Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:3522

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
17-09-2013
Zaaknummer
200.118.423/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

kinderalimentatie

- grove miskenning wettelijke maatstaven?

- dwaling?

- wijziging van omstandigheden?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 12 juni 2013

Zaaknummer : 200.118.423/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 12-1261

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. M.E. Visser te Alblasserdam,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. A.W. Siebenga te Utrecht.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 13 december 2012 in hoger beroep gekomen van een beschikking van
20 september 2012 van de rechtbank ’s-Gravenhage.

De vrouw heeft op 7 februari 2013 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de man:

  • -

    op 9 januari 2013 een fax met de zittingsaantekeningen;

  • -

    op 5 april 2013 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen, op 8 april 2013 ingekomen als brief met bijlagen;

van de zijde van de vrouw:

- op 8 april 2013 een formulier met producties.

De zaak is op 18 april 2013 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking heeft de rechtbank – voor zover in dit hoger beroep van belang – afgewezen het verzoek van de man om – met wijziging van de beschikking van 19 november 2008 – te bepalen dat de bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van de minderjarigen (hierna ook kinderalimentatie) met ingang van 1 januari 2011 € 501,67 per maand per kind bedraagt, althans een zodanig bedrag en met zodanige datum van ingang als de rechtbank juist acht.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1.

In geschil is de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen:

- [naam], geboren [in] 2000 te [geboorteplaats];

  • -

    [naam], geboren [in] 2003 te [geboorteplaats];

  • -

    [naam], geboren [in] 2003 te [geboorteplaats],

hierna gezamenlijk de minderjarigen.

2.

De man verzoekt het hof de bestreden beschikking te vernietigen voor wat betreft de beslissing tot afwijzing van het verzoek van de man om de bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van de minderjarigen te verlagen en, opnieuw beschikkende en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de bepaalde kinderalimentatie met ingang van 1 januari 2011 wordt gesteld op maximaal € 384,33 per maand per kind, althans op een zodanig bedrag en met ingang van een zodanig tijdstip als het hof in goede justitie juist acht en daarbij artikel (1.5 en) 1.6 uit het echtscheidingsconvenant als vervallen te beschouwen.

3.

De vrouw verweert zich daartegen en verzoekt het hof het beroep van de man ongegrond te verklaren en af te wijzen en voorts de bestreden beschikking te bekrachtigen en te bepalen dat de man wordt veroordeeld in de kosten van dit geding.

4.

De man voert het volgende aan. Bij de tussen partijen overeengekomen kinderalimentatie is sprake geweest van grove miskenning van de wettelijke maatstaven zoals bedoeld in artikel 1:401 lid 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De man is ten aanzien van zijn bijdrage in de kosten van de kinderen verkeerd, dan wel onvolledig, ingelicht door de door partijen ingeschakelde mediator. De man biedt hier uitdrukkelijk bewijs van aan. De door partijen overeengekomen bijdrage van € 2.306,- per maand vermeerderd met een bijdrage in andere kosten staat in evidente wanverhouding tot de behoefte die zou zijn vastgesteld op basis van de wettelijke maatstaven bij voorlegging aan de rechtbank.

5.

Subsidiair stelt de man dat er sprake was van wederzijdse dwaling op grond waarvan het echtscheidingsconvenant vernietigd, althans gewijzigd, dient te worden. Doordat de tabellen – fout – lineair zijn doorgetrokken en bij de behoeftelijst niet door de mediator is aangegeven dat het wooncomponent in de behoefte normaliter slechts 16 % bedraagt, hadden partijen tijdens de bemiddelingsgesprekken een onjuiste voorstelling van zaken voor wat betreft de wijze waarop de behoefte van kinderen wordt bepaald.

6.

Voorts is de man van mening dat sprake is van wijziging van omstandigheden. Zo heeft de nieuwe partner van de vrouw geweld jegens hem gebruikt, dreigt de vrouw met loonbeslag, moet de man pensioenmaatregelen treffen en is er sprake van een precaire financiële situatie bij [naam werkgever]. De man zou zich kunnen voorstellen dat hij zijn huis zal moeten verhuren en/of voor een andere maatschappij gaat werken, hetgeen een wijziging van de zorgregeling en daarmee in de alimentatie zal betekenen. Partijen moeten daarbij iets doen aan hun onderlinge communicatie.

7.

De vrouw verweert zich daartegen als volgt. De man wenst na jaren terug te komen op de door partijen met behulp van een advocaat-scheidingsmediator overeengekomen onderhoudsbijdragen. Deze advocaat-scheidingsmediator is lid van de Vereniging van familierechtadvocaten en scheidingsmediators en partijen hebben maar liefst tien gesprekken met haar gevoerd. Bovendien werd de man ook nog bijgestaan door zijn eigen advocaat. Partijen zijn bewust afgeweken van de Tremanormen gelet op het hoge welstandsniveau dat de minderjarigen gewend waren op basis van het inkomen van de man. De Tremanormen zijn geen recht in de zin van artikel 79 Wet op de rechterlijke organisatie. Daarbij hebben partijen rekening gehouden met de hoge woonlasten van de vrouw die nabij de man moest gaan wonen in verband met de door hem gewenste zorgregeling. De man wil nu het door hem uitonderhandelde resultaat in stand laten, terwijl de door de vrouw uitonderhandelde punten teniet zouden worden gedaan. Naar de mening van de vrouw dient de man te worden veroordeeld in de kosten van dit proces, omdat zij ten onrechte op kosten wordt gejaagd.

Grove miskenning van de wettelijke maatstaven

8.

Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden heeft geoordeeld dat geen sprake is van het aangaan van het echtscheidingsconvenant met grove miskenning van de wettelijke maatstaven; het hof neemt dit oordeel met de bijbehorende gronden over. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat partijen zich ten tijde van het uiteengaan hebben laten bijstaan door een advocaat die gespecialiseerd is in het familierecht. Gedurende de tien bemiddelingsbijeenkomsten is onder meer de behoefte van de minderjarigen en de wederzijdse draagkracht van partijen uitvoerig aan de orde gekomen. De man heeft zich daarnaast laten bijstaan door een eigen advocaat die hem nog apart adviseerde over de door de advocaat-scheidingsmediator opgestelde berekeningen en de te maken afspraken. Uit de overgelegde stukken blijkt dat partijen uit zijn gegaan van een netto gezinsinkomen van € 8.908,- per maand en aan de hand van een door de vrouw opgesteld overzicht van de kosten van de minderjarigen tot een bepaling van de behoefte van de minderjarigen zijn gekomen. Hierbij is een wooncomponent opgeteld in verband met de hoge woonlasten voor de vrouw ten gevolge van het in de buurt van de man wonen en is een regeling getroffen voor extra kosten die niet op het overzicht vermeld stonden. In het geval dat de vrouw zou gaan samenwonen, zou de kinderalimentatie minder worden en de partneralimentatie worden beëindigd, hetgeen ook is geschied. Ook hebben partijen rekening gehouden met het feit dat de man een behoorlijke inkomensstijging zou gaan genieten en hebben zij ervoor gekozen dit niet van invloed te laten zijn op de overeengekomen kinderalimentatie.

9.

Gelet op voormelde feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de aldus tussen partijen overeengekomen kinderalimentatie niet tot stand is gekomen met grove miskenning van de wettelijke maatstaven. Niet gebleken is dat de op basis van voormelde uitgangspunten overeengekomen kinderalimentatie in een evidente wanverhouding staat tot hetgeen op basis van de wettelijke maatstaven zou moeten en kunnen worden betaald. Het hof is dan ook met de rechtbank van oordeel dat het verzoek van de man voor zover gegrond op artikel 1:401 lid 5 BW dient te worden afgewezen.

Dwaling


10.  Met betrekking tot de subsidiaire stelling van de man dat sprake was van (wederzijdse) dwaling bij de totstandkoming van de overeenkomst inzake de kinderalimentatie overweegt het hof als volgt.

11.

Naar het oordeel van het hof is in het onderhavige geval geen sprake geweest van een onjuiste voorstelling van zaken. Partijen hebben zich gezamenlijk gewend tot een gespecialiseerde advocaat-scheidingsmediator om de gevolgen van hun echtscheiding te regelen. Tussen partijen staat vast dat zij tienmaal samen naar deze advocaat-scheidingsmediator zijn geweest en verschillende sessies hebben gewijd aan het onderwerp kinderalimentatie. Daarnaast heeft de man zich laten bijstaan door een eigen advocaat die hem in deze heeft geadviseerd. De advocaat van de man ontving afschrift van alle verslagen van de bijeenkomsten bij de advocaat-scheidingsmediator, zodat de gegevens waarop de kinderalimentatie gebaseerd ook voor hem bekend waren. Het hof is dan ook van oordeel dat een beroep op dwaling niet kan slagen.

Wijziging van omstandigheden

12.

Ten slotte heeft de man diverse omstandigheden aangevoerd die zijns inziens zouden moeten leiden tot een wijziging van de overeengekomen kinderalimentatie. Het incident dat zich heeft afgespeeld tussen de man en de nieuwe partner van de vrouw acht het hof geen rechtens relevante omstandigheid die een wijziging van de kinderalimentatie rechtvaardigt. Naar het oordeel van het hof zijn de overige door de man opgevoerde omstandigheden eventualiteiten die zich in de toekomst kunnen voordoen en derhalve geen gewijzigde omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 BW. Het beroep van de man dient dan ook te worden afgewezen.

13.

Gelet op het vorenstaande zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen.

Proceskosten

14.

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in beide instanties compenseren.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de proceskosten in beide instanties in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Stille, Stollenwerck en Ydema, bijgestaan door
mr. Van Waning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juni 2013.