen bevoegdheden in verband met de vervolgingsbeslissing zijn toegekend, kan zulk gerechtvaardigd vertrouwen dat vervolging achterwege blijft niet worden ontleend.

Voor zover er in deze zaak al sprake is geweest van een mededeling van een politierechter aan de verdachte dat hij vijf planten mocht telen, kan deze mededeling niet worden aangemerkt als een aan het openbaar ministerie toe te rekenen uitlating waaraan de verdachte het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat hij niet zou worden vervolgd.

Het hof is derhalve van oordeel dat er geen sprake is van een – aan het openbaar ministerie toe te rekenen - schending van het vertrouwensbeginsel.

Op grond van het bovenstaande verwerpt het hof het

niet-ontvankelijkheidsverweer van de raadsman.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 24 oktober 2011 te Pijnacker, gemeente Pijnacker-Nootdorp, opzettelijk heeft geteeld (in een pand aan de Cort van der Lindenlaan 31) vijf hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van

20

uren, subsidiair 10 dagen hechtenis.

Strafbepaling ex artikel 423 lid 4 van het Wetboek van Strafvordering

Gelet op de aard en ernst van het door de politierechter onder 2 bewezen- en strafbaar verklaarde feit, gekwalificeerd als diefstal, zal het hof ten aanzien van dat feit de op te leggen straf bepalen op een taakstraf voor de duur van tien uren, subsidiair vijf dagen hechtenis.

Strafmotivering

Het hof heeft de ten aanzien van feit 1 op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van dat feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het telen van vijf grote hennepplanten. Hoewel het hof aannemelijk acht geworden dat de verdachte het geringe aantal planten (in ieder geval deels) heeft geteeld voor eigen (medicinaal) gebruik dient dit handelen, gelet op de professionele wijze waarop de verdachte heeft geteeld en mede gelet op de aanzienlijke oogst van deze planten,te worden bestraft.

Blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 28 augustus 2013, is de verdachte eerder onherroepelijk veroordeeld voor het telen van hennep. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel voorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet en de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Bepaalt de hoofdstraf voor het in eerste aanleg onder

2

bewezen- en strafbaar verklaarde op een taakstraf voor de duur van 10 (tien) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.

Veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 1 bewezen verklaarde tot een taakstraf voor de duur van 10 (tien) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 5 (vijf) dagen hechtenis.

Bepaalt dat de laatst genoemde taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit arrest is gewezen door mr. S.K. Welbedacht, mr. M.J.J. van den Honert en mr. H. van den Heuvel, in bijzijn van de griffier mr. L.S. van Es.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 25 september 2013.

Mr. L.S. van Es is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.