Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:3408

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
26-04-2013
Datum publicatie
12-09-2013
Zaaknummer
22-006181-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich tezamen en in vereniging met anderen bezig gehouden met de handel in synthetische drugs en voorbereidingshandelingen verricht onder meer strekkende tot de uitvoer van die drugs.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

3 (drie) jaren en 10 (tien) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-006181-10

Parketnummer: 10-600174-08

Datum uitspraak: 26 april 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 23 november 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1968,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van

14 september 2012, 19 en 22 februari 2013, 11, 12 en 14 maart 2013 en 12 april 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 3 ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het 1 en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar en 6 maanden, met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent de in beslag genomen goederen als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na aanpassing van de omschrijving van de tenlastelegging op de voet van artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering - ten laste gelegd dat:

1.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 augustus 2009 tot en met 18 augustus 2009 te Oss, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een anderen, althans een ander, althans alleen, opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 436 kg amfetamine (pasta) en/of (ongeveer) 30 liter amfetamine (olie), in elk geval een aanzienlijke (handels) hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 januari 2009, althans 4 augustus 2009 tot en met 18 augustus 2009 te Oss, en/of Eindhoven en/of Loosdrecht, en/of Geleen, althans in Nederland, en/of Harmond-Achel, althans in Belgie, tezamen en in vereniging met anderen, althans een ander, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (ongeveer) 436 kg amfetamine (pasta) en/of (ongeveer) 30 liter amfetamine (olie), althans een grote (handels)een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of

- zich en/of een ander of anderen gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft trachten te verschaffen, en/of

- voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen en/of gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en/of zijn mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,

immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) tezamen en in vereniging met elkaar, althans ieder voor zich, toen en daar opzettelijk:

- ( ongeveer) 436 kg amfetamine (pasta) en/of ongeveer 30 liter amfetamine (olie), althans een aanzienlijke (handels)hoeveelheid amfetamine (pasta en/of olie) voorhanden gehad;

- contacten gehad (ontmoetingen en sms-berichten) ten behoeve van de uitvoer en/of transport en/of verkoop en/of levering van voornoemde (handels)hoeveelheid amfetamine (pasta en/of olie);

- een of meer telefoongesprekken gevoerd en/of sms-berichten gestuurd met betrekking tot het uitvoeren en/of bereiden en/of bewerken en/of verkopen en/of afleveren van voornoemde (handels) hoeveelheid amfetamine (pasta en/of olie);

- voornoemde (handels) hoeveelheid amfetamine (pasta en/of olie) bereid en/of bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verpakt

terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans ernstige reden had(den) te vermoeden dat deze voorwerpen die hij/zij voorhanden had(den) bestemd waren tot het plegen van hierboven bedoelde feit;

3.
hij op of omstreeks 18 augustus te Oss, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans een ander, althans alleen, een wapen van categorie II, te weten: een automatisch vuurwapen, merk CZ, type VZ 62 ([zaak X]), kaliber 7.65 mm voorhanden heeft gehad.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

De advocaat-generaal heeft betoogd dat de verdachte dient te worden veroordeeld voor het onder 3 ten laste gelegde. Daartoe heeft zij in haar op schrift gestelde requisitoir verwezen naar het telefoongesprek tussen de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]) over ‘auto-onderdelen’ op 3 augustus 2009 en het bezoek van [medeverdachte 2] aan het kantoor van [verdachte] op 13 augustus 2009, waarbij [medeverdachte 2] de Alditas heeft afgeleverd waarin het vuurwapen op 18 augustus 2009 is aangetroffen.

Het hof overweegt als volgt.

Uit het proces-verbaal van relaas “[zaak X]” volgt onder meer dat [medeverdachte 2] op 3 augustus 2009 naar [medeverdachte 1] heeft gebeld met de mededeling dat hij de ‘auto-onderdelen’ klaar heeft. Op 13 augustus 2009 spreken [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] telefonisch af elkaar die dag te ontmoeten bij een tankstation te Oss, welke ontmoeting ook daadwerkelijk plaatsvindt.1 Uit de camerabeelden van de loods aan de Alanenweg te Oss blijkt verder dat [medeverdachte 2] op 13 augustus 2009 een Alditas met daarin een voorwerp in het kantoor bij de loods aan de Alanenweg te Oss aflevert, terwijl de verdachte daar aanwezig is.2 Vervolgens wordt op 18 augustus 2009in het systeemplafond van dat kantoor een Alditas aangetroffen met daarin het ten laste gelegde vuurwapen.3 Op de Alditas zit een dactyloscopisch spoor welke overeenkomt met dat van [medeverdachte 2].4

Het ten laste gelegde wapen is in een soortgelijke plastic Alditas aangetroffen, als die [medeverdachte 2] op 13 augustus 2009 blijkens de camerabeelden uit zijn auto heeft gehaald en mee naar binnen heeft genomen in het pand bij de loods aan de Alanenweg te Oss; een aanwijzing dat het om dezelfde tas gaat, is gevonden in het aantreffen van een vingerspoor van [medeverdachte 2] op de betreffende tas. Echter, tussen het brengen van die tas naar de loods en het aantreffen daarvan bij gelegenheid van de doorzoeking, liggen vijf dagen, terwijl in die periode – zo blijkt uit het dossier - in ieder geval zes personen (al dan niet met plastic tassen) op het terrein van de loods aan de Alanenweg te Oss aanwezig zijn geweest. In die tussengelegen periode is ruimschoots gelegenheid geweest dat een ander dan [medeverdachte 2] of de verdachte het wapen in de Alditas heeft gestopt. Het feit dat [medeverdachte 2] wel heeft erkend dat hij in het geval hij zou verklaren over de inhoud van de tas hij zich zou blootstellen aan het risico van vervolging, maakt dit oordeel niet anders nu dit geen bijdrage levert aan het bewijs van het ten laste gelegde.

Voorts valt uit eerdergenoemde camerabeelden niet op te maken wat er in de tas heeft gezeten, maar het is wel opvallend dat [medeverdachte 2] de zak van onderen ondersteunt en iets van het lichaam voor zich uit draagt. Op zichzelf kan daarin naar het oordeel van het hof niet zonder meer een aanwijzing worden gezien dat het hier gaat om het vervoer van een wapen in die tas.

Uit het door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gebezigde woord ‘auto-onderdelen’ kan niet zonder meer worden afgeleid dat zij met elkaar in versluierd taalgebruik over het vuurwapen hebben gesproken, vooral niet nu dit woord in het licht van de gerezen verdenkingen met betrekking tot de overtredingen van de Opiumwet evengoed betrekking kan hebben gehad op de aldaar aangetroffen amfetamine.

Verder is niet vast te stellen dat de verdachte anderszins wetenschap had of heeft gehad omtrent de aanwezigheid van het vuurwapen. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het vuurwapen niet op een plek is aangetroffen, waarvan het niet anders kan dan dat de verdachte zich van de aanwezig daarvan bewust moet zijn geweest.

Gelet op het vorenstaande – alles in onderling verband en samenhang bezien - is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij in de periode van 11 augustus 2009 tot en met 18 augustus 2009 te Oss, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft verwerkt en opzettelijk aanwezig heeft gehad (ongeveer) 436 kg amfetamine (pasta) en (ongeveer) 30 liter amfetamine (olie), zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.
hij in de periode van 4 augustus 2009 tot en met 18 augustus 2009 te Oss, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, vervoeren en buiten het grondgebied van Nederland brengen van (ongeveer) 436 kg amfetamine (pasta) althans een grote (handels)een hoeveelheid van een materiaal bevattende amfetamine, zijnde amfetamine een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

voor te bereiden en/of te bevorderen,

- zich en/of een ander of anderen middelen en inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft trachten te verschaffen, en

- stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en/of zijn mededaders wisten of ernstige reden hadden te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van het hierboven bedoelde feit,

immers hebben hij, verdachte, en zijn mededaders tezamen en in vereniging met elkaar, toen en daar opzettelijk:

- ( ongeveer) 436 kg amfetamine (pasta) althans een aanzienlijke (handels)hoeveelheid amfetamine (pasta en/of olie) voorhanden gehad;

- contacten gehad (ontmoetingen en sms-berichten) ten behoeve van de uitvoer en transport en verkoop en levering van voornoemde (handels)hoeveelheid amfetamine (pasta);

- een of meer telefoongesprekken gevoerd en/of sms-berichten gestuurd met betrekking tot het uitvoeren en/of bereiden en/of bewerken en/of verkopen en/of afleveren van voornoemde (handels) hoeveelheid amfetamine (pasta);

- voornoemde (handels) hoeveelheid amfetamine (pasta verpakt

terwijl hij, verdachte, wist en zijn mededaders wisten, althans ernstige reden hadden te vermoeden dat deze voorwerpen die zij voorhanden hadden bestemd waren tot het plegen van hierboven bedoelde feit.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde

Het hof gaat op basis van de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting uit van de navolgende feiten en omstandigheden.

Op 18 augustus 2009 is in een loods aan de [adres] te Oss, toebehorend aan de verdachte, in een afgesloten aanhangwagen, die eerder door verdachte in die loods was gebracht, aangetroffen een hoeveelheid van 436 kilogram amfetamine.5 De amfetamine was verpakt in 415 gesealde kilozakken, welke zakken in een koffer, sporttas of doos zaten. Daarnaast is bij de aanhouding van de medeverdachte [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]) op 18 augustus 2009 in de door hem bestuurde Mercedes Vito met het kenteken [kentekennummer] aangetroffen ongeveer 30 liter amfetamineolie.6

In de voorliggende periode, van 12 augustus tot en met 18 augustus 2009, is er veelvuldig telefonisch contact geweest tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4]) enerzijds en [medeverdachte 1] en de verdachte anderzijds. Ook is een enkele keer telefonisch contact geweest tussen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] en tussen de verdachte en [medeverdachte 4]. De voornoemde contacten hebben – kort en zakelijk weergegeven – het navolgende ingehouden:7

  • -

    op 12 augustus 2009 vraagt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 4] waar hij blijft en of hij wil reageren. [medeverdachte 4] antwoordt dat hij er de volgende ochtend zal zijn;

  • -

    op 12 augustus 2009 bericht [medeverdachte 1] via de telefooncentrale aan [medeverdachte 3] dat die “2 voor 850” kan, waarop [medeverdachte 3] reageert dat hij “9” zal gaan vragen;

  • -

    op 13 augustus 2009 laat [medeverdachte 1] op een vraag van [medeverdachte 4] aan hem weten dat hij alles nodig heeft en dat [medeverdachte 4] op tijd moet komen, anders krijgt hij problemen met mensen;

  • -

    op 13 augustus 2009 belt [medeverdachte 4] tweemaal met de verdachte, in welke gesprekken hij aan de verdachte mededeelt dat hij ‘daar’ om 17.00 uur zal staan en in het tweede gesprek aan de verdachte doorgeeft dat hij zal proberen om 17.30 ‘daar’ te zijn;

  • -

    op 14 augustus 2009 vraagt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 4] hoe laat hij er met alle onderdelen zal zijn en benadrukt hij in daarop volgende sms’jes steeds dat hij die dag alle onderdelen nodig heeft. [medeverdachte 4] antwoordt dat hij alle onderdelen plus de motorolie bij zich heeft;

  • -

    op 14 augustus 2009 sms’t de verdachte aan [medeverdachte 1] dat ‘hij’ weer maar de helft heeft gebracht;

  • -

    in de avond van 14 augustus 2009 bericht [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 4] dat hij het onmiddellijk moet oplossen; hij vraagt [medeverdachte 4] of de anderen het hebben achtergehouden of verkocht; hij laat aan [medeverdachte 4] weten dat hij nu met een groot probleem zit en mensen een boete moet betalen. [medeverdachte 4] antwoordt dat hij die avond meteen aan het werk zal gaan en dat hij de onderdelen de volgende middag of avond af zal hebben. [medeverdachte 4] vraagt [medeverdachte 1] of hij het op de ouderwetse manier gespoten wil hebben of via een nieuwe techniek, welke techniek sneller is en die maar een verlies van tien oplevert. Ook bericht [medeverdachte 4] aan [medeverdachte 1] dat de prijs normaal 3.2 is, maar dat hij nu 3 zal krijgen;

  • -

    op 15 augustus 2009 vraagt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 4] of hij alles heeft gespoten en of het spuitwerk klaar is. [medeverdachte 4] laat weten dat het spuiten wat langer duurde dan verwacht en dat de kleur er perfect uitziet. [medeverdachte 1] sms’t dat [medeverdachte 4] het spuitwerk goed op orde moet maken en dan moet zorgen dat het bij hem komt. [medeverdachte 4] laat weten dat hij een sleutel heeft gehad en hij spreekt met [medeverdachte 1] af dat hij het de volgende morgen zal afgooien;

  • -

    op 16 augustus 2009 sms’t de verdachte aan [medeverdachte 1] dat ‘hij’ iets heeft neergezet en dat hij zo zal laten weten wat;

  • -

    op 17 augustus 2009 hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] via de telefooncentrale contact, waaruit volgt dat de verdachte aangeeft dat hij er om 17.00 uur zal zijn en [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] vraagt of hij genoeg zakken mee wil nemen. Ook vraagt [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 3] of hij hun vriend wil ophalen bij de Mac in Waalwijk;

  • -

    op 17 en 18 augustus 2009 laat [medeverdachte 1] aan [medeverdachte 4] weten dat het rommel is; dat [medeverdachte 4] hen veel ellende heeft bezorgd en dat hij nu veel ruzie heeft met mensen;

  • -

    op 18 augustus 2009 sms’t de verdachte aan [medeverdachte 1] dat zij hard aan de gang zijn om alles af te krijgen.

Ook heeft [medeverdachte 1] in de periode van 15 augustus 2009 tot en met 21 augustus 2009 in de Engelse taal sms-berichten gestuurd naar en ontvangen van een Engels telefoonnummer.8 Hierbij zijn op 18 augustus 2009 tussen 00.32 en 00.56 uur door [medeverdachte 1] sms’jes verstuurd, inhoudende dat het zo lang duurt omdat de verkeerde ‘backs’ zijn gebruikt en het opnieuw moet worden geseald. [medeverdachte 1] biedt hier zijn excuses voor aan.

Uit de in beslag genomen camerabeelden van de loods aan de [adres] te Oss volgt onder meer dat:9

  • -

    op 13 augustus 2009 om 18.49 uur een BMW met als bestuurder [medeverdachte 1] het bedrijfsterrein op komt rijden, gevolgd door een witte bestelbus van het merk Seat, type Inca, kenteken [kentekennummer], in gebruik bij [medeverdachte 4], en dat [medeverdachte 1], [medeverdachte 4] en de verdachte bij elkaar op het bedrijfsterrein staan;

  • -

    op 14 augustus 2009 om 16.31 uur voornoemde Seat Inca het bedrijfsterrein oprijdt en achteruit de loods wordt ingereden. Daarna is te zien dat de verdachte over het bedrijfsterrein loopt met (een) latexhandschoen(en) aan zijn hand(en). Om 17.13 uur verlaten zowel de verdachte als [medeverdachte 4] het bedrijfsterrein;

  • -

    op 16 augustus 2009 om 11.34 uur opent [medeverdachte 4] het toegangshek van het bedrijfsterrein. Hij rijdt in zijn Seat Inca het terrein op en rijdt de achtergelegen loods binnen. Om 11.41 uur verlaat [medeverdachte 4] in zijn Seat Inca het bedrijfsterrein. De verdachte arriveert om 12.45 uur op het bedrijfsterrein; – op dat tijdstip bericht de verdachte aan [medeverdachte 1], zoals hierboven is vermeld, dat ‘hij’ iets heeft neergezet en dat hij zo zal laten weten wat - ; de verdachte stapt de achtergelegen loods binnen en vertrekt weer om 13.06 uur;

  • -

    op 17 augustus 2009 om 20.13 uur komen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] in een Mercedes Vito met kenteken [kentekennummer] aan op het bedrijfsterrein. Achter hen aan rijdt een Vauxhall Zafira voorzien van een Engels kenteken. Om 21.41 uur is te zien dat de verdachte over het bedrijfsterrein loopt met een latexhandschoen aan zijn rechterhand. Voornoemde Mercedes Vito verlaat vervolgens om 23.26 uur het bedrijfsterrein gevolgd door de Vauxhall Zafira. Om 00.01 uur komt de Mercedes Vito terug, kort hierop staan de verdachte en [medeverdachte 3] voor de toegangsdeur van het kantoor;

  • -

    op 18 augustus 2009 is de verdachte vanaf 12.31 uur aanwezig op het bedrijfsterrein. Om 13.31 uur is ook [medeverdachte 3] daar. De Mercedes Vito staat op het bedrijfsterrein geparkeerd. Om 14.48 uur lopen [medeverdachte 3] en de verdachte het kantoor binnen, waarbij te zien is dat de verdachte latexhandschoenen draagt. Om 15.07 uur arriveert [medeverdachte 1] op het bedrijfsterrein. Kort hierop is te zien dat ook [medeverdachte 1] aan zijn rechterhand een latexhandschoen draagt.

Voorts is bij een observatie op 18 augustus 2009 waargenomen dat [medeverdachte 3] omstreeks 16.23 uur met een grote witte zak in zijn armen richting de hiervoor ook aangeduide Mercedes Vito loopt en deze zak achterin de bestelbus legt. Omstreeks 16.25 uur verlaat [medeverdachte 3] als bestuurder van de Mercedes Vito het bedrijfsterrein aan de [adres] te Oss.10

Naast de amfetamineolie zijn in de Mercedes Vito aangetroffen twee sealapparaten, een verhuisdoos met daarin vacuümsealzakken en vuilniszakken met daarin latexhandschoenen.11 Zowel op de sealapparaten als op de latexhandschoenen zijn sporen van amfetamine en aan amfetamine gerelateerde verontreinigingen aangetroffen.12 Op één van deze latexhandschoenen is ook een DNA-profiel aangetroffen dat overeenkomt met het DNA-profiel van de verdachte.13 Ook zaten op enkele van deze latexhandschoenen DNA-profielen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3]. Sporen van amfetamine zijn eveneens gevonden op de op 18 augustus 2009 onder de verdachte in beslag genomen broek en T-shirt van [medeverdachte 3].14

Gelet op vorenstaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, concludeert het hof dat tussen de verdachte, [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] sprake was van een zodanig nauwe en bewuste samenwerking ter zake van het onder 1 ten laste gelegde dat sprake is van medeplegen.

Voorbereidingshandelingen uitvoer amfetamine (feit 2)

Gelet op vorenstaande feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, oordeelt het hof dat de verdachte tezamen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] voorbereidingshandelingen heeft verricht voor de uitvoer, verkoop en aflevering van 436 kilogram amfetaminepasta. Daarbij acht het hof van belang dat de Vauxhall Zafira met een Engels kenteken in de avond van 17 augustus 2009 om 20.13 uur achter de door [medeverdachte 3] bestuurde Mercedes Vito, waarin verdachte als bijrijder aanwezig was, het bedrijfsterrein te Oss oprijdt en later die avond onder begeleiding van die Mercedes Vito dat terrein is afgereden, terwijl de uit die Engelse auto afkomstige personen zich tussen 20.13 uur en 23.26 uur ophielden in de loods, het kantoortje en op de oprit van dat terrein van verdachte; alsmede dat [medeverdachte 1] na dat bezoek van de personen uit de Vauxhall Zafira in de Engelse taal aan een Engelse telefoonnummer een sms heeft gestuurd waaruit kan worden opgemaakt dat iets is fout gegaan en er opnieuw moet worden geseald. Nu het herverpakken van de amfetamine na dit bezoek en dat telefonisch contact heeft plaatsgevonden, is het hof van oordeel dat de verdachte wist dat de mede door hem herverpakte amfetamine was bedoeld voor een leverantie naar het buitenland. Aldus kan wettig en overtuigend worden bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 is ten laste gelegd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B en C van de Opiumwet gegeven verbod;

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door zich of een ander middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen

en

stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren en 219 dagen, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich tezamen en in vereniging met anderen bezig gehouden met de handel in synthetische drugs en voorbereidingshandelingen verricht onder meer strekkende tot de uitvoer van die drugs. Zoals algemeen bekend is, vormt het gebruik van synthetische drugs een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en leidt het in vele gevallen tot een verslaving aan het gebruik daarvan. Bovendien vindt een groot deel van de criminaliteit – ook waar het geweldsmisdrijven betreft - direct of indirect haar oorsprong in het gebruik van deze middelen. De verdachte heeft zich daaraan niets gelegen laten liggen, noch aan de grote maatschappelijke gevolgen van dit alles en zich klaarblijkelijk louter laten leiden door eigen financieel gewin.

Voorts heeft het hof in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 14 februari 2013, waaruit blijkt dat de verdachte reeds eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke en andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Bij het bepalen van de strafduur neemt het hof tevens in aanmerking het aandeel dat de verdachte in het geheel heeft gehad. De verdachte heeft, naast het ter beschikking stellen van zijn loods te Oss alwaar de aangetroffen amfetamine een paar dagen is opgeslagen, veelvuldig contact gehad met de medeverdachte [medeverdachte 1] over die amfetamine. Daarnaast heeft hij tezamen met de medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] de door de medeverdachte [medeverdachte 4] geleverde amfetamine herverpakt ten behoeve de uitvoer van die amfetamine. De verdachte heeft aldus een substantiële rol gespeeld in onderhavige strafbare feiten en wordt derhalve door het hof als een van de hoofddaders gezien.

Door de verdediging is betoogd dat bij de strafoplegging rekening dient te worden gehouden met de omstandigheid dat het gewicht van de 436 kilogram nog natte amfetamine na opdroging slechts 261 kilogram zou bedragen, alsmede met de omstandigheid dat is gebleken dat de amfetamine van een inferieure kwaliteit is.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat zowel het drooggewicht als de inferieure kwaliteit van de in de loods aan de [adres] te Oss aangetroffen amfetamine niet mag leiden tot matiging van de op te leggen straf. Daartoe heeft zij in haar op schrift gestelde requisitoir en repliek aangevoerd dat de Opiumwet geen onderscheid maakt ten aanzien van de concentratie werkzame stoffen in verdovende middelen. Voorts is hetgeen in de wetsgeschiedenis bij de Opiumwet ter zake van hennep is overwogen, te weten dat bij het wetsontwerp geen onderscheid wordt gemaakt al naar gelang de mate van het THC-gehalte, van overeenkomstige toepassing op de middelen die staan vermeld op lijst I behorende bij de Opiumwet.

Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat noch het natte/droge gewicht noch de inferieure kwaliteit van de amfetamine als strafverlagende omstandigheden dienen te gelden. De stelling dat het netto gewicht van of de concentratie werkzame stof in een verdovend middel het matigen van de op te leggen straf ten gevolge zou moeten hebben, vindt geen enkele steun in het recht. Een minimale concentratie aan een werkzame strafbare stof is in de Opiumwet niet vereist. Het risico voor de volksgezondheid blijft ook met een lagere concentratie aan illegale werkzame stoffen onverminderd bestaan, zodat ook om deze reden de inferieure kwaliteit van de amfetamine niet tot matiging van de straf kan leiden. Het hof zal voor wat betreft de hoeveelheid amfetamine, overeenkomstig de bewezenverklaring, uitgaan van het ‘natte’ gewicht, nu dit de hoeveelheid betreft die door de verdachte en zijn medeverdachten is geproduceerd en afgeleverd in Oss en aldaar in 415 identieke gesealde kiloverpakkingen is aangetroffen.

Het hof neemt bij het bepalen van de strafduur echter wel in overweging dat, alhoewel amfetamine een middel betreft dat is vermeld op lijst I van de Opiumwet en de productie van en handel daarin andersoortige criminaliteit bevordert, het op zich een middel is dat in het criminele circuit per verhandelde kilo een geheel andere – geringere - geldwaarde vertegenwoordigt dan bijvoorbeeld cocaïne en het daarmee verdiende criminele geld binnen die vergelijking beschouwd dan ook een beperktere maatschappelijke ontwrichting ten gevolge zal hebben.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank bij de strafoplegging ten onrechte voorbij is gegaan aan de LOVS-oriëntatiepunten en straffen opgelegd in vergelijkbare zaken. Daartoe heeft zij in haar op schrift gestelde requisitoir verwezen naar jurisprudentie ter zake van de productie en uitvoer van (enkele honderden kilo’s) amfetamine.

Het hof stelt voorop dat de LOVS-oriëntatiepunten geen recht vormen in de zin van artikel 79 Wet op de Rechterlijke Organisatie. Dit brengt met zich mee dat het hof – zonder overigens iets af te doen aan de waarde en het belang van deze oriëntatiepunten - niet in de strikte betekenis van het woord zonder meer aan deze oriëntatiepunten is gebonden. De rechter beschikt over een grote mate van vrijheid bij het bepalen van de strafmaat, die ook dient te kunnen worden toegesneden op de bijzondere omstandigheden van elk geval afzonderlijk.

Voor wat betreft de door de advocaat-generaal aangehaalde jurisprudentie overweegt het hof dat door het openbaar ministerie onder verwijzing naar die jurisprudentie weliswaar de stelling kan worden betrokken dat de verwachting valt te rechtvaardigen dat in zaken als deze gevangenisstraffen van een bepaalde duur zullen worden opgelegd, maar dat laat onverlet dat het hof – evenals bij de LOVS-oriëntatiepunten – over de vrijheid beschikt om iedere zaak afzonderlijk en op zijn eigen merites te beoordelen – en zich daartoe overigens ook gehouden acht - waarbij het ene geval zich niet één op één laat vergelijken met het andere geval. In de onderhavige zaak slaat het hof bij het bepalen van de strafduur acht op de mate van professionaliteit van het samenwerkingsverband waar de verdachte deel van uitmaakte, zijn plaats in de hiërarchie binnen dit samenwerkingsverband en de uitvoering van de productie van de amfetamine, waarbij wordt opgemerkt dat de door de advocaat-generaal aangehaalde jurisprudentie naar het oordeel van het hof gevallen van onvergelijkbaar meer professionele vormen van productie van amfetamine en de voorbereiding van uitvoer daarvan betreffen. Gelet op vorenstaande elementen, alsook gelet op de achtergrond en persoonlijke omstandigheden van deze verdachte komt het hof alles afwegende in deze zaak tot een ander oordeel dan de advocaat-generaal en zal aan de verdachte een lagere straf worden opgelegd dan gevorderd.

Het hof is – gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, alsmede uit het oogpunt van generale en speciale preventie en voorts rekening houdend met de gezondheid van verdachte zoals gebleken ter terechtzitting in hoger beroep - van oordeel dat een gevangenisstraf van 4 jaren, waarvan 18 maanden voorwaardelijk, een passende en geboden reactie vormt. Het hof zal evenwel, nu de inzendtermijn in hoger beroep met circa drie maanden is overschreden en de berechting in hoger beroep niet heeft plaatsgevonden binnen twee jaren na het instellen daarvan, een korting toepassen van 2 maanden en derhalve een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 10 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk, opleggen.

Beslag

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het op de in kopie aan dit arrest gehechte lijst van in beslag genomen voorwerpen onder 2, 5 en 17 tot en met 20 vermelde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer; dat de onder 3, 4 en 6 tot en met 16 vermelde voorwerpen zullen worden teruggegeven aan de verdachte; en dat het onder 1 vermelde voorwerp verbeurd zal worden verklaard.

Het na te melden inbeslaggenomen en nog niet teruggegeven voorwerp zoals dit vermeld is onder 1 op de in kopie aan dit arrest gehechte beslaglijst, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het onder 1 en 2 bewezen verklaarde is begaan. Het hof zal daarom dit voorwerp verbeurd verklaren.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Ten aanzien van de onder 2, 5 en 17 tot en met 19 vermelde voorwerpen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, met betrekking tot of met behulp waarvan het bewezen verklaarde is begaan of die bij gelegenheid van het onderzoek naar het door verdachte onder 1 en 2 begane misdrijf zijn aangetroffen, aan verdachte toebehoren en kunnen dienen tot het begaan of voorbereiden van soortgelijke misdrijven, dienen te worden onttrokken aan het verkeer, aangezien het ongecontroleerde bezit van een en ander in strijd is met de wet en het algemeen belang.

Ten aanzien van de onder 3, 4 en 6 tot en met 16 vermelde voorwerpen gelast het hof de teruggave aan de verdachte.

Ten aanzien van het onder 20 vermelde voorwerp, te weten een gehandicaptenkaart, onthoudt het hof zich van een beslissing. Het openbaar ministerie meldt op de beslaglijst dat deze is vernietigd en de verdediging heeft omtrent dit in beslag genomen voorwerp geen wensen kenbaar gemaakt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 24, 33, 33a, 36b, 36c, 36d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 3 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

3 (

drie) jaren en 10 (tien) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

18 (

achttien) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten: het voorwerp onder 1 zoals vermeld op de beslaglijst.

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

de voorwerpen onder 2, 5 en 17 tot en met 19 zoals vermeld op de beslaglijst.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten: de voorwerpen onder 3, 4 en 6 tot en met 16 zoals vermeld op de beslaglijst.

Dit arrest is gewezen door mr. R.C.A. Duindam,

mr. C.P.E.M. Fonteijn- Van der Meulen en mr. J.A.C. Bartels, in bijzijn van de griffier mr. N.N.D. Bos.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 26 april 2013.

1 Het proces-verbaal van relaas zaak “[zaak X]” van de Dienst Nationale Recherche d.d. 26 januari 2010, nr. 26Z11054 en documentcode 100111.1030.AMB, p. 4 e.v. van het zaaksdossier [zaak X], vervolg 1.

2 Een proces-verbaal van onderzoek aan inbeslag genomen goed van de Dienst Nationale Recherche d.d. 8 oktober 2009, nr. 26Z11054 en documentcode 091005.0950.OIG, p. 792 e.v. van het zaaksdossier [zaak Y].

3 Het proces-verbaal van relaas [zaak X] van de Dienst Nationale Recherche van 19 oktober 2009, nr. 26Z11054 en documentcode 090831.1002.AMB, p. 1 e.v. van het zaaksdossier [zaak X].

4 Het proces-verbaal van relaas zaak “[zaak X]” van de Dienst Nationale Recherche d.d. 26 januari 2010, nr. 26Z11054 en documentcode 100111.1030.AMB, p. 5 en 7 van het zaaksdossier [zaak X], vervolg 1.

5 Een proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagname van de Dienst Nationale Recherche d.d. 19 augustus 2009, p. 832 e.v. van het zaaksdossier [zaak Z]; een geschrift, zijnde een aanvraag onderzoek NFI d.d. 21 augustus 2009, documentcode 100511.1400.AMB, p. 459 e.v. van het zaaksdossier [zaak Z]; en een geschrift, zijnde een rapportage van het NFI van 20 oktober 2009, opgemaakt door dr. [verbalisant], documentcode 100511.1402.AMB, p. 463 e.v. van het zaaksdossier [zaak Z].

6 Een proces-verbaal van relaas zaak “[zaak Z]” van de Dienst Nationale Recherche d.d. 16 november 2009, nr. 26Z11054 en documentcode 091014.0855.AMB, zaaksdossier [zaak Z]; een geschrift, zijnde een aanvraag onderzoek NFI d.d. 21 augustus 2009, documentcode 100511.1400.AMB, p. 459 e.v. van het zaaksdossier [zaak Z]; en een geschrift, zijnde een rapportage van het NFI van 20 oktober 2009, opgemaakt door dr. [verbalisant], documentcode 100511.1402.AMB, p. 463 e.v. van het zaaksdossier [zaak Y].

7 Het proces-verbaal van relaas zaakdossier [zaak Y] van de Dienst Nationale Recherche van 16 november 2009, nr. 26Z11054 en documentcode 090824.1130.AMB, en de daarbij behorende bijlagen.

8 Het proces-verbaal van relaas zaakdossier [zaak Y] van de Dienst Nationale Recherche van 16 november 2009, nr. 26Z11054 en documentcode 090824.1130.AMB, en de daarbij behorende bijlagen.

9 Een proces-verbaal van onderzoek aan inbeslag genomen goed van de Dienst Nationale Recherche d.d. 8 oktober 2009, nr. 26Z11054 en documentcode 091005.0950.OIG, p. 792 e.v. van het zaaksdossier [zaak Y]; een proces-verbaal van onderzoek aan inbeslag genomen goed van de Dienst Nationale Recherche d.d. 8 oktober 2009, nr. 26Z11054 en documentcode 091006.0815.OIG, p. 810 e.v. van het zaaksdossier [zaak Y]; een proces-verbaal van onderzoek aan inbeslag genomen goed van de Dienst Nationale Recherche d.d. 8 oktober 2009, nr. 26Z11054 en documentcode 091005.1515.OIG, p. 843 e.v. van het zaaksdossier [zaak Y]; een proces-verbaal van onderzoek aan inbeslag genomen goed van de Dienst Nationale Recherche d.d. 8 oktober 2009, nr. 26Z11054 en documentcode 091006.1612.OIG, p. 861 e.v. van het zaaksdossier [zaak Y]; en een proces-verbaal van onderzoek aan inbeslag genomen goed van de Dienst Nationale Recherche d.d. 8 oktober 2009, nr. 26Z11054 en documentcode 091009.1044.OIG, p. 883 e.v. van het zaaksdossier [zaal Y].

10 Een proces-verbaal van observeren van Dienst Nationale Recherche d.d. 9 december 2009, nr. 090818.NR16. Medusa en documentcode 090818.0940.OBS, met bijlagen, p. 398 e.v. van het zaaksdossier [zaak Z], vervolg 1.

11 Het process-verbaal van relaas zaak “[zaak Z]” van de Dienst Nationale Recherche d.d. 16 november 2009, nr. 26Z11054 en documentcode 091014.0855.AMB en een proces-verbaal DNA inbeslagneming van de Dienst Nationale Recherche d.d. 1 oktober 2009, nr. 29-127578 en documentcode 091005.1126.AMB, p. 411 e.v. van het zaaksdossier [zaak Z], vervolg 1.

12 Een geschrift, zijnde een rapportage van het NFI van 20 november 2009 en 29 december 2009, opgesteld door dr. [dr. 1], p. 420 e.v. van het zaaksdossier [zaak Z], vervolg 1.

13 Een geschrift, zijnde een rapportage van het NFI d.d. 5 februari 2010, opgemaakt door dr. [dr. 2], p. 112 e.v. van het zaaksdossier {zaak Y], vervolg 3.

14 Een geschrift, zijnde een rapportage van het NFI van 22 september 2009, opgesteld door dr. [dr. 1], p. 415 e.v. van het zaaksdossier [zaak Z], vervolg 1.