Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:3527

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-09-2013
Datum publicatie
24-09-2013
Zaaknummer
200.130.598-01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2957, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Hoger beroep van kort geding inzake afschaffing van de guldenpostzegels per 1 november 2013. PostNL is bevoegd een besluit tot afschaffing te nemen. Afschaffing levert geen onrechtmatige daad op tegenover bezitters van guldenzegels, verzamelaars en postzegelhandelaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/430
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.130.598/01
Zaak- en rolnummer rechtbank : C/09/441476 / KG ZA 13-428

Arrest van 24 september 2013

inzake

1.

DE NEDERLANDSCHE VEREENIGING VAN POSTZEGELHANDELAREN,

gevestigd te Den Haag,
2. POSTZEGELSHOP ANNETTE V.O.F.,
gevestigd te Zeist,
3. [appellant sub 3],
wonend te [woonplaats],

appellanten in principaal hoger beroep, verweerders in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen respectievelijk: NVPH, Annette en [appellant sub 3], en te zamen: NVPH c.s.,

advocaat: mr. M. Schut te Amsterdam,

tegen

KONINKLIJKE POSTNL B.V.,

gevestigd te Den Haag,

geïntimeerde in principaal hoger beroep, appellante in voorwaardelijk incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: PostNL,

advocaat: mr. T.R.B. de Greve te Amsterdam.

Het geding

Bij exploot van 9 juli 2013 zijn NVPH c.s. in hoger beroep gekomen van het door de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag (hierna: de voorzieningenrechter) tussen partijen in kort geding gewezen vonnis van 12 juni 2013 (ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2957).
In het exploot hebben NVPH c.s. drie grieven opgeworpen, hun oorspronkelijke vorderingen aangepast en producties opgenomen. De grieven en de gewijzigde vordering zijn door PostNL bestreden bij memorie van antwoord met producties. Bij dit processtuk heeft PostNL tevens voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld en daartoe één grief opgeworpen. De zaak is, nadat beide partijen nog producties hadden doen inzenden, door de advocaten van partijen aan de hand van pleitnota's toegelicht ter zitting van 29 augustus 2013. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt. Tot slot hebben partijen arrest gevraagd. De zaak is behandeld als een spoedappel.

Beoordeling van het hoger beroep

1

Het gaat het in dit geding in hoofdzaak om het volgende.

1.1

Bij de privatisering van het Staatsbedrijf der PTT is per 1 januari 1989 PostNL, althans haar rechtsvoorganger PTT Post B.V., opgericht. Volgens de inschrijving in het handelsregister houdt PostNL zich bezig met "het uitoefenen, al dan niet op grond van daartoe door de Staat der Nederlanden verleende concessies, van activiteiten in de ruimste zin op het gebied van het vervoer van postzendingen en goederen, en het verrichten van geldhandelingen, alsmede het ten behoeve en in opdracht van derden aanbieden van produkten en diensten".
In het navolgende worden, voor zover van toepassing, onder PostNL mede haar rechtsvoorgangers begrepen.

1.2

Op grond van een aanwijzing / concessie van de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie is PostNL belast met de zogenaamde 'universele postdienst', op grond waarvan zij gehouden is om op een wettelijk omschreven niveau postvervoer in Nederland te verzorgen. Uit hoofde daarvan geeft zij - onder andere - postzegels uit, die kunnen worden gebruikt als frankeermiddel voor de door haar te verrichten postvervoersdiensten.

1.3

NVPH is een vakorganisatie voor de beroepspostzegelhandel. Zij is opgericht in 1928 en heeft thans meer dan honderd leden. Volgens artikel 3 van haar statuten is haar doelstelling de instandhouding en de bevordering van de filatelie in het algemeen en van de beroepsfilatelie in het bijzonder. Alleen natuurlijke en rechtspersonen die zich bezig houden met de beroepsfilatelie, kunnen lid zijn van de vereniging.

1.4

Annette is opgericht op 1 maart 2010 en houdt zich bezig met de tussenhandel in postzegels. Haar vennoten zijn [vennoot 1] en [vennoot 2].

1.5

[appellant sub 3] is (al circa 60 jaar) een - hobbymatig - verzamelaar van postzegels.

1.6

Na de invoering van de chartale euro op 1 januari 2002 zijn door PostNL geen postzegels meer uitgegeven met een frankeerwaarde in guldens c.q. gulden-centen (hierna: 'guldenzegels'). De vóór die datum uitgegeven guldenzegels, die niet al eerder hun geldigheid hadden verloren, bleven echter wel hun geldigheid als frankeermiddel behouden.

1.7

Op 28 januari 2013 heeft PostNL – door middel van een persbericht – haar besluit kenbaar gemaakt dat de guldenzegels vanaf 1 november 2013 ongeldig zijn als frankeermiddel bij de verzending van poststukken.

1.8

Op 5 maart 2013 heeft NVPH PostNL gesommeerd om de guldenzegels na 1 november 2013 als geldig betaalmiddel voor haar diensten te blijven aanvaarden, dan wel voor de ongeldigverklaring van die zegels een ruimere termijn - van tenminste twee jaar - te hanteren, met de mogelijkheid om de zegels gedurende die periode in te ruilen tegen andere - voor onbepaalde tijd geldige - zegels.

1.9

Op 17 april 2013 hebben Annette en [appellant sub 3] PostNL gesommeerd om hun guldenzegels ook na 1 november 2013 als geldig betaalmiddel te aanvaarden, althans geëist dat aan hen een reële mogelijkheid wordt geboden om die zegels in te ruilen tegen zegels die hun waarde voor onbepaalde tijd zullen houden.

1.10

PostNL is niet op deze sommaties ingegaan, waarna het geding bij de voorzieningenrechter heeft plaatsgevonden dat is uitgemond in het thans bestreden vonnis. In dat geding hebben NVPH c.s. gevorderd – zakelijk weergegeven – dat PostNL wordt bevolen:
- primair: om vanaf 1 november 2013 de guldenzegels te (blijven) aanvaarden als geldig frankeermiddel voor de door haar uit te voeren postvervoersdiensten,
- subsidiair: guldenzegels bij aanbieding om te ruilen voor 'eurozegels', met een equivalente nominale waarde en een geldigheid voor onbepaalde tijd,
een en ander totdat definitief is beslist in een door NVPH c.s. aanhangig te maken bodemgeschil over de ongeldigverklaring van de guldenzegels,
- en voorts: om het vonnis van de voorzieningenrechter openbaar te maken door publicatie in drie landelijke dagbladen en op de website van PostNL.

1.11

Het hof ontleent aan het bestreden vonnis de volgende samenvatting van het door NVPH c.s. aan de vordering ten grondslag gelegde:

1. PostNL is niet gerechtigd om (eenzijdig) over te gaan tot ongeldigverklaring van de guldenzegels, meer specifiek de vanaf 1 januari 1977 uitgegeven guldenzegels en de daarvóór uitgegeven guldenzegels van het type 'Juliana Regina' en de cijferzegels van het type 'Crouwel'. Bovendien kan de wijze waarop zij daaraan vorm heeft gegeven niet door de beugel, nu een (veel) te korte termijn tussen de ingangsdatum van de ongeldigheid en de mededeling daarvan in acht is genomen en geen mogelijkheid wordt geboden om de guldenzegels in te ruilen tegen eurozegels. Al van oudsher heeft PostNL (althans haar rechtsvoorganger[s]) zich bij de verkoop van postzegels voor onbeperkte tijd verplicht om de zegels in de toekomst te blijven aanvaarden als betaalmiddel voor de door haar te verrichten diensten uit hoofde van de door de bezitters van die zegels verstrekte opdrachten tot postbezorging. De kopers/ bezitters van de guldenzegels mochten er in ieder geval op vertrouwen dat de zegels te allen tijde hun (frankeer)waarde blijven behouden. Op dit moment zijn nog veel ('postfrisse'/ongebruikte) guldenzegels in omloop. Zelf schat PostNL de waarde daarvan tussen € 20 miljoen en € 200 miljoen, terwijl volgens haar nog jaarlijks voor een bedrag van circa € 2 miljoen aan guldenzegels wordt gebruikt als frankeermiddel. De handel in guldenzegels is ook nog levendig. De ongeldigverklaring werkt derhalve (zeer) nadelig voor iedereen die nog in het bezit is van guldenzegels, zoals Annette, [appellant sub 3] en de leden van NVPH, die de vorderingen instelt als 'belangenbehartiger' in de zin van artikel 3:305a van het Burgerlijk Wetboek ('BW'). De guldenzegels worden per 1 november 2013 immers waardeloos, terwijl de thans aanwezige 'voorraad' niet kan worden verbruikt in een periode van slechts negen maanden. Door de plotselinge ongeldigverklaring van de guldenzegels en de wijze waarop dat gebeurt schiet PostNL toerekenbaar tekort in haar verplichtingen jegens de bezitters van de zegels, dan wel handelt zij onrechtmatig jegens hen. Op de zitting hebben eisers de grondslag van hun vorderingen nog aangevuld met een schending van artikel 1 van het Eerste Protocol van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Door middel van de onderhavige procedure beogen eisers te bewerkstelligen dat de status quo met betrekking tot de guldenzegels voorlopig wordt gehandhaafd, in afwachting van de beslissing van de rechter in een door hen - binnen twee maanden - aanhangig te maken bodemprocedure. Daarvoor is reden temeer, nu PostNL geen, althans onvoldoende, belang heeft bij de ongeldigverklaring van de guldenzegels per 1 november 2013.

1.12

PostNL heeft de vorderingen bestreden. Het hof ontleent aan het bestreden vonnis de volgende beknopte samenvatting van hetgeen PostNL daartoe in eerste aanleg heeft aangevoerd:

1. (i) NVPH is niet-ontvankelijk in haar vorderingen, aangezien zij niet voldoet aan de formele en materiële eisen die artikel 3:305a BW stelt;
(ii) eisers hebben de verkeerde partij gedagvaard, nu de onder 1.2 bedoelde concessie is verleend aan de naamloze vennootschap PostNL N.V.; op grond van interne afspraken binnen de PostNL-groep is PostNL belast met de feitelijke uitvoering van de onder de concessie vallende diensten, hetgeen haar nog geen partij maakt in het onderhavige geschil;
(iii) het is PostNL wel degelijk toegestaan om over te gaan tot ongeldig-verklaring van de guldenzegels;
(iv) PostNL heeft bij de kopers c.q. de (huidige) bezitters van de guldenzegels niet het vertrouwen gewekt dat de zegels onbeperkt als geldig frankeermiddel zouden kunnen worden gebruikt; in 1967 en 1985 is ook al een groot aantal postzegels ongeldig verklaard; daar komt bij dat destijds de termijn tussen de ongeldigheid en de bekendmaking daarvan steeds (aanzienlijk) korter was dan negen maanden en ook toen geen inruilmogelijkheid werd geboden;
(v) PostNL heeft zwaarwegende belangen bij de ongeldigverklaring van de guldenzegels, bijvoorbeeld uit het oogpunt van efficiency, doelmatigheid, rechtszekerheid en fraudepreventie; van de tussen 40 en 11 jaar geleden uitgegeven guldenzegels is thans nog slechts minder dan 1% - als geldig frankeermiddel - in omloop; de guldenzegels voldoen niet meer aan de eisen van de hedendaagse tijd, waardoor zij fraudegevoelig zijn; gebleken is dat zij - in ieder geval - vanaf 2010 op grote schaal zijn vervalst (door de 'georganiseerde misdaad') voor frauduleuze doeleinden, alsmede dat - ondanks een jegens een aantal fraudeurs uitgesproken veroordelend civielrechtelijk vonnis van de rechtbank Amsterdam en een strafrechtelijk onderzoek door het Openbaar Ministerie - de fraude nog steeds voortduurt; controle van de guldenzegels op echtheid is disproportioneel kostbaar en brengt mee dat de postbezorging (ernstig) wordt vertraagd;
(vi) eisers hebben geen belang bij hun vorderingen, althans de belangen die zij stellen doen zich niet voor; zo kan er slechts sprake zijn van wanprestatie c.q. onrechtmatig handelen jegens de eerste kopers van de guldenzegels, waartoe eisers niet behoren; voorts worden hobbyisten/ verzamelaars niet geraakt door de ongeldigverklaring; voor speculanten zou dat anders kunnen liggen, maar voor het bewuste risico dat zij hebben gelopen is PostNL niet aansprakelijk; bovendien moet het er voor worden gehouden dat eisers de guldenzegels ná de bekendmaking van de ongeldigverklaring op 28 januari 2013 hebben aangeschaft, zodat PostNL ook om die reden niet aansprakelijk is voor de eventuele schade van eisers als gevolg van de maatregel;
(vii) de vorderingen van eisers uit hoofde van wanprestatie, dan wel onrechtmatig handelen zijn verjaard;
(viii) eisers hebben afstand gedaan van hun rechten, althans hun rechten verwerkt;
(ix) er is sprake van 'eigen schuld' van de zijde van eisers; ze hebben namelijk geweten, althans kunnen weten dat de guldenzegels ooit ongeldig zouden worden verklaard en hebben (meer dan) voldoende tijd gehad om de zegels te gebruiken;
(x) de door PostNL in acht genomen termijn van negen maanden tussen de ongeldigheid en de bekendmaking ervan is alleszins redelijk;
(xi) de eis is te algemeen en te ruim geformuleerd; zo is bijvoorbeeld geen rekening gehouden met het gegeven dat de daadwerkelijke waarde (de 'verzamelwaarde') van bepaalde guldenzegels hoger ligt dan de frankeer-waarde, zodat deze buiten het gevorderde dienen te blijven; verder is niet voorzien in een 'opt out' mogelijkheid ex artikel 3:305a lid 5 BW; voorts is nakoming van het gevorderde hoe dan ook absoluut en praktisch onmogelijk, terwijl de vordering tot openbaarmaking van het vonnis niet noodzakelijk is;
(xii) PostNL loopt een groot restitutierisico voor wat betreft de door haar te lijden schade indien de vorderingen van eisers in kort geding worden toegewezen en nadien door de bodemrechter worden afgewezen; een eventueel toewijzend vonnis in de onderhavige procedure mag derhalve niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard; voor zover dat toch aangewezen is, moet daaraan - op de voet van artikel 233 lid 3 van het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering ('Rv'), juncto artikel 6:51 BW - de voorwaarde worden verbonden dat eisers zekerheid stellen tot een bedrag van € 26 miljoen;
(xiii) gelet op de ingewikkeldheid van de zaak, lenen de vorderingen van eisers zich niet voor een kort geding; de vraag rijst waarom eisers niet al eerder een bodemzaak aanhangig hebben gemaakt; daarin zou thans reeds een comparitie van partijen hebben plaatsgevonden, althans zijn gelast en zou wellicht vóór 1 november 2013 een vonnis zijn gewezen.

1.13

De voorzieningenrechter heeft de vorderingen van NVPH c.s. bij het bestreden vonnis afgewezen. De dragende motivering van dat oordeel is in het vonnis als volgt verwoord:

1. Voor wat betreft een substantieel deel van de hiervoor weergegeven kwesties zijn, mede gelet op de gemotiveerde onderbouwing door PostNL van haar verweren, de voor de beoordeling daarvan relevante feiten binnen het beperkte kader van dit kort geding niet, althans onvoldoende helder geworden. Dienaangaande is nader - grondiger - onderzoek nodig, waarvoor in deze procedure geen plaats is. Eisers hebben op de zitting ook erkend dat het een complexe zaak betreft. Op grond van het voorgaande valt tevens niet in te schatten hoe de bodemrechter zal oordelen in een aan hem voorgelegd geschil over de ongeldigverklaring van de guldenzegels. Een en ander leidt tot het oordeel dat de zaak niet geschikt is om in kort geding te worden beslist, zoals bedoeld in artikel 256 Rv, ook al moet met de daarin gegeven bevoegdheid terughoudend worden omgegaan.

1.14

In hoger beroep hebben NVPH c.s. hun vorderingen, zoals hiervoor sub 1.10 weergegeven, met enige verfijningen en nuanceringen gehandhaafd. Daartoe hebben NVPH c.s., mede ter onderbouwing van hun grieven, in hoofdzaak hetzelfde aangevoerd als hiervoor sub 1.11 samengevat is weergegeven. Wel hebben NVPH c.s. hun eerst bij pleidooi in eerste aanleg ingenomen stelling, inhoudend dat PostNL door de ongeldigverklaring handelt in strijd met artikel 1 van het Eerste Protocol EVRM, uitgewerkt. Voorts hebben NVPH c.s. betoogd dat na de bekendmaking van 28 januari 2013 de handel in postfrisse guldenzegels is 'ingestort'. NVPH c.s. hebben daarnaast benadrukt dat het in dit geding vooral gaat om de belangen van de verzamelaars van postzegels die, wanneer zij hun collecties van de hand zouden willen doen, daarvoor niet meer terecht kunnen bij de handel en aldus niet meer in staat zijn om de zogeheten bodemwaarde van de guldenzegels te verzilveren.

1.15

Ook PostNL heeft in hoger beroep haar standpunten gehandhaafd, zoals hiervoor sub 1.12 samengevat weergegeven. De door NVPH c.s. uitgewerkte stelling betreffende de schending van artikel 1 Eerste Protocol EVRM is door PostNL ampel bestreden. Voorts heeft PostNL gesteld dat [appellant sub 3] in zijn hoger beroep niet ontvangen kan worden omdat zijn procesbelang de drempel van
€ 1.750,- niet te boven gaat.

2

Het hof volgt de voorzieningenrechter niet in de motivering van zijn oordeel. Anders dan de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat de zaak niet te complex is of de feiten te weinig helder zijn gebleven om tot een inhoudelijke beoordeling van de gevorderde ordemaatregelen over te gaan. Ook het hof komt evenwel tot de conclusie dat de (gewijzigde) vorderingen van NVPH c.s. moeten worden afgewezen. Daartoe overweegt het hof het volgende.

2.1

De verst strekkende grondslag die NVPH c.s. hebben ingeroepen, wordt gevormd door hun stelling dat PostNL niet de bevoegdheid had om haar besluit van 28 januari 2013 te nemen. Het hof kan NVPH c.s. daarin niet volgen. Tot de taken die, in het kader van de privatisering van het Staatsbedrijf der PTT, bij of krachtens de wet aan PostNL zijn opgedragen, behoort de uitgifte van postzegels ten behoeve van het postvervoer. Aan die taak is, ook zonder dat dat uitdrukkelijk bepaald is, inherent dat PostNL de geldigheidsduur van postzegels mag bepalen. In die bevoegdheid ligt besloten dat PostNL ook bevoegd is de geldigheidsduur van postzegels te bepalen die voorafgaand aan de privatisering in roulatie zijn gebracht en waarvan indertijd geen concrete geldigheidsduur bekend is gemaakt.

2.2

Vervolgens komt de stelling aan de orde dat de ongeldigverklaring van de guldenzegels strijd oplevert met het bepaalde in artikel 1 van het Eerste Protocol EVRM (hierna: artikel 1). Van zodanige strijd is om verschillende redenen geen sprake. Reeds omdat de in het artikel vervatte norm zich niet richt tot een private rechtspersoon zoals PostNL, kunnen NVPH c.s. zich daarop jegens PostNL niet beroepen. Er is geen reden om hierover anders te oordelen in het licht van het gegeven dat de uitvoering van het postvervoer tot de privatisering van de PTT in handen was van een staatsbedrijf. Anders dan NVPH c.s. lijken te betogen, betekent het feit dat artikel 1 positieve verplichtingen voor de Staat in het leven kan roepen, ook niet dat het hof als orgaan van de Staat gehouden is een vordering van de ene particulier op een andere particulier aan artikel 1 te toetsen. Het beroep van NVPH c.s. op artikel 1 treft dus geen doel.

2.3

Van de verweren van PostNL zal het hof er een aantal om redenen van proceseconomie onbesproken laten. Het hof laat de door PostNL opgeworpen ontvankelijkheidsvragen rusten. Voorts gaat het niet in op de vraag of NVPH c.s. de juiste rechtspersoon in rechte hebben betrokken. Ook het vraagstuk van de verjaring komt niet aan de orde (mede in verband met het hierna sub 2.6 overwogene). Daarmee is niet gezegd dat deze weren geen doel zouden kunnen treffen. Het hof kan echter al tot een uitspraak komen zonder op deze juridisch ingewikkelde problemen in te gaan.

2.4

Wanneer iemand een brief wil laten vervoeren naar een ander kan hij daartoe naar een postkantoor gaan en de brief ter bezorging aanbieden. Nadat het daarvoor verschuldigde tarief is betaald, zal de brief worden voorzien van een zegel (of etiket) als bewijs van betaling van het tarief, waarna PostNL de brief zal bezorgen. Aldus wordt duidelijk wat de functie van een postzegel is: het is een betalingsbewijs of kwijting. Voor wie vaak een brief heeft te versturen is het niet efficiënt om telkens een gang naar een postkantoor te moeten maken. Voor een dergelijke persoon is het praktischer om zich al bij voorbaat een aantal postzegels te verschaffen en om de brieven, voorzien van een geldige postzegel, in een brievenbus van PostNL te doen. Aan de hand van de postzegel kan PostNL vaststellen dat het verschuldigde tarief is voldaan.

2.5

Wie zich een of meer postzegels heeft verschaft, is niet gehouden om deze te gebruiken als frankeermiddel. Hij kan deze ook in een verzameling onder-brengen, aan een ander ten geschenke geven, wegbergen (in de hoop om in de toekomst postfrisse exemplaren te kunnen verkopen tegen een hoger bedrag dan de aanschafprijs) of er anderszins een bestemming aan geven, bij voorbeeld verkoop aan een postzegelhandelaar. Het gebruik van de postzegel als frankeermiddel is evenwel het meest gangbaar: volgens een niet bestreden mededeling van PostNL wordt 95% van de 'verkochte' postzegels binnen één jaar en 99% binnen vijf jaar voor dat doel gebruikt. De laatste guldenzegels zijn in 2001 uitgegeven.

2.6

NVPH c.s. heeft het zich verschaffen van postzegels uitgelegd als een koop en verkoop. Daargelaten of deze uitleg juist is – veeleer lijkt er sprake van een overeenkomst sui generis –, is deze rechtshandeling voltooid met het voldoen van de nominale waarde van de gewenste zegels enerzijds en het overhandigen van de zegels anderzijds. Het hof volgt NVPH c.s. niet in de visie dat uit die overeenkomst voor PostNL de verbintenis voortvloeit om de postzegels mettertijd als frankeermiddel te aanvaarden. Bij het sluiten van een concrete postvervoersovereenkomst zal PostNL wel een bij voorbaat aangeschafte, geldige postzegel beschouwen als een geldig betaalmiddel ter voldoening van het verschuldigde tarief (naast chartaal of giraal geld) en de postzegel heeft dan tevens de functie van kwijting. Dat vloeit voort uit de aard van de postzegel, die, in termen van overeenkomstenrecht, ook is uit te leggen als een aanbod (onder voorwaarden) tot het aangaan van een postvervoersovereenkomst. Hieruit volgt dat het hof de stelling van NVPH c.s. verwerpt dat PostNL niet de bevoegdheid heeft de koopovereenkomst eenzijdig te verbreken althans niet na te komen door postzegels ongeldig te verklaren. Van een zodanige situatie is hier geen sprake.

2.7

Daarmee komt het hof bij de stelling van NVPH c.s., inhoudend dat de ongeldigverklaring van de guldenzegels in de omstandigheden van het geval een onrechtmatige daad vormt, tegenover de bezitters van guldenzegels en in het bijzonder de verzamelaars van postzegels. Deze laatsten, althans hun eventuele erfgenamen, wordt daardoor de mogelijkheid ontnomen om, wanneer zij hun collectie op enig moment te gelde zouden willen maken, voor de guldenzegels nog (een deel van) de nominale waarde te verkrijgen. Daarvoor is een termijn van negen maanden (tot 1 november 2013) te kort, hetgeen al blijkt uit het 'instorten' van de markt na het besluit tot ongeldigverklaring. Bovendien heeft PostNL geen mogelijkheid in het leven geroepen om de guldenzegels in te ruilen tegen thans geldige zegels. Aldus NVPH c.s..

2.8

Vooreerst legt gewicht in de schaal dat PostNL voldoende en geldige motieven had om tot ongeldigverklaring van de guldenzegels over te gaan. Zij heeft als zodanig onder meer genoemd dat deze zegels veel gemakkelijker dan moderne postzegels vervalst kunnen worden en dat vrij recent grootschalige vervalsingen aan het licht zijn gekomen. Daarnaast brengt volgens PostNL een efficiënte en doelmatige controle van de frankering van de circa tien miljoen poststukken, die PostNL gemiddeld per werkdag te verwerken heeft, met zich dat het aantal geldige postzegels beperkt blijft c.q. wordt. Het hof acht de onderbouwing die PostNL omtrent een en ander in de gedingstukken heeft gegeven, toereikend.

2.9

Het hof stelt verder voorop dat bij (beroeps)filatelisten (maar ook bij het 'gewone' publiek) bekend mag worden geacht dat Nederlandse postzegels geen onbeperkte geldigheidsduur hebben. Voor tal van postzegels is al bij de uitgifte bekendgemaakt hoe lang zij geldig waren. Voor vele andere zijn later besluiten publiek gemaakt waarin is bepaald wanneer de geldigheid afliep. Verzamelaars van postzegels zullen zich dus, voor zover zij al in de frankeergeldigheid van postzegels geïnteresseerd zijn, realiseren dat (postfrisse) zegels na verloop van jaren niet meer als geldig frankeermiddel kunnen worden gebruikt, en sommigen zal dat welkom zijn omdat dat een positief effect op de waarde van de verzameling kan hebben.

2.10

Het is mitsdien geen ongewoon verschijnsel dat PostNL een besluit heeft genomen om de geldigheidsduur van de guldenzegels af te schaffen, al gebeurde het na de privatisering van de PTT blijkbaar voor het eerst dat een dergelijk besluit viel. Ook het tijdstip waarop het besluit bekend werd gemaakt, kan nauwelijks verwondering wekken: het lag in de rede dat meer dan tien jaar na het afschaffen van de gulden als betaalmiddel ook de guldenzegels op enig moment hun geldigheid als betaal- en frankeermiddel bij het aangaan van een postvervoersovereenkomst zouden verliezen. Het hof volgt PostNL dan ook in het verweer, dat een periode van ruim tien jaar voldoende geacht kan worden om zich van guldenzegels te ontdoen. Daarbij komt dat een mogelijk argeloze bezitter van guldenzegels nog negen maanden extra de tijd heeft gekregen om de zegels op te maken of van de hand te doen.

2.11

Deze periode van ruim tien jaar plus negen maanden brengt tevens met zich dat van PostNL niet verlangd kan worden dat zij een mogelijkheid tot omruil van guldenzegels tegen thans geldige zegels biedt.

2.12

Wie zich postzegels verschaft met een andere intentie dan om deze op termijn op poststukken te plakken of wie zich postzegels verschaft in een grotere hoeveelheid dan hij gewoonlijk in de hierboven sub 2.5 genoemde periode van vijf jaar als frankeermiddel nodig heeft, aanvaardt het risico dat in die periode (of op een later tijdstip) een besluit tot ongeldigverklaring valt en de postzegels niet meer als geldig kunnen worden gebruikt.

2.13

Het hof begrijpt dat in de afgelopen jaren een handel in guldenzegels is ontstaan doordat handelaars deze aankopen van verzamelaars, tegen een fractie van de nominale waarde, en de zegels vervolgens met winst, maar nog altijd onder de nominale waarde, doorverkopen aan afnemers zoals webshops en verenigingen, die willen besparen op kosten van porti. Deze vorm van handel is geoorloofd maar staat ver af van de primaire functie van de postzegel: een documentje waarmee op eenvoudige wijze kan worden aangetoond dat de kosten van het bezorgen van een poststuk zijn voldaan. Aan deze handel zijn de risico's verbonden die gelden voor elke vorm van handel: de omstandigheden kunnen zich wijzigen en men zal daarop moeten inspelen door tijdig de koers te verleggen. PostNL kan niet verweten worden dat als sequeel van de ongeldigverklaring van de guldenzegels ook aan deze handel (vooralsnog) een einde komt. Te verwachten is dat de postzegelhandel op zoek zal gaan naar nieuwe afzetmogelijkheden voor interessante collecties.

2.14

NVPH c.s. hebben nog aangevoerd, dat postzegelverzamelaars ervan mochten uitgaan dat guldenzegels te allen tijde een bodemwaarde ter hoogte van de nominale waarde zouden behouden. Het hof kan daarin niet meegaan. Gewone consumenten zullen, geruime tijd na de invoering van eurozegels, guldenzegels als regel niet van hen willen overnemen uit onwetendheid of onzekerheid over de geldigheid ervan. Handelaren zijn, zo valt af te leiden uit het beweerde 'instorten' van de markt na 28 januari 2013, slechts tot overname bereid zolang zij er handel in zien en zijn dan nog slechts bereid tot het betalen van een fractie van de nominale waarde (in de gedingstukken worden percentages tot 55% van de nominale waarde genoemd). De bedoelde bodemwaarde bestond dus alleen nog voor verzamelaars die bereid en in staat waren de guldenzegels zelf als geldig frankeermiddel toe te passen. Voor wie daartoe niet in staat was c.q. is geldt hetgeen hierboven sub 2.12 is overwogen.

2.15

Op grond van deze overwegingen komt het hof tot de conclusie dat het besluit tot ongeldigverklaring een toets in een bodemgeschil waarschijnlijk zal doorstaan. Het hof acht geen grond tot het treffen van een ordemaatregel aanwezig.

3

De door NVPH c.s. aangevoerde grieven behoeven geen afzonderlijke bespreking. Nu geen van de grieven doel treft behoeft het voorwaardelijk ingestelde incidenteel beroep niet behandeld te worden. Het hof zal het bestreden vonnis – onder aanvulling en wijziging van de gronden – bekrachtigen. Bij deze uitkomst van het geding is het passend dat NVPH c.s. de proceskosten dragen.

Beslissing

Het hof:

  • -

    bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

  • -

    veroordeelt NVPH, Annette en [appellant sub 3] hoofdelijk, des dat door betaling van de ene de anderen worden bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van PostNL tot deze uitspraak begroot op € 683,- voor verschotten en € 2.682,- voor salaris advocaat;

  • -

    verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.N.B. Kaal, E.M. Dousma-Valk en H.D. van Romburgh en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 september 2013 in aanwezigheid van de griffier.