Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:3287

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-08-2013
Datum publicatie
04-09-2013
Zaaknummer
200.118.242-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geldige betekening beslagexploot? Duur domiciliekeuze; uitleg begrip woonplaats art. 1:10 BW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2013/319
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

Zaaknummer : 200.118.242/01

Rolnummer Rechtbank : 427140/KG ZA 12-987

arrest van 27 augustus 2013

inzake



[appellant],

wonende in Thailand,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. E.J. Krijgsman te 's-Gravenhage,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [plaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: Van Gennip,

advocaat: mr. N.P.J.M. Kreté-Marres te 's-Gravenhage.

Verloop van het geding

Bij exploot van 7 november 2012 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank 's-Gravenhage van 11 oktober 2012. Bij memorie van grieven, met producties, heeft [appellant] veertien grieven tegen het vonnis waarvan beroep aangevoerd, die door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord, met producties, zijn bestreden.

Vervolgens hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het beroep



Inleiding

1.

De door de voorzieningenrechter in rov. 1.1 tot en met 1.6 van het bestreden vonnis vastgestelde feiten zijn niet weersproken, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.

2.

Kort gezegd gaat het om het volgende. [appellant] is door de overleden echtgenoot van [geïntimeerde] benoemd tot executeur-testamentair van diens nalatenschap. [appellant] heeft die benoeming aanvaard en met het oog op de vervulling van zijn taken domicilie gekozen aan de [adres] te ’s-Gravenhage. Tussen partijen is een geschil ontstaan over de afwikkeling van de nalatenschap. Stellend dat [appellant] zijn taken in deze niet naar behoren vervult, heeft [geïntimeerde] in kort geding het ontslag van [appellant] als executeur-testamentair gevorderd. Bij vonnis van 15 juni 2012 heeft de voorzieningenrechter in de rechtbank 's-Gravenhage die vordering toegewezen. Op 9 augustus 2012 heeft [geïntimeerde], ter verzekering van haar vordering tot schadevergoeding wegens de wijze waarop [appellant] zijn taak als executeur-testamentair heeft vervuld, conservatoire beslagen doen leggen op een tweetal bankrekeningen van [appellant], alsmede op zijn appartementsrecht op het adres [adres] te ’s-Gravenhage. De beslagexploten zijn op 10 augustus 2012 op voormeld adres aan [appellant] betekend.

3.

In dit kort geding heeft [appellant] in eerste aanleg de opheffing van voormelde beslagen gevorderd, primair op de grond dat de beslagexploten niet op de juiste wijze aan hem zijn betekend en subsidiair omdat [geïntimeerde] haar bevoegdheid heeft misbruikt. [appellant] stelt in dat verband dat hij in 2008 aangifte heeft gedaan van zijn verhuizing naar Thailand en dat zijn domiciliekeuze aan voormeld adres in Den Haag is geëindigd met zijn ontslag als executeur-testamentair. Daarnaast legt hij aan zijn vordering ten grondslag dat de beslagen rauwelijks zijn gelegd.

4.

[geïntimeerde] heeft de vordering bestreden en in reconventie, op de voet van art. 843a Rv., de afgifte van een aantal stukken betreffende de nalatenschap gevorderd.

5.

De voorzieningenrechter heeft de vordering van [appellant] afgewezen. Daartoe heeft hij overwogen dat, hoewel [appellant] zich heeft laten uitschrijven naar Thailand en aldaar een deel van het jaar verblijft, hij de woning aan de [adres] nog steeds gebruikt, dat hij nooit aan [geïntimeerde] heeft meegedeeld dat hij definitief naar Thailand was vertrokken, dat [appellant] het betreffende adres gebruikt op zijn briefpapier en nog in 2012 heeft genoemd in zijn verzoek tot faillietverklaring van [geïntimeerde], voorts dat de beslagen zijn gelegd ter verzekering van vorderingen die alle betrekking hebben op het handelen van [appellant] als executeur-testamentair, in welk kader [appellant] domicilie heeft gekozen aan het adres in Den Haag, en tot slot dat [appellant] daadwerkelijk kennis heeft genomen van de beslagexploten, zodat hij ook niet in zijn verdediging is geschaad. De voorzieningenrechter heeft daarnaast aannemelijk geoordeeld dat [geïntimeerde] heeft getracht met [appellant] in onderling overleg tot een oplossing te komen, zodat van het rauwelijks leggen van beslag geen sprake is geweest.

6.

De vordering van [geïntimeerde] heeft de voorzieningenrechter toegewezen, daartoe overwegend dat zij als vereffenaar van de nalatenschap belang heeft bij afgifte van de gevraagde stukken, dat deze zien op een rechtsbetrekking waarin zij partij is en dat van gewichtige redenen om afgifte te weigeren aan de zijde van [appellant] voorshands niet is gebleken. Aan het gebod tot afgifte heeft de voorzieningenrechter een dwangsom gekoppeld.

Opheffing beslagen wegens onjuiste betekening?

7.

De eerste tien grieven van [appellant] hebben betrekking op de afwijzing van zijn vordering (de conventie). In de eerste vijf daarvan betoogt [appellant], samengevat, dat de exploten niet aan het adres [adres] betekend hadden mogen worden, omdat i) dat niet zijn woonadres is in de zin van art. 1:10 BW, nu hij immers in 2008 aangifte heeft gedaan van zijn verhuizing naar Thailand en daar ook woont, ii) [geïntimeerde] dit wist en ook dat hij tot september 2012 niet in Nederland zou zijn, iii) hij eind 2010 zijn eenmanszaak heeft beëindigd en het feit dat hij nog steeds briefpapier met het Haagse adres gebruikt daaraan niet afdoet, iv) de vermelding van Den Haag als woonplaats in het faillissementsrekest op een vergissing berust en v) zijn domiciliekeuze als executeur-testamentair per 15 juni 2012 is geëindigd. [appellant] betoogt dat, nu de betekeningseisen op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven, er wel degelijk reden was tot opheffing van de beslagen. Daarnaast stelt hij dat hij is benadeeld door de betekening op het Haagse adres, omdat hij pas een paar dagen na beslaglegging daarvan op de hoogte is geraakt doordat zijn rekeningen geblokkeerd bleken, alsook omdat de beslagen rauwelijks zijn gelegd, zodat hij geen gelegenheid heeft gehad met [geïntimeerde] in overleg te treden. Om die reden hadden de beslagen moeten worden opgeheven, zo betoogt [appellant] in zijn zesde grief.

8.

[geïntimeerde] betoogt primair dat [appellant] niet-ontvankelijk is in zijn hoger beroep, althans dat dit moet worden afgewezen, reeds omdat de beslagen zijn opgeheven en [appellant] thans de teruggave van de in plaats daarvan afgegeven bankgarantie vordert, welke vordering niet voor het eerst in appel kan worden ingesteld. Bovendien zijn partijen overeengekomen dat de bankgarantie geldt totdat in de bodemzaak uitspraak is gedaan, zo stelt [geïntimeerde]. Subsidiair stelt [geïntimeerde], kort samengevat, i) dat de beslagen zijn gelegd voor vorderingen voortvloeiend uit het executeur-testamentairschap van [appellant], dat op hem als gewezen executeur-testamentair nog bepaalde verplichtingen rusten en dat de domiciliekeuze ook daarvoor geldt, ii) dat de uitschrijving uit het bevolkingsregister niet meer dan een vermoeden van verplaatsing van de woonstede meebrengt en dat zij dit vermoeden heeft weerlegd: uit diverse omstandigheden blijkt dat [appellant] zijn woonstede nog immer (mede) heeft aan de [adres] te Den Haag, iii) dat [appellant] ook na 2010 werkzaamheden is blijven verrichten vanuit zijn eenmanszaak aan dit adres, waaronder het executeur-testamentairschap, zodat ook art. 1:14 BW toepasselijk is en iv) dat [appellant] op 10 augustus 2012 kennis heeft genomen van de beslagen.

9.

Het hof overweegt als volgt. Inderdaad vordert [appellant] in hoger beroep niet langer de opheffing van de beslagen, maar afgifte van de in plaats van die beslagen gestelde bankgarantie. Dit betreft een eiswijziging, overigens zonder deugdelijke aankondiging of toelichting. Het beroep op niet-ontvankelijkheid van [appellant] op deze grond kan worden aangemerkt als een bezwaar tegen die eiswijziging. In het midden kan blijven of dat bezwaar gegrond moet worden geoordeeld, alsook of de gewijzigde eis zou moeten worden afgewezen vanwege de tussen partijen gemaakte afspraken. Aangezien [appellant] aan zijn vordering tot opheffing van de beslagen niets meer of anders ten grondslag legt dan hij in zijn grieven tegen de afwijzing van zijn vordering tot opheffing van de beslagen aanvoert, moet de gewijzigde vordering immers (reeds) worden afgewezen indien de grieven van [appellant] falen. Uit het hierna volgende zal blijken dat dit het geval is.

10.

Bij de beoordeling van de grieven zal het hof geen acht slaan op de bij memorie van antwoord overgelegde producties, waarop [appellant] niet meer heeft kunnen reageren.

11.

Voor de beslagen onder derden geldt ingevolge art. 720 jo. 475i Rv. dat het beslagexploot binnen acht dagen na het leggen van het beslag aan de geëxecuteerde moet worden betekend, bij gebreke waarvan de voorzieningenrechter het beslag kan opheffen. Voor het beslag op het appartementsrecht geldt dat het proces-verbaal van beslaglegging ingevolge art. 726 jo. 505 Rv. op straffe van nietigheid van het beslag niet later dan drie dagen na de inschrijving ervan in de daartoe bestemde registers aan de geëxecuteerde moet worden betekend. Voor exploten gelden voorts de artt. 45-66 Rv. (voor zover daarvan niet in bijzondere regels wordt afgeweken).
Art. 46 Rv. bepaalt dat een exploot in beginsel aan de geëxploiteerde in persoon dient te worden betekend, dan wel aan zijn “woonplaats”. Daarmee is bedoeld de woonplaats genoemd in de artt. 1:10 e.v. BW. De woonplaats volgens art. 1:10 BW is de woonstede, dan wel het werkelijk verblijf van een natuurlijk persoon. Onder woonstede wordt verstaan: de plaats waar iemand daadwerkelijk woont, zijn zaken behartigt en zijn goederen en eigendommen beheert. Niet uitgesloten is dat iemand meer dan één woonstede in deze zin heeft. Art.1: 11 BW bepaalt vervolgens dat een natuurlijk persoon zijn woonstede verliest door daden waaruit zijn wil blijkt om haar prijs te geven (lid 1) en dat een natuurlijk persoon wordt vermoed zijn woonstede te hebben verplaatst, wanneer hij daarvan op de wettelijk voorgeschreven wijze kennis heeft gegeven aan de betrokken colleges van burgemeester en wethouders, welk vermoeden weerlegbaar is (lid 2). Van belang is voorts art. 1:14 BW, waarin is bepaald dat een persoon die een kantoor of filiaal houdt, ten aanzien van aangelegenheden die dit kantoor of dat filiaal betreffen mede aldaar woonplaats heeft. Tot slot is van belang art. 1:15 BW, dat bepaalt dat een persoon, onder meer met het oog op bepaalde rechtshandelingen of rechtsbetrekkingen, woonplaats kan kiezen (gekozen domicilie).

12.

[appellant] heeft geen grief gericht tegen de vaststelling van de voorzieningenrechter dat de vorderingen van [geïntimeerde] waarvoor zij beslag heeft doen leggen alle betrekking hebben op - en voortvloeien uit het (gewezen) executeurschap van [appellant] (rov. 3.1). Nu ook een gewezen executeur-testamentair nog bepaalde verplichtingen uit hoofde van die rechtsbetrekking heeft (waaronder het afleggen van rekening en verantwoording, zie art. 4:151 BW) en de vorderingen waarvoor beslag is gelegd daarop betrekking hebben, heeft het gekozen domicilie naar ’s hofs oordeel in zoverre gelding behouden en konden de beslagexploten aan dat adres worden betekend. Bovendien heeft [geïntimeerde] naar ’s hofs voorlopig oordeel het vermoeden van art. 1:11 lid 2 BW voldoende weerlegd, zodat de betekening aan het adres in Den Haag ook op grond van art. 1:10 BW rechtsgeldig was. Immers, uit de in eerste aanleg door haar gestelde, en in zoverre niet weersproken, omstandigheden en overgelegde stukken blijkt dat [appellant] zijn woning aan de [adres] ook na zijn uitschrijving in 2008 als woonstede in voormelde zin is blijven gebruiken, nu hij daar regelmatig heeft verbleven, aldaar in 2011 domicilie heeft gekozen met het oog op zijn benoeming als executeur-testamentair, dat adres is blijven gebruiken op van hem afkomstige stukken (ook nog in 2012) en hij in Nederland bankrekeningen aanhoudt met als correpondentie-adres het adres aan de [adres]. Bovendien heeft [appellant], zo heeft [geïntimeerde] onweersproken gesteld, in de jaren na 2008, in elk geval tot en met de periode waarom het hier gaat (augustus 2012), steeds op alle stukken die hij op dat adres ontving, waaronder ook dagvaardingen, adequaat gereageerd. Aldus heeft hij – afgezien van de uitschrijving – geen blijk gegeven van daden waaruit zijn wil om het adres aan de [adres] als woonstede prijs te geven kan worden afgeleid.

13.

Ten overvloede overweegt het hof dat uit art. 66 Rv. volgt dat niet naleving van op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen slechts nietigheid meebrengt voor zover aannemelijk is dat dit in verband met de bescherming van de belangen waarop de geschonden norm betrekking heeft is aangewezen. Het voor conservatoire beslagen geldende art. 705 Rv. behelst geen afwijkende regeling op dit punt. Hoewel [appellant] er in hoger beroep op wijst dat in diverse stukken is vermeld dat hij tot september 2012 in Thailand zou zijn, volgt uit een telefoonnotitie van 10 augustus 2012 (prod. 4 bij CvA/CvE) dat [appellant] al op die dag (de dag van betekening van de beslagen aan het adres in Den Haag) van de beslagen op de hoogte was. [appellant] heeft dat onvoldoende weersproken. Onder die omstandigheden is voor opheffing van de beslagen wegens het feit dat aan het adres in Den Haag is betekend geen plaats. De grieven I tot en met VI falen dus.

Opheffing beslagen wegens misbruik van recht?

14.

In de grieven VII tot en met IX beklaagt [appellant] zich over het oordeel van de voorzieningenrechter dat ook geen sprake is van misbruik van recht. Voor zover [appellant] daarbij een beroep doet op het feit dat de beslagexploten zijn betekend aan het adres [adres] in Den Haag falen de grieven om de hiervoor vermelde redenen. [appellant] legt voorts aan zijn beroep op misbruik van recht ten grondslag dat [geïntimeerde] de beslagen “rauwelijks” heeft gelegd en nooit bereid is geweest tot overleg. [geïntimeerde] weerspreekt dat. Hoe dit ook zij, gelet op zijn ontslag als executeur-testamentair en de daaraan door [geïntimeerde] ten grondslag gelegde argumenten, moest [appellant] rekening houden met de mogelijkheid dat [geïntimeerde] vorderingen jegens hem zou instellen en dat zij daarbij gebruik zou maken van haar bevoegdheid conservatoire maatregelen te treffen. De aard en strekking van dergelijke maatregelen brengen mee dat voorafgaande mededeling aan de debiteur doorgaans achterwege blijft, hetgeen gelet op het beoogde effect te billijken is. Een grond voor opheffing van de beslagen leverde dat in elk geval niet op. Ook deze grieven falen dus, evenals grief X, die is gericht tegen de afwijzing van de vordering in conventie en de veroordeling van [appellant] in de proceskosten.

Reconventie; afgifte van stukken

15.

In zijn grieven XI tot en met XIV keert [appellant] zich tegen de toewijzing van de vordering van [geïntimeerde] tot afgifte van een aantal stukken. [appellant] bestrijdt dat [geïntimeerde] voldoende belang had bij de betreffende stukken. Volgens hem was een groot deel van de verzochte stukken al bij haar in bezit en betrof het overigens voornamelijk stukken die niet van belang waren voor het opstellen van de boedelbeschrijving. Daarnaast klaagt [appellant] erover dat [geïntimeerde] niet eerst buiten rechte om afgifte van de door haar gewenste, aanvullende stukken heeft verzocht. Voorts acht hij het onredelijk dat hij [geïntimeerde] kopieën moet verschaffen van correspondentie die van haar zelf afkomstig is en stukken dient op te vragen bij de dochter van erflater. Tot slot klaagt [appellant] over de opgelegde dwangsom.

16.

[geïntimeerde] wijst erop dat [appellant] na zijn ontslag als executeur-testamentair spontaan tot afgifte van alle voor de vereffening van de nalatenschap van belang zijnde stukken had moeten overgaan, dat hij voorafgaand aan het instellen van de vordering slechts een deel van de stukken had afgegeven en dat hij pas na zijn veroordeling daartoe in het vonnis waarvan beroep, zij het nog met veel moeite en mogelijk nog steeds niet volledig, de ontbrekende stukken aan [geïntimeerde] heeft doen toekomen.

17.

Voldoende voor toewijzing van een vordering ex art. 843a Rv. is dat de gevraagde stukken betrekking hebben op een rechtsbetrekking waarbij de verzoekende partij is en dat deze bij inzage, afschrift of afgifte een rechtmatig belang heeft. [appellant] bestrijdt niet dat de door [geïntimeerde] gevorderde stukken van belang (kunnen) zijn voor de vereffening van de nalatenschap waartoe [geïntimeerde] geroepen is. [appellant] heeft voorts niet voldoende aannemelijk gemaakt dat [geïntimeerde] het grootste deel van de stukken al had. Het door [appellant] zelf overgelegde overzicht van stukken die hij na het vonnis waarvan beroep aan [geïntimeerde] heeft afgegeven (prod. 9 bij memorie van grieven) doet anders vermoeden. Tot slot staat noch het (gestelde) ontbreken van een voorafgaand verzoek buiten rechte, noch de eventuele mogelijkheid om bepaalde stukken langs andere weg te verkrijgen, aan toewijzing van de vordering in de weg; gewichtige redenen als bedoeld in het vierde lid van art. 843a Rv. leveren die (mogelijke) omstandigheden niet op.

18.

Ook de grief tegen de opgelegde dwangsom faalt. De omstandigheid dat partijen onenigheid hadden over de wijze waarop [appellant] zijn taken als executeur-testamentair heeft vervuld en dat [appellant] niet uit eigen beweging alle van belang zijnde stukken aan [geïntimeerde] had afgegeven leverde voldoende grond op om als prikkel tot nakoming een dwangsom aan het gebod tot afgifte te verbinden. De klacht tegen de hoogte van de opgelegde dwangsom en het daaraan verbonden maximum is niet nader toegelicht, zodat het hof daaraan voorbij gaat. Overigens komen de dwangsom en het daaraan verbonden maximum het hof niet onredelijk voor.

19.

Uit hetgeen in rov. 9 is overwogen volgt dat ook de gewijzigde eis moet worden afgewezen. Bij een bespreking van het door [geïntimeerde] daartegen aangevoerde bezwaar heeft zij derhalve geen belang.

Slotsom

20.

Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd, het in hoger beroep meer of anders gevorderde zal worden afgewezen en [appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep en wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 291,- aan verschotten en € 894,- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. T.H. Tanja-van den Broek, E.J. van Sandick en
A.E.A.M. van Waesberghe en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 augustus 2013 in aanwezigheid van de griffier.