Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:3515

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
17-07-2013
Datum publicatie
19-09-2013
Zaaknummer
200.128.972/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering; geen ongeoorloofde overbrenging naar Nederland, dus geen sprake van kinderontvoering; zie ook ECLI:NL:GHDHA:2013:3526

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 17 juli 2013

Zaaknummer : 200.128.972/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 13-2759

[appellant],

wonende te [woonplaats], Verenigde Staten van Amerika,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. S.E. van der Meer te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. M. Visser te Amsterdam.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 24 juni 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 10 juni 2013 van de rechtbank Den Haag.

De moeder heeft op 28 juni 2013 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de vader:

  • -

    op 28 juni 2013 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

  • -

    op 1 juli 2013 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

  • -

    op 2 juli 2013 een faxbericht met bijlagen;

van de zijde van de moeder:

- op 1 juli 2013 een formulier met bijlage.

De zaak is op 2 juli 2013 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en mr. M.M. van Maanen.

De advocaat van de vader heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

De hierna te noemen minderjarigen zijn in raadkamer gehoord.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking heeft de rechtbank het verzoek van de vader tot teruggeleiding van de hierna te noemen minderjarigen afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

  • -

    Partijen zijn met elkaar gehuwd [in] 2001 te [plaats] en zijn de ouders van [naam], geboren [in] 2005 te [geboorteplaats], en
    [naam], geboren [in] 2006 te [geboorteplaats],
    hierna gezamenlijk te noemen: de minderjarigen.

  • -

    Partijen en de minderjarigen hebben de Nederlandse nationaliteit.

  • -

    De ouders hebben gezamenlijk het gezag over de minderjarigen.

  • -

    Partijen en de minderjarigen woonden vanaf [datum] 2009 in [plaats], Verenigde Staten van Amerika (VS).

  • -

    Partijen hebben eind 2011 besloten te gaan scheiden.

  • -

    [in] 2012 is het door partijen opgestelde ouderschapsplan van [datum] 2012 door “the Court of Common Pleas of Allegheny County, [staat] Family Division” bekrachtigd.

  • -

    Sinds [datum] 2013 verblijven de minderjarigen met de moeder in Nederland.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De vader verzoekt het hof bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij (het hof begrijpt) beschikking, uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet zulks toelaat:

I. De terugkeer te gelasten van de minderjarigen naar het adres te [plaats] [postcode] (VS) aan de [adres], met onmiddellijke ingang doch uiterlijk op een door het hof te bepalen datum, waarbij de moeder de minderjarigen dient terug te brengen naar [plaats] [postcode] (VS) aan de [adres];

II. Te bevelen, voor het geval de moeder nalaat de minderjarigen terug te brengen naar [plaats] [postcode] (VS) aan de [adres], dat de moeder de minderjarigen met hun paspoort aan de vader zal afgeven, onmiddellijk, doch uiterlijk op een door het hof te bepalen datum, opdat de vader de minderjarigen zelf mee terug kan nemen naar de VS;

III. De moeder te veroordelen tot betaling van een nog te specificeren bedrag aan de vader ter zake van de kosten die de vader in verband met de ontvoering en teruggeleiding heeft gemaakt en nog dient te maken.

2. De moeder verweert zich daartegen en verzoekt het hof, bij beschikking voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vader niet-ontvankelijk te verklaren in zijn inleidende verzoek, dan wel dit verzoek af te wijzen, dan wel de bestreden beschikking te bekrachtigen, met veroordeling van de vader in de kosten van deze en de hieraan voorafgaande procedure.

3. De vader voert het volgende aan. Onder grote druk is de vader in het tussen partijen gesloten “parenting plan” (hierna: ouderschapsplan) akkoord gegaan met een verhuizing van de moeder met de minderjarigen naar Nederland onder de strikte voorwaarde dat zij voor [datum] 2013 een opleidingsplek zou hebben tot medisch specialist in een van de Nederlandse academische ziekenhuizen. Zonder toestemming van de vader om te verhuizen is de moeder met de minderjarigen na de vakantie afgelopen maart in Nederland gebleven en is de moeder op [datum] 2013 begonnen met een baan als onderzoeker in opleiding (OIO). Aan de voorwaarde dat zij voor [datum] 2013 in dienst zou moeten treden als arts-assistent in opleiding tot medisch specialist (AIOS) is niet voldaan. Een functie als OIO biedt geen enkele garantie op een functie als AIOS. De rechtbank heeft vermoedelijk het Haviltex-criterium gehanteerd. Dit ten onrechte, omdat niet Nederlands maar Amerikaans recht van toepassing is. De rechtbank heeft bij haar beslissing tot afwijzing van het verzoek van de vader tot teruggeleiding van de minderjarigen naar de VS grote waarde gehecht aan een brief van 4 januari 2013 van dr. [naam]. Ook heeft de moeder een brief van 26 maart 2013 van de manager bedrijfsvoering van het [naam ziekenhuis], drs. [naam], en een werkgeversverklaring van prof. dr. [naam] van 5 april 2013 overgelegd. Naar de mening van de vader zijn deze verklaringen inhoudelijk tegenstrijdig, onduidelijk en door de moeder afgedwongen. De moeder staat niet geregistreerd als AIOS bij de Registratiecommissie Geneeskundig Specialisten. Voorts duurt een promotieonderzoek twee tot vier jaren en kan de moeder dus ook niet binnen een jaar klaar zijn. In verband met tegenstrijdige verklaringen en de gerede twijfels die de vader heeft ten aanzien van de door de moeder overgelegde brieven van prof. [naam] en dr. [naam], zal de vader een verzoek tot het gelasten van een voorlopig getuigenverhoor indienen.

4. De moeder bestrijdt uitdrukkelijk dat zij zich schuldig zou maken aan internationale kinderontvoering. Zij is met toestemming van de vader met de minderjarigen naar Nederland teruggekeerd en de vader had dan ook niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in zijn verzoek. De moeder heeft de vader van iedere stap die zij nam op de hoogte gebracht. Bovendien heeft zij aan alle voorwaarden uit het ouderschapsplan voldaan door het vinden van een opleidingsplek in de [specialisme] voor [datum] 2013. De minderjarigen voelen zich inmiddels thuis in Nederland en gaan naar de basisschool die partijen hebben aangewezen in het ouderschapsplan. De minderjarigen spreken de vader minimaal twee keer per week via Skype en zijn in ieder geval een weekend tot een week bij hem als hij in Nederland is.

5. Het hof heeft bij beschikking van 10 juli 2013 het verzoek van de vader tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor afgewezen. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden het verzoek van de vader tot teruggeleiding van de minderjarigen naar de VS heeft afgewezen. Het hof neemt deze gronden over. In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken die tot een ander oordeel zouden moeten leiden. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat geen sprake is van een ongeoorloofde overbrenging van de minderjarigen door de moeder in de zin van artikel 3 van het Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen. In het op [datum] 2012 tussen partijen overeengekomen ouderschapsplan, dat op [datum] 2012 is bekrachtigd door “the Court of Common Pleas van Allegheny County, [staat], Family Division” zijn partijen het volgende overeengekomen:

“Article 2 – Principle residence/removal/passport

It is the intention of the mother to move to the Netherlands to pursue her career there, specifically to find a residency in training position in [specialisme]. The father agrees to let her move with the children to the Netherlands under the condition that she indeed finds a residency in training for medical specialist in one of the University hospitals in the Netherlands. This is subject to the conditions outlined below.

If the mother is not able to find a residency in training job in the Netherlands the children shall remain in [plaats], [staat] where the father has a greater earning potential. If the mother also stays in [plaats], [staat] the parents agree to a joint parenting plan in which time with the children is shared equally, along the lines outlined below in article 3.1, for the scenario where the children move with the mother to the Netherlands.

Assuming a move to the Netherlands by the mother and children, as long as the father is living abroad, in the United States or another country, the children will have their principle residence with the mother and will be registered at her address in the population register of [plaats], The Netherlands, at either the address [adres] or [adres] (her parents residence). She is therefore entitled to collect child benefit. It is the intention of the father to also move back to the Netherlands when circumstances permit, and to move to a location close to where the mother will live with the children. When the father moves to a location within 50 miles of the mother the parents agree to implement a joint parenting plan (“co-ouderschap”) as described below in article 3.1.

[…]

Article 3.1 Care/contact arrangement

The parents have agreed to the following care/contact arrangement. Mother will relocate with the children by [datum] 2012 or any other date both parents agree upon, conditional upon her finding a residency in training position as described above. It is understood that the mother will have until [datum] 2013 to accomplish this, and that if she has not found a residency position at this time the children will not be relocated. It is understood that the children shall not be relocated until such a time that the mother has found a residency position and is scheduled to begin work in this position. The relocation shall take place no earlier than one month before she begins work in this position unless otherwise agreed between the parties.

[…]”

6.

In het Nederlands luidt bovenstaande tekst als volgt:

“Artikel 2 – Hoofdverblijf/verhuizing/paspoort

De moeder is van plan naar Nederland te verhuizen om haar carrière daar verder op te bouwen, in het bijzonder om daar een opleidingsplaats in de [specialisme] te vinden. De vader gaat ermee akkoord dat zij met de kinderen naar Nederland verhuist, op voorwaarde dat zij inderdaad een opleidingsplaats als medisch specialist in een van de academische ziekenhuizen in Nederland vindt. Hiervoor gelden de hieronder beschreven voorwaarden.

Indien de moeder er niet in slaagt een opleidingsplaats in Nederland te vinden zullen de kinderen in [plaats], [staat] blijven, waar de vader een beter inkomenspotentieel heeft. Indien de moeder ook in [plaats], [staat] blijft komen de ouders een co-ouderschapsregeling overeen waarin de tijd met de kinderen gelijk wordt verdeeld, volgens de regels als beschreven in onderstaand artikel 3.1 voor het scenario wanneer de kinderen met de moeder naar Nederland verhuizen.

Ervan uitgaande dat de kinderen met de moeder naar Nederland verhuizen, zal, voor zolang de vader in het buitenland verblijft, in de Verenigde Staten of een ander land, het hoofdverblijf van de kinderen bij de moeder zijn en zullen zij worden ingeschreven in het bevolkingsregister van [plaats], Nederland, hetzij op het adres [adres] of [adres] (het adres van haar ouders). Derhalve heeft zij recht op kinderbijslag. De vader is eveneens van plan naar Nederland te verhuizen wanneer de omstandigheden dit toelaten en te verhuizen naar een plaats in de buurt van waar de moeder met de kinderen gaat wonen. Wanneer de vader verhuist naar een plaats binnen circa 80 kilometer (bron: 50 mijl) van de moeder, dan komen de ouders een co-ouderschapsregeling overeen zoals beschreven in onderstaand artikel 3.1.

[…]

Artikel 3.1 – Verzorgings-/omgangsregeling

De ouders zijn de volgende verzorgings-/omgangsregeling overeengekomen: Moeder zal met de kinderen verhuizen op [datum] 2012 of op een andere door beide ouders overeen te komen datum, op voorwaarde dat zij een opleidingsplaats zoals hierboven omschreven vindt, met dien verstande dat de moeder tot [datum] 2013 de tijd heeft om dit te verwezenlijken en dat wanneer zij geen opleidingsplaats heeft gevonden, de kinderen niet zullen verhuizen. Hiervoor geldt dat de kinderen pas zullen verhuizen wanneer de moeder een opleidingsplaats heeft gevonden en bekend is op welke datum zij met haar werkzaamheden in deze functie zal beginnen. De verhuizing zal op zijn vroegst plaatsvinden één maand voordat zij in deze functie gaat werken, tenzij de partijen anders overeenkomen.

[…]”

7.

Het hof is van oordeel dat de tekst van de overeenkomst van partijen duidelijke en ondubbelzinnige afspraken behelst over de voorgenomen verhuizing van de moeder met de minderjarigen naar Nederland en dat de moeder heeft aangetoond te hebben voldaan aan de overeengekomen voorwaarden voor deze verhuizing. De tekst van de overeenkomst maakt duidelijk dat de moeder een opleidingsplaats diende te vinden. In de overeenkomst is geen aanknopingspunt te vinden voor de stelling van de vader, dat de moeder voor [datum] 2013 ook reeds als zodanig werkzaam diende te zijn. Nu de tekst zo duidelijk is, is de vraag of op de overeenkomst Nederlands of Amerikaans recht van toepassing niet relevant. Uit de door de moeder overgelegde stukken, in het bijzonder die welke voor het eerst in hoger beroep zijn overgelegd, is genoegzaam gebleken dat de moeder inderdaad voor [datum] 2013 een opleidingsplaats in de [specialisme] heeft gevonden, in eerste instantie bij het [naam ziekenhuis] en vervolgens bij het [naam ziekenhuis]. Zij is op [datum] 2013 begonnen met haar werk aan het [naam ziekenhuis], te weten binnen een maand na het vertrek uit de VS op [datum] 2013. Blijkens de aanstellingsbrief van [datum] 2013 van dr. [naam], de brief van [datum] 2013 van drs. [naam] en de werkgeversverklaring van [datum] 2013 en de brief van [datum] 2013 van prof. dr. [naam], is de moeder thans – derhalve voor [datum] 2013 – daadwerkelijk aangesteld als AIOS bij het [naam ziekenhuis] en verricht zij als onderdeel van haar opleiding het eerste jaar onderzoek. Dat die brieven/verklaringen inhoudelijk tegenstrijdig, onduidelijk en door de moeder afgedwongen zouden zijn, zoals de vader stelt, acht het hof niet voldoende onderbouwd. Het hof zal deze verklaringen derhalve volledig bij de beoordeling betrekken. Voorts blijkt uit de door de moeder als productie 6 bij haar verweerschrift gevoegde brief van de Registratiecommissie Geneeskundig Specialisten van [datum] 2013 dat zij, anders dan in eerste aanleg, thans is ingeschreven in het opleidingsregister voor het specialisme [specialisatie].

8.

Gelet op voormelde feiten en omstandigheden is het hof met de rechtbank van oordeel dat de moeder heeft voldaan aan de letterlijke tekst van het ouderschapsplan en derhalve geen sprake is van een ongeoorloofde overbrenging van de minderjarigen naar Nederland. Het verzoek van de vader tot teruggeleiding van de minderjarigen is terecht afgewezen en het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen. Daarom zal ook het verzoek van de vader, de moeder te veroordelen tot betaling van een bedrag voor door de vader in verband met de (gestelde) ontvoering en teruggeleiding gemaakte kosten, worden afgewezen.

9.

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de kosten van de procedure in hoger beroep tussen de partijen in die zin, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Mink, Van Dijk en Kamminga, bijgestaan door
mr. Van Waning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 juli 2013.