Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:3225

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
24-07-2013
Datum publicatie
22-08-2013
Zaaknummer
200.128.978.01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDHA:2013:CA2639, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Internationale kinderontvoering. Teruggeleiding naar Egypte wordt niet toegestaan wegens beroep op ondragelijke toestand in de zin van artikel 13 lid 1 HKOV.

Wetsverwijzingen
Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, 's-Gravenhage, 25-10-1980 13
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2013/134
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 24 juli 2013

Zaaknummer : 200.128.978/01

Rekestnummer rechtbank : FA RK 13-2932

[de vader],

wonende te[woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. D.J.I. Kroezen te Amsterdam,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A. el Aqde te Amsterdam.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 19 juni 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 7 juni 2013 van de kinderrechter in de rechtbank Den Haag.

De moeder heeft op 4 juli 2013 een verweerschrift ingediend.

De zaak is op 10 juli 2013 mondeling behandeld.

Ter zitting zijn verschenen:

- de vader, bijgestaan door zijn advocaat en de heer S. Gus, tolk in de Arabische taal;

- de moeder, bijgestaan door haar advocaat en de heer A. Ouazizi, tolk in de Arabische taal;

- mevrouw J.J. de Kok en mevrouw M. Koot namens de raad.

De advocaat van de vader heeft ter zitting pleitnotities overgelegd.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is, voor zover van belang, het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarigen:

  • -

    [minderjarige 1] geboren op [geboortedatum in] 1997 te [geboorteplaats] (hierna [minderjarige 1]);

  • -

    [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum in] 2012 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 2]); en

  • -

    [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum in] 2012 te [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 3]),

(hierna gezamenlijk de minderjarigen) afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

  • -

    partijen zijn op 16 september 1996 op de Egyptische ambassade in Nederland met elkaar gehuwd;

  • -

    uit het huwelijk zijn voornoemde thans nog minderjarige kinderen geboren;

  • -

    partijen en de minderjarigen hebben allen de Nederlandse nationaliteit en daarnaast hebben de vader en de minderjarigen de Egyptische nationaliteit en de moeder de Marokkaanse nationaliteit;

  • -

    de vader staat sinds 1997 onafgebroken ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente[woonplaats], vanaf 27 juni 2008 op hetzelfde adres;

  • -

    de vader verwerft inkomen als taxichauffeur in [woonplaats];

  • -

    de moeder staat vanaf 2 december 1999 onafgebroken ingeschreven op een ander adres in [woonplaats];

  • -

    de minderjarigen hadden onmiddellijk voor hun overbrenging naar Nederland, op of omstreeks 15 september 2012, hun gewone verblijfplaats in Egypte;

  • -

    de vader is op grond van het toepasselijke Egyptische recht belast met het gezag over alle drie de minderjarigen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de teruggeleiding van de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar Egypte.

2. De vader verzoekt het hof de bestreden beschikking partieel te vernietigen, voor zover betrekking hebbende op de weigering tot teruggeleiding van de minderjarigen, en opnieuw beschikkende bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad het verzoek tot teruggeleiding van de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3], zoals reeds verzocht in eerste aanleg, zo nodig met aanvulling van gronden, alsnog toe te wijzen.

3. De moeder verweert zich daartegen en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en het verzoek van de man af te wijzen.

4. Het hof stelt voorop dat de vader zijn verzoek in hoger beroep heeft beperkt tot de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3]. Zijn eerste grief is echter gericht op de overweging van de rechtbank dat de verklaring van de minderjarige [minderjarige 1] kan worden gekwalificeerd als verzet in de zin van artikel 13 lid 2 Haags Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen (hierna ook HKOV).

5. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Ingevolge artikel 4 van het HKOV is het Verdrag van toepassing op ieder kind dat onmiddellijk voorafgaande aan de inbreuk op het recht betreffende het gezag of omgangsrecht zijn gewone verblijfplaats had in een Verdragsluitende Staat. Het Verdrag houdt op van toepassing te zijn, zodra het kind de leeftijd van 16 jaar heeft bereikt. Ingevolge artikel 3 lid 1 van de Uitvoeringswet internationale kinderontvoering is deze wet van toepassing op internationale ontvoering van kinderen die de leeftijd van zestien jaren nog niet hebben bereikt. Ingevolge het tweede lid wordt de behandeling van het verzoek om teruggeleiding ambtshalve gestaakt indien het kind ten aanzien waarvan een verzoek om teruggeleiding in behandeling is de leeftijd van zestien jaren bereikt. Hetzelfde geldt voor maatregelen ter uitvoering van een beslissing op een verzoek.

6. De minderjarige [minderjarige 1] is op [geboortedatum in] 2013 zestien jaar oud geworden. Gelet hierop en gelet op voormelde artikelen, houdt het HKOV op van toepassing te zijn op [minderjarige 1]. De eerste grief treft dan ook, wat daarvan ook zij, geen doel.

Ongeoorloofd overbrengen of niet doen terugkeren (artikel 3 HKOV)

7.

Het hof stelt vast dat niet (meer) in geschil is dat de minderjarigen ongeoorloofd naar Nederland zijn overgebracht in de zin van artikel 3 HKOV.

8.

Aangezien er minder dan één jaar is verstreken tussen de overbrenging van de minderjarigen naar Nederland en het tijdstip van indiening van het verzoek bij de rechtbank, dient op grond van artikel 12 HKOV de onmiddellijke terugkeer van de minderjarigen naar Egypte te volgen, tenzij sprake is van één of meer weigeringsgronden als bedoeld in artikel 13 HKOV.

Lichamelijk of geestelijk gevaar (artikel 13 lid 1 sub b HKOV)

9.

De vader stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] in een ondragelijke toestand zullen komen te verkeren bij een terugkeer naar Egypte. Hij voert daartoe aan dat de moeder niet heeft aangetoond dat er sprake zou zijn van een ondragelijke toestand voor hen bij een terugkeer naar Egypte. Zo is de moeder in staat om terug te keren naar Egypte om voor de minderjarigen te zorgen. De vader stelt woonruimte en zelfs een mogelijke inkomstenbron ter beschikking. Juist in Nederland is de moeder, door gebrek aan inkomsten, niet in staat om voor de minderjarigen te zorgen, aldus de vader. Voorts hoeft de moeder geen straf of enig nadeel te ondervinden bij haar terugkeer naar Egypte. Daarnaast zijn partijen nog steeds gehuwd, zowel voor de Egyptische als Nederlandse wet. Indien en voor zover de moeder niet wenst terug te keren naar Egypte dan zal hij de volledige zorg voor de minderjarigen, zo nodig met hulp van zijn familie, op zich nemen. De vader betoogt, althans zo begrijpt het hof het betoog, dat zijn woonplaats in Egypte is gelegen. Hij heeft daar zijn huis en inkomsten opgebouwd. In 2012 was hij dan ook bijna het gehele jaar in Egypte. Hij is in november 2012 naar Nederland gekomen om de moeder te bewegen om terug te keren naar Egypte. Tot slot stelt de vader nog dat ook de minderjarige [minderjarige 1] naar Egypte kan terugkeren, hetgeen hij op basis van artikel 8 EVRM ook van belang acht.

10.

De moeder verweert zich als volgt. Nog afgezien van de politiek onrustige situatie waarin Egypte momenteel verkeert, zullen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] bij terugkeer naar Egypte in een ondragelijke toestand komen te verkeren omdat zij dan worden gescheiden van de primair verzorgende ouder, namelijk de moeder, van hun oudste zus, [minderjarige 1], en - omdat de vader naar haar mening feitelijk in Nederland verblijft - ook van hun vader. De moeder betoogt dat zij, na de echtscheiding in Nederland, niet meer terug zal kunnen keren naar Egypte, aangezien zij, als gescheiden vrouw van niet-Egyptische origine, niet meer in aanmerking zal komen voor een permanent verblijfsrecht in Egypte. Evenmin kan zij in Egypte enig inkomen genereren om in haar levensonderhoud te voorzien. Een en ander zal betekenen dat zij zich niet kan handhaven in Egypte, anders dan dat zij ‘gedwongen’ zal worden om de schijn van een affectieve relatie met de vader op te houden. De moeder zal derhalve in een afhankelijkheidspositie ten opzichte van de vader komen te verkeren. Zij betwist dat de vader in Egypte een inkomstenbron heeft. Hij woont en werkt feitelijk in Nederland. Dit blijkt mede uit het feit dat hij de twee huurwoningen van partijen in Nederland nog steeds aanhoudt. De moeder verwacht derhalve niet dat de vader de dagelijkse verzorging van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op zich zal nemen indien zij zouden terugkeren naar Egypte. Gelet hierop, en op hun zeer jonge leeftijd, is de moeder van mening dat zij bij terugkeer naar Egypte in een ondragelijke toestand zullen komen te verkeren.

11.

De raad heeft ter zitting verklaard de situatie ten aanzien van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zorgelijk te achten. Zij zitten momenteel in een belangrijke hechtingsfase, waarbij het voor hen van belang is dat beide ouders in hun leven aanwezig zijn. De raad betoogt dat in Nederland voor kinderen van gescheiden ouders diverse voorzieningen zijn om het contact met beide ouders te waarborgen. De raad adviseert hiermee rekening te houden bij het beoordelen van de zaak.

12.

Het hof overweegt als volgt. Vooropgesteld wordt dat op grond van artikel 13 lid 1 sub b van het HKOV de rechter van de aangezochte staat niet gehouden is de terugkeer van het kind te gelasten, indien de persoon die zich tegen de terugkeer verzet aantoont dat er een ernstig risico bestaat dat het kind door zijn terugkeer wordt blootgesteld aan een lichamelijk of geestelijk gevaar, dan wel op enigerlei andere wijze in een ondragelijke toestand wordt gebracht. Het doel en de strekking van het verdrag brengen met zich dat de weigeringsgrond restrictief moet worden uitgelegd. Dit betekent dat niet snel mag worden aangenomen dat deze weigeringsgrond aanwezig is.

13.

Het hof is met de rechtbank van oordeel dat [minderjarige 2] en [minderjarige 3], gelet op hun leeftijd, in een ondragelijke toestand in de zin van artikel 13 lid 1 onder b HKOV, zullen komen te verkeren, indien zij terug zullen moeten keren naar Egypte. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat de moeder heeft aangegeven van de vader te willen scheiden en niet naar Egypte te kunnen/willen terugkeren met name niet nu de minderjarige [minderjarige 1] in Nederland wil blijven. Haar positie in Egypte als gescheiden vrouw is voor zover zij al een verblijfsvergunning krijgt daarenboven uiterst moeilijk. Voorts kan de moeder in Egypte niet zelf in haar levensonderhoud voorzien, hetgeen zij naar het oordeel van het hof genoegzaam heeft gemotiveerd. De ondragelijke toestand bestaat naar het oordeel van het hof reeds uit de splitsing van het gezin, die het gevolg zal zijn van terugkeer van de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] naar Egypte, hetgeen mede gezien de ratio van het HKOV – dat ziet op respect voor en instandlating van het gezinsleven – strijdig is met hun belangen.

14.

Daarnaast neemt het hof in aanmerking dat de vader ook in hoger beroep geen duidelijkheid heeft kunnen geven omtrent zijn feitelijke verblijfplaats. Uit de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat partijen tot 2008 in Nederland gevestigd waren en dat zij in 2008 op enig moment naar Egypte zijn vertrokken. Zij hebben echter hun huurwoningen in Nederland aangehouden. Ook zijn zij beiden ingeschreven gebleven in de gemeentelijke basisadministratie van [woonplaats]. Partijen hebben beiden verklaard dat de vader in de afgelopen jaren afwisselend in Nederland en in Egypte verbleef. De vader heeft desgevraagd niet kunnen verklaren waarom hij zijn huurwoning in Nederland nog aanhoudt. Hieruit concludeert het hof, evenals de rechtbank, dat de kans bestaat dat de minderjarigen [minderjarige 2] en [minderjarige 3] zonder hun beide ouders in Egypte zullen verblijven, hetgeen voor hen, naast de splitsing van het gezin, eens te meer een ondragelijke toestand zal opleveren.

15.

Het hof zal de bestreden beschikking derhalve bekrachtigen.



BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Lückers, Labohm en Van Dijk, bijgestaan door
mr. Rasmijn als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 juli 2013.