Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:3265

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
03-09-2013
Datum publicatie
22-10-2013
Zaaknummer
200.091.488-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Huurovereenkomst multifunctionele kraan; derogerende werking redelijkheid en billijkheid; gebrekenregeling; huurprijsvermindering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Zaaknummer : 200.091.488/01

Rolnummer rechtbank : 1111049 CV EXPL 10-24987

Arrest van 3 september 2013

inzake

de vennootschap naar Belgisch recht

Lameire Funderingstechnieken N.V.,

gevestigd in Eeklo (België),

appellante,

hierna te noemen: Lameire,

advocaat: mr. W.R.M. Voorvaart te Breda,

tegen

de vennootschap naar Antilliaans recht

PVE Cranes & Services N.V.,

gevestigd te Curaçao,

geïntimeerde,

hierna te noemen: PVE,

advocaat: mr. E.H.C. Verstraaten te Rotterdam.

Het geding

Bij exploot van 21 juli 2011 is Lameire in hoger beroep gekomen van het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam van 13 mei 2011. Bij memorie van grieven heeft Lameire acht grieven opgeworpen tegen het vonnis waarvan hoger beroep. Bij memorie van antwoord heeft PVE de grieven bestreden. Vervolgens heeft Lameire de stukken overgelegd en hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.

Partijen zijn niet opgekomen tegen de feiten die de rechtbank onder 2. van het bestreden vonnis als vaststaand heeft aangemerkt. Wel klaagt Lameire er met grief I over dat de rechtbank heeft verzuimd volgens Lameire relevante en niet door PVE betwiste feiten te vermelden. Deze grief faalt, nu het aan de rechter is de naar zijn oordeel relevante en tussen partijen vaststaande feiten vast te stellen. Lameire heeft bovendien nagelaten voldoende specifiek aan te geven welke voor de beoordeling relevante en tussen partijen vaststaande feiten in het feitenoverzicht ontbreken.

2.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1

Partijen zijn op 9 oktober 2009 overeengekomen dat PVE aan Lameire een multifunctionele kraan van het merk Liebherr type LRB255 (serienummer 181411) met toebehoren (hierna: de kraan) zal verhuren.

2.2

Partijen zijn een huurtermijn van vier weken overeengekomen, van 19 oktober 2009 tot 16 november 2009, welke na afloop van deze termijn verlengd is. De huurprijs bedraagt € 7.800,00 per week exclusief btw. In de huurovereenkomst zijn onder meer de volgende bepalingen opgenomen:

“2.6 The rates are fixed and no reduction is allowed for the equipment having worked less, also during breakdown and maintenance.”

“4.1 The Lessee has been granted the opportunity to investigate the condition of the Crane. The Lessee accepts the current condition of the Crane and accepts any defect: (i) which appeared during its investigation; (ii) which has been disclosed by the Lessor prior to the signing of this Agreement; or (iii) which arises (in Dutch: ontstaat) during the Lease Term (a “Defect”). Any defect of the Crane shall be deemed a Defect unless the Lessee proves otherwise. A Defect shall not constitute a default (in Dutch: gebrek) within the meaning of Article 7:204 up to and including Article 7:209 of the Netherlands Civil Code.

Unless the repair is impossible or requires unreasonable efforts and costs of the Lessor, any defect of the Crane which does not constitute a Defect within the meaning of clause 4.1 shall, at the request of Lessee, be repaired at the costs of the Lessor. Unless the repair is impossible or requires unreasonable efforts and costs of the Lessee, any Defect shall be repaired at the costs of the Lessee.”

4.2

The Lessee shall bear all costs in connection with the maintenance of the Crane during the Lease Term.”

2.3

De kraan is op 19 oktober 2009 vervoerd van de opslagplaats in Sliedrecht en is op 20 oktober 2009 aangekomen op de bouwplaats. Lameire heeft de kraan gebruikt als funderingsmachine voor de bouw van een parkeergarage bij het treinstation te Nijvel (Nivelles) in België.

2.4

De werkzaamheden zijn gestart op 26 oktober 2009. In verband met onder meer het Rooms-katholieke feest Allerheiligen, dat in België als officiële feestdag is aangemerkt, hebben de werkzaamheden op 2 en 3 november 2009 stilgelegen. In de periode van 8 december 2009 tot en met 4 januari 2010 zijn geen werkzaamheden verricht in verband met het kerstverlof. Vanaf 5 januari 2010 tot en met 17 januari 2010 hebben geen werkzaamheden plaatsgevonden als gevolg van vorst en van het feit dat er op 15  en 16 januari 2010 in de nabijheid van de bouwplaats een antenne verplaatst werd.

2.5

Het werk heeft op diverse dagen stilgelegen als gevolg van verschillende technische problemen. De werkzaamheden aan de kraan betroffen het schoonmaken van een verstopte radiator, het repareren van de centrale smering, het vervangen van de elleboog van de boormotor, het repareren van een olielek als gevolg van een defect aan een hydraulische pomp en het schoonmaken van een hydraulische tank.

2.6

Op 30 november 2009 heeft Lameire op aanraden van de heer Rhomberg van Liebherr (de fabrikant van de kraan) een extra contragewicht laten plaatsen. Dit type kraan zou bij het in de grond boren van 20,5 meter anders kunnen kantelen.

2.7

Bij brief van 3 februari 2010 heeft PVE de overeenkomst op grond van artikel 6 van de huurovereenkomst opgezegd. De kraan is op 4 februari 2010 terug naar Sliedrecht vervoerd.

3.1

PVE vordert in deze procedure in conventie Lameire te veroordelen tot betaling aan haar van in totaal € 43.150,00 aan achterstallige betalingen ten aanzien van de huurovereenkomst, te vermeerderen met de contractuele rente, zijnde de (Europese) wettelijke handelsrente daarover vanaf 3 februari 2010 tot aan de dag der algehele voldoening. Naast dit bedrag maakt PVE aanspraak op buitengerechtelijke kosten ad € 1.788,00 en proceskosten.

3.2

PVE heeft ter onderbouwing van haar vordering gesteld dat Lameire drie facturen voor de huur van de kraan onbetaald heeft gelaten van in totaal € 62.400,00. Hierop kunnen een betaling van Lameire (€ 10.000,00 op 3 februari 2010) en een coulancehalve door PVE verleende korting van € 9.290,00 voor de niet gewerkte dagen tussen kerst en de jaarwisseling in mindering strekken, waardoor € 43.150,00 resteert.

3.3

In reconventie vordert Lameire:

Primair

  • -

    PVE op grond van artikel 7:207 lid 1 BW te veroordelen tot betaling tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Lameire van in totaal € 14.000,00 te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf 15 juni 2010;

  • -

    PVE op grond van artikel 7:204 lid 2 jo. 7:208 BW te veroordelen tot betaling tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Lameire van in totaal € 73.813,63, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf 15 juni 2010;

Subsidiair

  • -

    PVE op grond van artikel 4.1 van de huurovereenkomst te veroordelen tot betaling tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Lameire van in totaal € 41.535,80, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf 15 juni 2010;

  • -

    PVE op grond van de artikelen 7:204 lid 2 jo. 7:208 BW, althans de artikelen 6:74 lid 1 jo. 6:95 en 6:96 BW, te veroordelen tot betaling tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Lameire van in totaal € 32.277,83, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf 15 juni 2010;

Meer subsidiair

- PVE op grond van de artikelen 7:216 lid 3 jo 6:212 lid 1 BW te veroordelen tot betaling tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan Lameire van in totaal € 18.055,80, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente vanaf 15 juni 2010;

Primair

- voor recht te verklaren dat PVE aan Lameire een funderingsmachine heeft geleverd die gebreken in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW vertoonde en dat PVE op grond van artikel 7:208 BW aansprakelijk is voor de schade die door Lameire is geleden;

Subsidiair

- voor recht te verklaren dat PVE op grond van de artikelen 7:204 lid 2 jo. 7:208 BW, althans de artikelen 6:74 jo. 6:95 en 6:96 BW aansprakelijk is voor de schade die Lameire heeft geleden omdat PVE een funderingsmachine aan haar heeft verhuurd die niet geschikt was voor de werkzaamheden;

met veroordeling van PVE in de proceskosten.

3.3

De kantonrechter heeft de vorderingen in conventie toegewezen, met dien verstande dat de gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn toegewezen tot een bedrag van € 1.500,00. De kantonrechter heeft de vorderingen in reconventie afgewezen.

4.

Het hof is op grond van artikel 3 juncto artikel 23 EEX-verordening bevoegd van dit geschil kennis te nemen, nu partijen schriftelijk de Nederlandse rechter (in Rotterdam) als bevoegde rechter hebben aangewezen. Voorts hebben partijen uitdrukkelijk gekozen voor toepassing van Nederlands recht.

5.1

Grief II is gericht tegen de verwerping door de kantonrechter van de stelling van Lameire dat PVE geen beroep toekomt op de artikelen 2.6 en 4.1 van de huurovereenkomst, nu toepassing daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In hoger beroep heeft Lameire haar stelling op dit punt uitgebreid, in die zin, dat zij ook een beroep op artikel 4.2 van de huurovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar acht.

5.2

Lameire is – terecht – niet opgekomen tegen het door de kantonrechter in rechtsoverweging 7.11 van het bestreden vonnis tot uitgangspunt genomen beginsel dat de rechtsverhouding tussen partijen bij een overeenkomst in de eerste plaats wordt bepaald door hetgeen zij zijn overeengekomen. Slechts indien onverkorte toepassing van hetgeen is overeengekomen naar maatstaven van redelijkheid onaanvaardbaar zou zijn, kan er aanleiding bestaan om (een deel van) de overeenkomst buiten toepassing te verklaren. Naar vaste jurisprudentie dient deze onaanvaardbaarheidstoets met terughoudendheid te worden toegepast, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval.

5.3

Ter onderbouwing van haar beroep op artikel 6:248 lid 2 BW voert Lameire, kort samengevat, aan dat veel van de bepalingen, waaronder de artikelen 2.6, 4,1 en 4.2, in de huurovereenkomst in het voordeel van PVE zijn opgesteld. PVE heeft de huurovereenkomst op deze wijze kunnen opstellen, omdat zij als één van de weinigen in de wereld een dergelijke kraan verhuurt, en als enige in Europa. Lameire baseert deze stelling op mededelingen van een medewerker van Liebher. Lameire was daarom genoodzaakt om met PVE in zee te gaan. Verder heeft PVE zich als verhuurder laks opgesteld op het moment dat de kraan als gevolg van diverse mankementen stilstond.

5.4

Naar het oordeel van het hof kan hetgeen Lameire heeft gesteld niet tot de conclusie leiden dat een beroep op artikelen 2.6, 4.1 en 4.2 van de huurovereenkomst door PVE naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht. Daartoe wordt het volgende overwogen. PVE heeft reeds in eerste aanleg gemotiveerd betwist dat Lameire voor de betreffende funderingswerkzaamheden aangewezen was op PVE voor de huur van een kraan als die van het merk Liebherr type LRB255. Volgens PVE verhuurt Liebherr deze kraan zelf ook. Het boorproces kan bovendien ook worden uitgevoerd met diverse andere merken kranen, zoals onder andere Woltman, Soilmec, Bauer, Casagrande, Malt en Delmag. Tegenover deze gemotiveerde betwisting heeft Lameire haar stelling op dit punt niet nader onderbouwd. Gesteld noch gebleken is dat Lameire, buiten haar contact met Liebher, onderzoek heeft gedaan naar mogelijke alternatieven voor de huur van de onderhavige funderingskraan. Het hof gaat er dan ook van uit dat Lameire niet in de situatie verkeerde dat er voor haar geen alternatief voorhanden was, waardoor haar onderhandelingspositie nadelig zou kunnen zijn beïnvloed. Dat dit niet het geval was, blijkt overigens ook uit het feit dat Lameire wel heeft onderhandeld over de hoogte van de huurprijs. Niet valt in te zien waarom het voor Lameire niet mogelijk was om ook over de andere voorwaarden te onderhandelen. Deze stelling valt bovendien niet te rijmen met de door Lameire eveneens ingenomen stelling dat PVE stond te springen om de kraan te verhuren, omdat deze reeds een aantal jaren stilstond.

Uit hetgeen Lameire heeft gesteld volgt naar het oordeel van het hof niet dat PVE zich laks heeft opgesteld bij het verhelpen van de door Lameire ondervonden problemen met de kraan, althans in ieder geval niet dermate laks dat om die reden een beroep op de artikelen 2.6, 4.1 en 4.2 van de huurovereenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht.

Het vorenoverwogene wordt niet anders indien veronderstellenderwijs wordt aangenomen dat – zoals Lameire heeft gesteld – de betreffende artikelen moeten worden beschouwd als algemene voorwaarden, zodat volgens Lameire minder terughoudendheid behoeft te worden betracht bij het buiten toepassing verklaren op grond van de redelijkheid en billijkheid dan vereist is in het geval waarin sprake is van kernbedingen. Voor zover dit betoog van Lameire ertoe strekt dat de artikelen 2.6, 4.1 en 4.2 onredelijk bezwarend en daarom vernietigbaar zijn, gaat het eraan voorbij dat de afdeling 6.5.3 van het BW niet van toepassing is op de huurovereenkomst, aangezien niet beide partijen in Nederland gevestigd zijn (artikel 6:247 lid 2 BW).

De conclusie is dat grief II faalt.

5.5

Met grief III komt Lameire op tegen het oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen dat de vordering tot schadevergoeding en huurprijsvermindering wegens gebreken niet voor toewijzing in aanmerking komt. Blijkens de toelichting gaat Lameire ervan uit dat zij die vordering kan baseren op de wettelijke gebrekenregeling, nu zij meent dat de artikelen 2.6, 4.1 en 4.2 van de huurovereenkomst buiten toepassing blijven. Gelet op hetgeen het hof daarover onder 5.4 heeft geoordeeld, behoeft grief III geen nadere behandeling.

5.6

Grief IV is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat het feit dat de kraan niet optimaal werkte voor de door Lameire uit te voeren werkzaamheden, geen gebrek vormt in de zin van artikel 4.1 van de huurovereenkomst of artikel 7:204 BW en evenmin tot de conclusie kan leiden dat PVE is tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst. Lameire stelt dat de funderingskraan in de aan haar ter beschikking gestelde configuratie ongeschikt was voor de door Lameire uit te voeren funderingswerkzaamheden. Eerst nadat de mast was verlengd en een extra contragewicht was aangebracht, kon Lameire met de werkzaamheden aanvangen. Lameire meent dat geen sprake is van een gebrek in de zin van artikel 4.1 van de huurovereenkomst, aangezien volgens haar een redelijke uitleg van dat artikel meebrengt dat met een gebrek altijd wordt gedoeld op de technische staat van de gehuurde funderingskraan. Lameire stelt dat in dit geval sprake is van een gebrek in de zin van artikel 7:204 BW en vordert op grond van artikel 7:208 BW vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden als gevolg van het gebrek. Subsidiair stelt Lameire in haar toelichting op grief IV dat PVE toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst. Zij voert daartoe aan dat zij er in haar e-mail van 31 maart 2008, waarin zij om een prijsaanvraag verzocht voor de huur van de kraan, een aantal technische specificaties van de werkzaamheden heeft genoemd waaruit PVE had kunnen afleiden dat de Liebherr LRB255 zonder modificaties niet geschikt was voor de werkzaamheden die Lameire ermee beoogde te verrichten. Zij stelt daardoor schade te hebben geleden, waarvan zij op grond van artikel 6:74 BW vergoeding vordert.

5.7

Naar het oordeel van het hof kan de omstandigheid dat de kraan op een aantal punten diende te worden aangepast voor de werkzaamheden van Lameire, niet worden beschouwd als een gebrek in de zin van artikel 7:204 BW. Lid 2 van dat artikel definieert een gebrek als een staat of eigenschap van de zaak of een andere niet aan de huurder toe te rekenen omstandigheid, waardoor de zaak aan de huurder niet het genot kan verschaffen dat een huurder bij het aangaan van de huurovereenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de overeenkomst betrekking heeft. Vaststaat dat Lameire bij de prijsaanvraag specifiek heeft gevraagd naar een kraan van het type Liebher LRB255 en niet, in meer algemene zin, naar een kraan voor bepaalde werkzaamheden. De hier aan de orde gestelde problemen (te weten de te korte mast en te weinig contragewicht) zouden zich evenzeer hebben voorgedaan bij een andere goed onderhouden Liebherr LRB255, zodat deze problemen niet als gebrek in de zin van artikel 7:204 lid 2 BW zijn aan te merken. Daar komt naar het oordeel van het hof bij dat het aan Lameire is toe te rekenen dat de gehuurde kraan niet geschikt was voor de werkzaamheden aan de parkeergarage. Lameire presenteert zich als een professionele partij die zich richt op grondwerken en funderingen, zodat PVE er in beginsel op mocht vertrouwen dat, nu Lameire specifiek verzocht om een prijsopgave voor de huur van een Liebherr LRB255, zij zich er ook van had vergewist dat dit type kraan geschikt is voor de uit te voeren werkzaamheden. Indien daar bij Lameire twijfel over bestond, dan lag het op haar weg om daarnaar nader onderzoek te doen. PVE heeft bovendien onweersproken gesteld dat zij in al haar offertes specifiek adviseert om de kraan te inspecteren voorafgaande aan de aflevering om er zeker van te zijn dat deze aan de vereiste specificaties voldoet, welk advies Lameire niet heeft gevolgd. Voor zover Lameire heeft nagelaten de kraan van tevoren te inspecteren omdat zij vertrouwde op de mededelingen van een medewerker van Liebherr, dient het gelet op het voorgaande haar risico te komen als deze mededelingen niet kloppen.

PVE is evenmin tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst. Uit de summiere technische informatie die Lameire in de e-mail van 31 maart 2008 over het project verschafte, had PVE naar het oordeel van het hof niet hoeven afleiden dat Lameire, zelf specialist op het gebied van funderingstechniek, advies vroeg over de geschiktheid van de Liebherr LBR255 voor de uitvoering van het project.

Grief IV faalt derhalve

5.8

Grief V bouwt voort op grieven III en IV en heeft geen zelfstandige betekenis.

5.9

Grief VI strekt ten betoge dat de kantonrechter ten onrechte voorbij is gegaan aan de stelling van Lameire dat van de wettelijke gebrekenregeling niet kan worden afgeweken ten aanzien van gebreken die de verhuurder bij aanvang van de huurovereenkomst kent of behoort te kennen. Lameire stelt dat de funderingskraan kampte met achterstallig onderhoud. Tegenover de gemotiveerde betwisting (reeds in eerste aanleg) van deze stelling door PVE, waarbij deze onder meer een rapport heeft overgelegd van een in juli 2008 uitgevoerde servicebeurt door Liebherr, heeft Lameire haar stellingen onvoldoende onderbouwd. De omstandigheid dat de funderingskraan tijdens de huurperiode onderhoud behoefde wijst op zichzelf niet op gebreken die PVE bij aanvang van de huurovereenkomst kende of behoorde te kennen. Dat PVE geen certificaat van goedkeuring heeft overgelegd is niet relevant, nu PVE onweersproken heeft gesteld dat dit certificaat niet meer bewijst dan dat de kraan voldoet aan de bepalingen van het arbeidsomstandighedenbesluit.

Grief VI kan daarom niet slagen.

5.10

Grief VII, gericht tegen de afwijzing van de vordering uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking door de kantonrechter, faalt reeds omdat voor de door Lameire gemaakte kosten voor nieuwe onderdelen (extra kabel en twee assen) wel degelijk een rechtsgrond bestaat, te weten artikel 4.1 van de huurovereenkomst.

5.11

Ook grief VIII, gericht tegen de veroordeling tot betaling aan PVE van een bedrag van € 1.500,00 aan buitengerechtelijke kosten, slaagt niet. Op grond van artikel 6:96 lid 2, aanhef en onder c BW komen onder meer de redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte voor vergoeding in aanmerking. Tussen partijen is niet in geschil dat tussen partijen niet alleen is gecorrespondeerd over een minnelijke oplossing, maar dat daartoe ook een tweetal bijeenkomsten heeft plaatsgevonden. Het hof is van oordeel dat de daarmee gemoeide kosten niet in de kostenveroordeling op grond van artikel 237 Rv. zijn verdisconteerd. Lameire heeft onvoldoende aangevoerd om hierover anders te oordelen.

6.

Aangezien geen van de grieven slaagt, zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen, aangezien Lameire geen voldoende onderbouwde stellingen heeft aangevoerd die, indien bewezen, tot een ander oordeel zouden kunnen leiden. Als de in het ongelijk gestelde partij zal Lameire worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam van 13 mei 2011;

- veroordeelt Lameire in de kosten van het hoger beroep, tot op heden aan de zijde van PVE begroot op € 1.769,00 aan griffierecht en € 2.632,00 aan salaris advocaat;

- verklaart dit arrest voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.A.F. Tan-de Sonnaville, M.J. van der Ven en E.M. Dousma-Valk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 september 2013 in aanwezigheid van de griffier.