Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:3192

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
28-06-2013
Datum publicatie
19-08-2013
Zaaknummer
12-00733
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSGR:2012:17950, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Motorrijtuigenbelasting. Aan belanghebbende is een rekening voor het betalen van motorrijtuigenbelasting gezonden. Belanghebbende heeft de rekening niet betaald. De naar aanleiding daarvan opgelegde naheffingsaanslag en verzuimboete zijn terecht opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1874
FutD 2013-2137
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

nummer BK-12/00733

meervoudige kamer

Uitspraak van 28 juni 2013

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst Centrale administratie (kantoor [P]), de Inspecteur,

op het hoger beroep van belanghebbende tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 augustus 2012, nummer AWB 12/1091, betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag en beschikking.

Naheffingsaanslag, boetebeschikking, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende zijn over het tijdvak van 7 juni 2011 tot en met 6 september 2011 een naheffingsaanslag in de motorrijtuigenbelasting van € 198 en bij beschikking een boete van € 49 opgelegd.

1.2. Bij uitspraken op bezwaar heeft de Inspecteur de naheffingsaanslag en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.3. Tegen de uitspraken van de Inspecteur heeft belanghebbende beroep bij de rechtbank ingesteld. Een griffierecht van € 42 is geheven.

1.4. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. Een griffierecht van € 115 is geheven.

2.2. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 21 juni 2013, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen.

Vaststaande feiten

In hoger beroep is op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende is houder van de personenauto met kenteken [XX-XX-XX].

3.2. Aan belanghebbende is een rekening voor het betalen van motorrijtuigenbelasting gezonden, met de gegevens: kenteken: [XX-XX-XX]; motorrijtuig: personenauto; tijdvak: 7 juni 2011 tot en met 6 september 2011; belasting: € 198; uiterste betaaldatum: 8 juli 2011; en dagtekening: 6 juni 2011.

3.3. Belanghebbende heeft de rekening niet betaald. Naar aanleiding daarvan is de naheffingsaanslag met ook een verzuimboete opgelegd.

Oordeel van de rechtbank

4.

De rechtbank heeft overwogen:

"(…)

5.

Ingevolge artikel 1 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: de Wet MRB) wordt een belasting geheven voor het houden van een personenauto. Ingevolge artikel 6 van de Wet MRB wordt de belasting voor een personenauto geheven van degene die bij de aanvang van een tijdvak het motorrijtuig houdt. Artikel 7 van de Wet MRB bepaalt dat een motorrijtuig wordt gehouden door degene op wiens naam het voor het motorrijtuig opgegeven kenteken is gesteld in het kentekenregister van de Rijksdienst voor het wegverkeer. Het tijdvak waarover de belasting moet worden voldaan bedraagt ingevolge artikel 10 van de Wet MRB drie maanden. Artikel 14 bepaalt dat de belasting op aangifte moet worden voldaan. In artikel 17, eerste lid, van de Wet MRB wordt de aanvraag om afgifte van een kentekenbewijs aangemerkt als het doen van aangifte. Deze aangifte geldt, zolang het motorrijtuig niet van houder wisselt, voor alle tijdvakken waarin het motorrijtuig wordt gehouden. In afwijking van artikel 19 van de Awr moet de belasting ingevolge artikel 15, eerste lid, van de Wet MRB zijn betaald bij de aanvang van bet tijdvak.

6. [

De Inspecteur] heeft [belanghebbende] aan zijn verplichting tot betaling van de motorrijtuigenbelasting over het heffingstijdvak herinnerd door hem de rekening toe te zenden. Vaststaat dat de over het heffingstijdvak verschuldigde motorrijtuigenbelasting niet is betaald vóór of op de in de rekening genoemde uiterste betaaldatum (8 juli 2011).

7.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft [de Inspecteur] de niet tijdig, dat wil zeggen: niet voor of op de uiterste betaaldatum, betaalde belasting terecht nageheven. [Belanghebbendes] stelling dat de motorrijtuigenbelasting pas na afloop van het heffingstijdvak verschuldigd is zodat de onderhavige naheffingsaanslag niet opgelegd kon worden, vindt geen steun in het recht. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat in artikel 15, eerste lid, van de Wet MRB is bepaald dat de motorrijtuigenbelasting bij aanvang van het tijdvak betaald dient te worden.

8.

Ook [belanghebbendes] beroepsgrond, inhoudende dat de heffing van motorrijtuigenbelasting een door artikel 1 van het Eerste Protocol bij bet EVRM (hierna: het Eerste Protocol) verboden inbreuk op het eigendomsrecht is, omdat de motorrijtuigenbelasting cumuleert met andere belastingen die terzake van het bezit en/of gebruik van een auto worden geheven, faalt naar het oordeel van de rechtbank. Hierbij overweegt de rechtbank het volgende.

9.

In artikel 1 van het Eerste Protocol is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald: 'Iedere natuurlijke of rechtspersoon heeft recht op het ongestoord genot van zijn eigendom. Aan niemand zal zijn eigendom worden ontnomen behalve in het algemeen belang en onder voorwaarden voorzien in de wet en in de algemene beginselen van internationaal recht. De voorgaande bepalingen tasten echter op geen enkele wijze het recht aan, dat een Staat heeft om die wetten toe te passen, die hij noodzakelijk oordeelt om (…) de betaling van belastingen (…) te verzekeren.'

10.

Naar het oordeel van de rechtbank is bij het opleggen van een naheffingsaanslag het in artikel 1 van het Eerste Protocol gewaarborgde eigendomsrecht van degene, die tot betaling van de aanslag verplicht is of kan worden, in het geding. Op grond van het bepaalde in de derde volzin van artikel 1 van het Eerste Protocol kan het bepaalde in de eerste twee volzinnen van artikel 1 van het Eerste Protocol echter niet met succes worden ingeroepen jegens de Staat indien deze gebruik maakt van zijn recht om wetten toe te passen die hij noodzakelijk oordeelt om de betaling van belastingen te verzekeren. Naar het oordeel van de rechtbank is de in de derde volzin van artikel 1 van het Eerste Protocol gemaakte uitzondering op het bepaalde in de eerste twee volzinnen van dat artikel, van toepassing op de hier in geschil zijnde heffing. Daarbij neemt de rechtbank het volgende in aanmerking. Het Eerste Protocol laat de verdragsluitende partijen bij de heffing en invordering van belastingen een ruime beoordelingsmarge. Die marge heeft de Nederlandse wetgever niet overschreden door de heffing van motorrijtuigenbelasting. Van de onder 5. genoemde wetsbepalingen kan niet worden gezegd dat zij elke redelijke grond ontberen. De keuze van de wetgever om naast de motorrijtuigenbelasting nog andere belastingen te heffen die (indirect) aanknopen bij het bezit of het gebruik van motorvoertuigen, gaat de zo-even bedoelde ruime beoordelingsmarge evenmin te buiten. Ook van die keuze kan niet gezegd worden dat zij elke redelijke grond ontbeert. Aan het vorenstaande kan niet afdoen hetgeen [belanghebbende] ter zitting nader heeft aangevoerd.

11.

Met betrekking tot de boetebeschikking overweegt de rechtbank het volgende. Ingevolge artikel 67c van de Awr, voor zover hier van belang, kan de inspecteur aan de belastingplichtige een verzuimboete van ten hoogste € 4.920 opleggen indien de belastingplichtige de belasting welke op aangifte moet worden voldaan niet tijdig heeft betaald. Op grond van §33 van bet Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (hierna: BBBB) is het niet betalen van de verschuldigde belasting voor de uiterste betaaldatum een verzuim in de zin van artikel 67c van de Awr. Op grond van § 33, tweede lid, van het BBBB legt de inspecteur bij een betalingsverzuim een boete op van één procent van het wettelijk maximum van artikel67c van de Awr, tenzij belanghebbende in de periode van één jaar voorafgaand aan het tijdstip waarop belanghebbende in verzuim is, niet eerder in verzuim is geweest (alsdan wordt geen boete opgelegd, maar een verzuimmededeling verzonden). [De Inspecteur] heeft onweersproken gesteld dat er sprake is van meer dan twee verzuimen binnen een periode van één jaar. Gelet op het een en ander is de verzuimboete opgelegd in overeenstemming met de wet en de in het BBBB neergelegde beleidsregels. De rechtbank acht het bedrag van de boete, gelet op de omstandigheden van het geval en de aard van het beboete verzuim, ook passend en geboden.

12.

Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond verklaard.

13.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

(…)"

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

5.1. Partijen houdt nog uitsluitend, zo verklaarde belanghebbende ter zitting, het antwoord op de vraag verdeeld of de naheffingsaanslag steun vindt in de wettelijke bepalingen, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt. Belanghebbende heeft zich ook gekant tegen de boete.

5.2. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop de standpunten steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Beoordeling van het hoger beroep

6.1. De rechtbank heeft naar 's Hofs oordeel terecht en op goede gronden het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard. In beroep en hoger beroep heeft belanghebbende niets aangevoerd op grond waarvan over de naheffing en de boete anders moet worden geoordeeld.

6.2. Dat voert het Hof tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is. Bijgevolg moet worden beslist zoals hierna is vermeld.

Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig een partij te veroordelen in de proceskosten.

Beslissing

Het Gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.H.R. Massmann. De beslissing is op 28 juni 2013 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

  • -

    de naam en het adres van de indiener;

  • -

    de dagtekening;

  • -

    de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  • -

    de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20.303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.