Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:3813

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-09-2013
Datum publicatie
09-10-2013
Zaaknummer
22-001144-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-001144-13

Parketnummer: 09-900710-12

Datum uitspraak: 12 september 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Den Haag van 1 maart 2013 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1989,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 29 augustus 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het primair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het subsidiair ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, onder de in het vonnis waarvan beroep omschreven bijzondere voorwaarden. Voorts is de verdachte veroordeeld tot ontzegging van de bevoegdheid tot het besturen van motorrijtuigen voor de duur van twaalf maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Daarnaast zijn de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

primair:
hij op of omstreeks 11 juli 2012 te 's-Gravenhage en/of Nootdorp, in ieder geval in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk één of meer perso(o)n(en) genaamd [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] (hoofdagent(en) van politie) van het leven te beroven, opzettelijk met hoge snelheid (circa 100 kilometer per uur) met een auto waarvan hij bestuurder was (meermalen) de auto waarin die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] zaten heeft geramd, althans heeft geraakt en/of vervolgens op die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair:
hij op of omstreeks 11 juli 2012 te 's-Gravenhage en/of Nootdorp, in ieder geval in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan één of meer perso(o)n(en) genaamd [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], (hoofdagent(en) van de politie) opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet met hoge snelheid (circa 100 kilometer per uur) met een auto waarvan hij bestuurder was (meermalen) de auto waarin die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] zaten heeft geramd, althans heeft geraakt en/of vervolgens op die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] is ingereden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

De vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het beroepen vonnis zal worden bevestigd, met dien verstande dat de beslissingen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen worden vernietigd en dat die vorderingen volledig worden toegewezen, telkens met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft overeenkomstig zijn overgelegde pleitnota primair algehele vrijspraak bepleit, subsidiair een beroep gedaan op psychische overmacht, meer subsidiair op verontschuldigbare onmacht.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Algehele vrijspraak

Het hof is met de advocaat-generaal en de raadsman van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen aan de verdachte primair –als poging tot doodslag op [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2]- is ten laste gelegd. Dit betreft in chronologische volgorde bezien het derde en laatste voorval, op de afrit van de rijksweg A12 te Nootdorp.

Voorts is het hof, anders dan de advocaat-generaal, van oordeel dat evenmin wettig en overtuigend bewijs voor het subsidiair ten laste gelegde - de poging tot zware mishandeling van [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] - voorhanden is, zodat de verdachte ook van dat feit dient te worden vrijgesproken.

Blijkens het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep en het procesdossier wordt aan de verdachte onder het subsidiair ten laste gelegde twee –in de tijd kort na elkaar gelegen- voorvallen verweten, te weten het met de door hem bestuurde Volkswagen Polo rammen/raken van de linkerachterzijde van het opvallende politievoertuig, een Volvo V50, waarin [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] (als bestuurder) zaten en (vervolgens) het rammen/raken van de linkervoorzijde (de linker buitenspiegel) van dat politievoertuig.

Bij de beantwoording van de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde poging tot zware mishandeling gaat het hof op basis van het onderzoek ter terechtzitting en de inhoud van het procesdossier uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

De verdachte reed op 11 juli 2012 in de door hem bestuurde personenauto op de afrit Delft-Noord van de rijksweg A13-rechts.

De auto van de verdachte is aldaar – in het kader van een verkeerscontrole – benaderd door drie politievoertuigen.

Achter de auto van de verdachte reed een onopvallend politievoertuig, een Opel, waarin de verbalisanten [verbalisant 1] (bestuurder) en [verbalisant 2] zaten.

Aan de linkerzijde naast de door de verdachte bestuurde Volkswagen Polo reed een ander onopvallend politievoertuig, een Volvo, waarin de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] (bestuurder) zaten.

Vóór de door de verdachte bestuurde Polo reed het door aangever, hoofdagent [benadeelde partij 2], bestuurde opvallende politievoertuig, een Volvo V50, met bijrijder hoofdagent [benadeelde partij 1].

De verdachte reed met een snelheid van ongeveer 100 kilometer per uur.1

Terwijl de verdachte daar – ingesloten door drie voertuigen – reed, zocht hij een “gaatje”, een opening of ruimte tussen de naast hem rijdende Opel en de voor hem rijdende Volvo V50, om weg te komen. Zodra de verdachte deze opening zag, maakte hij een stuurbeweging naar links en passeerde de Volvo V50, aldus de verdachte.

Dit is door de verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4] waargenomen. Zij zagen dat de Volkswagen Polo een slingerende beweging maakte en de linker achterzijde van de opvallende Volvo ramde. De Volvo maakte daardoor een slingerende beweging2.

Ook verbalisant [benadeelde partij 2], de bestuurder van de opvallende Volvo V50 die voor de verdachte reed, heeft waargenomen dat de auto waarin de verdachte reed slingerde en vervolgens naar links ging.

Direct hierop voelde hij een klap aan de linker achterzijde van de door hem bestuurde Volvo.3

De bijrijder van [benadeelde partij 2], [benadeelde partij 1], heeft eveneens verklaard dat de door de verdachte bestuurde auto naar links stuurde, waarop hij een klap voelde aan de linker achterzijde van hun dienstvoertuig.4

Op grond van het vorenstaande stelt het hof vast dat de verdachte tijdens de door hem ingezette actie om de voor hem rijdende Volvo V50 te passeren, een bewuste stuurbeweging naar links heeft gemaakt waarbij hij de linker achterzijde van dit door [benadeelde partij 2] bestuurde politievoertuig heeft geraakt. Het hof merkt hierbij op dat het voertuig van de verdachte het voertuig waarin [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] zaten met beperkte kracht moet hebben getoucheerd, nu op de zich in het dossier bevindende foto’s van de betrokken voertuigen5 geen schade aan de linker achterzijde van dat voertuig waarneembaar is.

Voorts stelt het hof, op grond van de bevindingen van verbalisanten [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] en de verklaring van de verdachte vast dat de verdachte, nadat hij de linker achterzijde van meergenoemde Volvo V50 had geraakt tijdens het inhalen tevens de linker buitenspiegel van het voertuig van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] heeft geraakt.

Het hof is echter, met de raadsman, van oordeel dat op basis van het onderzoek ter terechtzitting en het procesdossier niet met voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld wat de oorzaak is geweest van het raken van die buitenspiegel.

Daarbij neemt het hof het volgende in aanmerking.

Verbalisant [benadeelde partij 2], de bestuurder van de Volvo V50 heeft verklaard dat de auto van de verdachte, nadat deze dat voertuig aan de linker achterzijde had geraakt, naar rechts kwam, waarbij hij de linker buitenspiegel raakte.6 In het proces-verbaal van bevindingen omschrijft [benadeelde partij 2] die gebeurtenis na de eerste aanrijding van het dienstvoertuig als volgt: “De auto stuurde daarop ongewild naar rechts. Niet extreem maar wel een duidelijke tik.” (p. 66) Het hof begrijpt dat [benadeelde partij 2] hier bedoelt te zeggen dat de auto van de verdachte kennelijk slingerde en zodoende ‘ongewild’ – dat wil zeggen zonder dat de verdachte dit wilde – de buitenspiegel van [benadeelde partij 2] auto raakte.

Verbalisanten [verbalisant 3] en [verbalisant 4], die achter verdachte’s auto reden hebben waargenomen dat de Volvo V50 waarin [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] zaten een slingerende beweging maakte nadat hij linksachter was geraakt door de auto van de verdachte7.

De verdachte heeft verklaard dat de politieauto (de Volvo V50) naar links kwam, nadat hij door de opening was gereden en dat deze auto zijn auto aan de rechterzijde raakte.8

Het hof stelt vast dat zowel de door de verdachte bestuurde Volkswagen Polo als de door [benadeelde partij 2] bestuurde Volvo V50 hebben geslingerd (na het eerste contact). Niet met voldoende mate van zekerheid is vast te stellen dat de verdachte door een bewuste stuurbeweging naar rechts opzettelijk tegen de linkervoorzijde c.q. de linkerbuitenspiegel van de door [benadeelde partij 2] bestuurde Volvo V50 is gereden of dat het raken van die linker buitenspiegel het (onbedoelde en ongewilde) gevolg is geweest van de eerdere –bewuste- stuurbeweging naar links die de verdachte heeft gemaakt om te ontkomen.

Het hof stelt vast dat thans ter beoordeling staat of de eerste stuurbeweging van de verdachte – naar links, waarbij de achterzijde van de Volvo v50 is geraakt – een gedraging was waarbij willens en wetens door de verdachte minstgenomen de aanmerkelijke kans is aanvaard (óók door het risico van slingeren) dat hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou worden toegebracht aan de inzittenden van die Volvo V50.

Naar het oordeel van het hof kan dit niet bewezen worden. De verdachte heeft gemeend dat hij door de ontstane ruimte tussen de auto’s weg kon komen. In het onderhavige geval is het aannemelijk dat de verdachte daarbij gevaarzettend en mogelijk zelfs roekeloos heeft gehandeld. Dat hij zich enigszins bewust is geweest, of in elk geval zich bewust had moeten zijn van de risico’s van zijn inhaalactie moge zo zijn, maar niet buiten redelijke twijfel is vast komen te staan dat de verdachte willens en wetens bovengenoemde kans heeft aanvaard en de hier aan de orde zijnde, niet geringe risico’s op de koop toe heeft genomen, gelet ook op de omstandigheid dat zijn inhaalactie ook voor hemzelf gevaarlijk was.

Op grond van het hiervoor overwogene komt het hof tot een integrale vrijspraak.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 4.034,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden verwezen in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof begroot op nihil.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde, tot een bedrag van € 2.500,00.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte ter zake van het ten laste gelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Dit brengt mee, dat de benadeelde partij dient te worden verwezen in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken, welke kosten het hof begroot op nihil.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair en subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Verwijst de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding.

Verwijst de benadeelde partij in de door de verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Dit arrest is gewezen door mr. H.C. Wiersinga, mr. J.M. van de Poll en mr. E.F. Lagerwerf-Vergunst, in bijzijn van de griffier mr. C. Hol.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 september 2013.

1 1 Processen-verbaal aangifte p. 26 resp. 30.

2 Proces-verbaal van bevindingen, p. 42

3 Proces-verbaal van aangifte, p. 30 en Proces-verbaal van bevindingen, p 66

4 Proces-verbaal van bevindingen, p. 37

5 Proces-verbaal politie Haaglanden, bureau Verkeer, Technische en Ongevallendienst, p. 70 e.v.

6 Proces-verbaal, p. 30

7 Proces-verbaal, p. 42

8 Proces-verbaal verhoor verdachte, p. 18