Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:3724

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-09-2013
Datum publicatie
26-03-2014
Zaaknummer
200.106.626-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

gerechtelijke erkentenis? bestuurdersaansprakelijkheid?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
OR-Updates.nl 2014-0134
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.106.626/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : 1296119 / CV EXPL 11-66811

Arrest van 3 september 2013

inzake

[appellant],

wonende te Zoetermeer,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. W. Suttorp te Rotterdam,

tegen

GEMEENTE ROTTERDAM,

zetelende te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Gemeente,

advocaat: mr. M.E. Kleiweg de Zwaan te Rotterdam.

Het geding

Bij exploot van 2 mei 2012 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 3 februari 2012 dat de rechtbank te Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam (hierna: de kantonrechter) tussen partijen heeft gewezen. Bij memorie van grieven (met producties) heeft [appellant] één grief tegen het vonnis aangevoerd. De Gemeente heeft de grieven bij memorie van antwoord (met producties) bestreden. Ten slotte hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

1.1

In oktober 2002 hebben de Gemeente en de Stichting Surinaamse Organisatie voor Belangenbehartiging en Emancipatie Rotterdam (hierna: Sober) een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot het pand aan de [adres]te Rotterdam.

1.2

In maart 2004 is [appellant] toegetreden tot het bestuur van Sober.

1.3

In 2005 kondigde de Gemeente aan dat de door haar aan Sober verstrekte subsidie zou worden beëindigd. De subsidieaanvraag voor 2006 is afgewezen. Na een vergeefs door Sober gevolgde bezwaar- en beroepprocedure, heeft de Afdeling Rechtspraak van de Raad van State (ARRvS) het hoger beroep in maart 2008 ongegrond verklaard.

1.4

In het najaar van 2006 is een huurschuld ontstaan. Vanaf augustus 2007 is er in het geheel geen huur betaald.

1.5

In 2008 hebben partijen een mediationtraject gevolgd over de voortzetting van de activiteiten van Sober, zonder succes.

1.6

In november 2011 heeft de Gemeente zowel Sober als [appellant] gedagvaard en gevorderd (na eisvermeerdering), kort samengevat, 1) de ontbinding van de huurovereenkomst en een veroordeling tot ontruiming van het gehuurde en 2) de veroordeling van Sober en [appellant] tot betaling van (onder meer) de huurschuld tot en met januari 2012 van ruim € 19.000,-.

1.7

Bij het bestreden vonnis van 3 februari 2012 heeft de kantonrechter de huurovereenkomst ontbonden en de gevorderde ontruiming toegewezen. Voorts heeft de kantonrechter Sober en [appellant] hoofdelijk veroordeeld tot betaling van (onder meer) de huurschuld. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat de feiten waarop de vordering is gebaseerd inhoudelijk niet zijn betwist, dat de vordering op de wet is gegrond en dat de hoogte van de betalingsachterstand de ontbinding en ontruiming rechtvaardigt.

2.

Niet in geschil zijn de ontbinding, de hoogte van de huurschuld en de aansprakelijkheid van Sober daarvoor. De grief van [appellant] richt zich tegen het feit dat hij hoofdelijk is veroordeeld tot betaling van de huurschuld. Volgens [appellant] is van bestuurdersaansprakelijkheid geen sprake en heeft hij in eerste aanleg nooit erkend hoofdelijk aansprakelijk te zijn.

Erkenning?

3.

Volgens de “aantekening mondeling antwoord” in eerste aanleg heeft [appellant] destijds onder meer verklaard: “(…) Ik ben ook hoofdelijk aansprakelijk, maar dat was niet de bedoeling”. Volgens de Gemeente moet dit worden opgevat als een gerechtelijke erkentenis als bedoeld in artikel 154 jo. 348 Rv en kan [appellant] hierop niet terugkomen (gedekt verweer). [appellant] betoogt met zijn eerste grief dat dit standpunt onjuist is. Volgens hem wilde hij slechts zeggen dat hij begreep dat hij volgens de Gemeente hoofdelijk aansprakelijk was, maar hij heeft nooit bedoeld hoofdelijk aansprakelijk te zijn of te worden.

4.

Artikel 154 lid 1 Rv definieert een gerechtelijke erkentenis als het in een aanhangig geding door een partij uitdrukkelijk erkennen van de waarheid van een of meer stellingen van de wederpartij. Mede gelet op de slechts zeer beperkte gronden waarop erkenning volgens het tweede lid van artikel 154 Rv kan worden herroepen, moet de erkenning uitdrukkelijk en ondubbelzinnig zijn. Naar het oordeel van het hof is in dit geval niet aan deze strenge eisen voldaan. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat uit het proces-verbaal niet blijkt in welke context de verklaring is afgelegd (dat wil zeggen in hoeverre het een losse opmerking is geweest, dan wel een antwoord op een vraag of een toelichting op een eerdere opmerking, dit mede gelet op het feit dat in de inleidende dagvaarding met geen woord wordt gerept van (een grondslag voor) hoofdelijke aansprakelijkheid).

Voorts weegt het hof mee dat het gaat om een juridisch begrip. Het begrip “hoofdelijke aansprakelijkheid” kan niet algemeen bekend worden verondersteld, zoals de Gemeente betoogt, laat staan dat aanvaard kan worden dat het in dit geval onderliggende begrip bestuurdersaansprakelijkheid algemeen bekend is. Evenmin juist is de stelling van de Gemeente dat kennis van het begrip hoofdelijke aansprakelijkheid (respectievelijk bestuurdersaansprakelijkheid) bij [appellant] mag worden verondersteld, reeds omdat hij bestuurder en penningmeester van Sober was. Het moge zo zijn dat het de eigen keuze van [appellant] was om zich in eerste aanleg niet te laten bijstaan door een advocaat, maar dat laat onverlet dat dit gebrek aan juridische bijstand meeweegt bij de vraag of [appellant] de reikwijdte van zijn verklaring begreep. Dit laatste is weer van belang voor de vraag of sprake is van een uitdrukkelijke en ondubbelzinnige erkenning. De Gemeente heeft er tot slot nog op gewezen dat [appellant] geen bezwaar heeft gemaakt tegen de onderhavige passage na ontvangst van het proces-verbaal van de zitting. Nu het hof er niet van overtuigd is dat [appellant] de reikwijdte van zijn opmerking overzag, is het achterwege blijven van bezwaar naar het oordeel van het hof onvoldoende om daaruit de door de Gemeente gewenste conclusie te trekken.

Uit het voorgaande vloeit voort dat van een gerechtelijke erkentenis geen sprake is en (dus) evenmin van een gedekt verweer. In zoverre slaagt de grief.

Bestuurdersaansprakelijkheid?

5.

Het tweede deel van de grief van [appellant] stelt de vraag aan de orde of [appellant] als bestuurder hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de huurschuld van Sober. Het hof stelt hierbij het volgende voorop. Bij benadeling van een schuldeiser van een rechtspersoon door het onbetaald en onverhaald blijven van diens vordering kan naast de aansprakelijkheid van de rechtspersoon ook, afhankelijk van de omstandigheden van het concrete geval, grond zijn voor aansprakelijkheid van degene die als bestuurder (i) namens de rechtspersoon heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de rechtspersoon zijn wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt (vgl. HR 8 december 2006, LJN: AZ0758, NJ 2006/659). In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de rechtspersoon onrechtmatig heeft gehandeld waar hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in art. 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Als maatstaf geldt in de onder (i) bedoelde gevallen of de betrokken bestuurder bij het namens de rechtspersoon aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de rechtspersoon niet zijn verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden, en in de onder (ii) bedoelde gevallen of het handelen of nalaten als bestuurder van de betrokken rechtspersoon ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Van een dergelijk ernstig verwijt zal in ieder geval sprake kunnen zijn als komt vast te staan dat de bestuurder wist of redelijkerwijze had behoren te begrijpen dat de door hem bewerkstelligde of toegelaten handelwijze van de rechtspersoon tot gevolg zou hebben dat deze haar verplichtingen niet zou nakomen en ook geen verhaal zou bieden voor de als gevolg daarvan optredende schade. Er kunnen zich echter ook andere omstandigheden voordoen op grond waarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden aangenomen. Bij de beoordeling of de bestuurder inderdaad een ernstig verwijt treft als zojuist bedoeld, moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken (HR 29 november 2002, LJN: AE7011, NJ 2003/455 ).

De bewijslast in deze ligt bij de Gemeente.

6.

Volgens de Gemeente doet zich hier zowel de onder (i) als de onder (ii) omschreven situatie voor (MvA 35):

  • -

    i) [appellant] heeft jaarlijks het huurcontract verlengd terwijl hij wist of redelijkerwijs behoorde te begrijpen dat Sober niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden. Dit geldt in ieder geval vanaf 2008 ten tijde van de uitspraak van de ARRvS, subsidiair vanaf december 2009 toen zijn medebestuursleden hem verzochten het faillissement van Sober aan te vragen en meer subsidiair vanaf juli 2011, toen hem door de Gemeente de mogelijkheid werd geboden de huur te beëindigen en hij dit weigerde;

  • -

    ii) [appellant] heeft toegelaten dat Sober haar contractuele huurbetalingsverplichtingen niet nakwam, terwijl hij zich onvindbaar opstelde en weigerde het huurcontract te beëindigen, wetende dat Sober geen verhaal bood, waarmee hij de schade van de Gemeente alleen maar deed toenemen.

7.

Het hof overweegt als volgt.

7.1.

Vaststaat dat al vanaf augustus 2007 in het geheel niets meer werd betaald. Sober verkeerde duidelijk in financiële problemen, (mede) door de stopzetting van de subsidie. Niet gesteld of gebleken is dat de Gemeente dit niet wist en ook niet redelijkerwijs behoefde te weten, laat staan dat gesteld of gebleken is dat [appellant] de Gemeente onjuiste of misleidende informatie heeft verschaft omtrent de betalings- en verhaalsmogelijkheden van Sober of dat hij relevante informatie heeft verzwegen. Niet althans onvoldoende weersproken is voorts dat Sober (behoudens de verlengingen van de onderhavige huurovereenkomst) sinds de stopzetting van de subsidie geen overeenkomsten meer is aangegaan. Tot slot is niet in geschil dat aanvankelijk van de kant van Sober is geprobeerd om de stopzetting van de subsidie aan te vechten en dat vervolgens, deels in overleg met de Gemeente, is onderzocht of de activiteiten van Sober door een andere organisatie zouden kunnen worden overgenomen, respectievelijk of een oplossing kon worden gevonden voor de financiële afwikkeling van Sober. Onder deze omstandigheden is de beslissing de huurovereenkomst niet op te zeggen maar te verlengen onvoldoende om bestuurdersaansprakelijkheid te doen ontstaan. Van een ernstig persoonlijk verwijt aan het adres van Jeffery als hierboven bedoeld is geen sprake. Dat de Gemeente zich coulant heeft opgesteld is op zichzelf prijzenswaardig, maar het is ook haar eigen keuze geweest om lange tijd in gesprek te blijven en geen (voorbereidende) handelingen te verrichten ter beëindiging van de huurrelatie, ook niet in 2008 na de uitspraak van de ARRvS of na afronding van het mediationtraject in 2009.

7.2.

Wat betreft de door de Gemeente gestelde onvindbaarheid van [appellant] geldt het volgende. [appellant] heeft ter comparitie in eerste aanleg verklaard dat hij tijdelijk niet te traceren was doordat hij in Suriname verbleef. Hij heeft echter ook onweersproken verklaard dat hij eind 2009 uit Suriname is teruggekeerd, in welk verband nog opmerking verdient dat uit een door een toenmalig medebestuurslid van Sober opgesteld verslag van een gesprek met de wethouder in augustus 2009 (productie 10 MvG) – waarvan de juistheid door de Gemeente niet is betwist – blijkt dat [appellant] bij dat gesprek aanwezig was. De gestelde onvindbaarheid van [appellant] was tot begin 2010 hoe dan ook nog geen probleem, omdat [appellant] toen slechts medebestuurslid was. De gesprekken met Sober die hebben plaatsgevonden toen [appellant] in Suriname verbleef, hebben dan ook kennelijk met zijn medebestuursleden plaatsgevonden. Volgens de Gemeente was [appellant] vanaf begin 2010 echter enig bestuurder (hetgeen bevestigd lijkt te worden door de verklaring van [appellant] ter comparitie in eerste aanleg) en was hij vanaf dat moment “volstrekt onvindbaar”, althans tot juni 2011, in welke maand de Gemeente [appellant] naar eigen zeggen heeft getraceerd in Zoetermeer. De Gemeente heeft ter onderbouwing van deze bij memorie van antwoord geponeerde stelling slechts aangevoerd dat Sober niet reageerde op aanmaningsbrieven, dat het pand er verlaten bij lag en voorts dat zij “regelmatig” in “allerlei registers” heeft gekeken om de verblijfplaats van [appellant] te achterhalen. De Gemeente heeft niet gesteld wanneer zij aanmaningsbrieven heeft verstuurd (en hoeveel) en wanneer zij bij het pand is gaan kijken. Meer in het algemeen is onduidelijk wat de Gemeente concreet heeft gedaan om [appellant] te vinden en welke incassopogingen zij vergeefs heeft verricht als gevolg van de vermeende onvindbaarheid van [appellant]. Volgens de Gemeente beheert zij een veelvoud aan panden en kan daarom niet van haar worden verwacht dat zij wekelijks nagaat of de bestuurder van één van haar huurders weer te traceren is. Dit laatste moge wellicht zo zijn, maar dit laat onverlet dat de stellingen van de Gemeente omtrent de onvindbaarheid van [appellant] van begin 2010 tot juni 2011, indien al juist, onvoldoende grond opleveren om aan te nemen dat [appellant] een zodanig ernstig verwijt kan worden gemaakt dat hij als bestuurder hoofdelijk aansprakelijk kan worden gehouden voor de huurschuld van Sober.

7.3.

Tot slot verwijt de Gemeente [appellant] dat hij niet voor vrijwillige ontruiming heeft gezorgd toen de Gemeente hem in augustus 2011 liet weten dat men zou afzien van de contractuele opzegtermijn van zes maanden. Hoewel de Gemeente, ook indien er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat [appellant] niet eerder dan in juni 2011 kon worden getraceerd, ook eerder had kunnen dagvaarden dan pas in november 2011, is op zichzelf juist dat de huurschuld verder is opgelopen door de weigering om vrijwillig te vertrekken. Ook dit is echter niet voldoende om de hoge drempel van een “ernstig persoonlijk verwijt” te halen. Wat betreft de kosten van de procedure tegen Sober geldt voorts dat de Gemeente daarvoor een vergoeding heeft ontvangen.

7.4.

Slotsom is dat van bestuurdersaansprakelijkheid geen sprake is en dat de grief dus ook in zoverre slaagt.

Conclusie

8.

De conclusie luidt dat het appel succes heeft. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd, voor zover gewezen tussen de Gemeente en [appellant], en de vorderingen van de Gemeente jegens [appellant] zullen alsnog worden afgewezen. Bij deze uitkomst past dat de Gemeente in de proceskosten in hoger beroep zal worden veroordeeld. Op verzoek van [appellant] zal de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, met bepaling dat over die proceskostenvergoeding, bij gebrek aan betaling, de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van veertien dagen na de datum van dit arrest.


Beslissing

Het hof:

- vernietigt het bestreden vonnis van 3 februari 2012, voor zover gewezen tussen de Gemeente en [appellant];

en opnieuw rechtdoende:

- wijst de vorderingen jegens [appellant] af;

- veroordeelt de Gemeente in de proceskosten aan de zijde van [appellant], in eerste aanleg tot aan 3 februari 2012 begroot op nihil en in hoger beroep tot op heden begroot op € 381,64 aan verschotten en € 894,- aan salaris advocaat, en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke van betaling te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;

- verklaar deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, M.A.F. Tan-de Sonnaville en E.M. Dousma-Valk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 september 2013 in aanwezigheid van de griffier.