Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:3155

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-04-2013
Datum publicatie
14-08-2013
Zaaknummer
22-003661-12
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:3057, (Gedeeltelijke) vernietiging met terugwijzen
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft een vuurwapen van het slachtoffer afgepakt, welk wapen hij vervolgens heeft gericht op het hoofd van het slachtoffer en daarbij de trekker van het vuurwapen heeft overgehaald, waarna het slachtoffer door het hoofd is geschoten en als gevolg daarvan is overleden. Voorts heeft de verdachte samen met anderen het lichaam van het slachtoffer verborgen in een water van een natuurgebied.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

Rolnummer: 22-003661-12

Parketnummer: 10-660165-10

Datum uitspraak: 12 april 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 24 juli 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1978,

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Rijnmond, De Schie, Rotterdam te Rotterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 29 maart 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 impliciet primair en impliciet subsidiair ten laste gelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 2 en 3 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren en 6 maanden, met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

1

primair:

hij in of omstreeks de periode van 02 april 2010 tot en met 04 april 2010 te Rotterdam opzettelijk en met voorbedachten rade, althans opzettelijk een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en na kalm beraad en rustig overleg, althans opzettelijk in een woning aan het [adres], die [slachtoffer] in/door het hoofd geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

1

subsidiair:

hij op of omstreeks de periode 02 april 2010 tot en met 04 april 2010 te Rotterdam,

roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend in een woning aan het [adres]

  • -

    een vuurwapen heeft afgepakt van [slachtoffer], althans dit vuurwapen in handen heeft genomen en/of

  • -

    zonder dat hij het wapen kende en wist dat de veiligheidspal zich in het handvat van het vuurwapen

bevond en/of

  • -

    zonder zich ter vergewissen of het wapen doorgeladen was en/of

  • -

    dit vuurwapen heeft gericht op (het hoofd van) [slachtoffer] en/of

  • -

    de trekker van dit vuurwapen (meermalen) heeft overgehaald en/of

  • -

    hij daarbij tevens de veiligheidspal van dit vuurwapen heeft ingedrukt,

  • -

    waardoor genoemde [slachtoffer] door het hoofd is geschoten en het aan zijn — verdachtes - schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zodanig letsel heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden;

1

meer subsidiair:

hij op of omstreeks de periode van 02 april 2010 tot en met 4 april 2010 te Rotterdam grovelijk,

althans aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onachtzaam en/of nalatig in een woning aan het [adres]

  • -

    een vuurwapen heeft afgepakt van [slachtoffer], althans dit vuurwapen in handen heeft genomen en/of

  • -

    zonder dat hij het wapen kende en wist dat de veiligheidspal zich in het handvat van het vuurwapen

bevond en/of

  • -

    zonder zich ter vergewissen of het wapen doorgeladen was en/of

  • -

    dit vuurwapen heeft gericht op (het hoofd van) [slachtoffer] en/of

  • -

    de trekker van dit vuurwapen (meermalen) heeft overgehaald en/of

  • -

    hij daarbij tevens de veiligheidspal van dit vuurwapen heeft ingedrukt,

  • -

    waardoor genoemde [slachtoffer] door het hoofd is geschoten en het aan zijn — verdachtes - schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zodanig letsel heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden.



2:

hij in of omstreeks de periode van 2 april 2010 tot en met 4 april 2010 te Rotterdam, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, opzettelijk een lijk (te weten het stoffelijk overschot van een man genaamd [slachtoffer]) heeft begraven en/of verborgen en/of weggevoerd en/of weggemaakt door

  • -

    het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in te pakken in/met vuilniszakken en/of tape en/of een vloerkleed en/of een matrasbeschermer en/of

  • -

    het stoffelijk overschot van [slachtoffer] (vervolgens) uit een woning gelegen aan het [adres] te Rotterdam weg te dragen en/of

  • -

    het stoffelijk overschot van [slachtoffer] (vervolgens) in een busje te leggen en/of

  • -

    vervolgens) met dat busje met daarin het stoffelijk overschot van [slachtoffer] naar natuurpark "De Esch" aan de Nesserdijk te Rotterdam te rijden en/of

  • -

    het stoffelijk overschot van [slachtoffer] (vervolgens) uit het busje te slepen en/of te trekken en/of te dragen en/of

  • -

    het stoffelijk overschot van [slachtoffer] (vervolgens) door genoemd natuurpark te slepen en/of

  • -

    het stoffelijk overschot van [slachtoffer] (vervolgens) met stenen, althans zware voorwerpen te verzwaren en/of

  • -

    het stoffelijk overschot van [slachtoffer] (vervolgens) in een natuurplas/water te gooien/leggen/slepen en/of (aldaar) te verzinken,

zulks (telkens) met het oogmerk om het feit en/of de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer], te weten dat die [slachtoffer] door vuurwapengeweld om het leven is gebracht, te verhelen;

3:

hij op of omstreeks 21 december 2011 te Rotterdam

een of meer wapen(s) als bedoeld in art.2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen in de zin van art.1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Browning, model MK1, kaliber 9 MM,

en/of

munitie in de zin van art.1 onder 4 van de Wet Wapens en Munitie, te weten munitie als bedoeld in art.2 lid 2 van die wet van categorie III, te weten 14 kogelpatronen, kaliber 9 MM,

voorhanden heeft gehad.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Overwegingen met betrekking tot hetgeen onder 1 is ten laste gelegd

Met betrekking tot de gebeurtenissen die aan het schietincident vooraf zijn gegaan, gaat het hof met de advocaat-generaal en de raadsman uit van de juistheid van de verklaringen die de verdachte ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep heeft afgelegd. Deze verklaringen worden op relevante onderdelen ondersteund door de verklaringen die [getuige 1] en [getuige 2] hebben afgelegd.

Het bovenstaande leidt ertoe dat het hof naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting en op grond van de gebezigde bewijsmiddelen uitgaat van de volgende feiten en omstandigheden.

De verdachte bevond zich in de woning van zijn vriendin, [getuige 1]. [getuige 1] en haar zoontje, alsmede het zusje van [getuige] en haar dochtertje, bevonden zich ook in de woning. Een vriend van de verdachte, [slachtoffer], het latere slachtoffer, kwam op bezoek.

Het slachtoffer heeft op enig moment zijn vuurwapen te voorschijn gehaald. Het slachtoffer richtte op een gegeven moment het wapen op de verdachte en haalde de trekker over. De verdachte pakte het wapen van het slachtoffer af. De verdachte heeft het wapen op enig moment teruggegeven aan het slachtoffer. Het slachtoffer heeft vervolgens de patroonhouder uit het wapen gehaald. Het slachtoffer richtte een paar keer op de verdachte en haalde de trekker over. De verdachte heeft het wapen opnieuw afgepakt, vervolgens op zijn beurt op het slachtoffer gericht en tegen hem gezegd ‘Hoe voelt dat nou?’. De verdachte heeft zonder zich te vergewissen of het wapen doorgeladen was een aantal keren de trekker van het wapen overgehaald terwijl hij het wapen had gericht op de muren. Er ging toen geen schot af. De verdachte heeft vervolgens het wapen gericht op het slachtoffer en de trekker overgehaald. Het wapen ging toen wel af en het slachtoffer werd dodelijk geraakt door de afgevuurde kogel.

Met betrekking tot het onder 1 primair impliciet primair ten laste gelegde

Het hof is - evenals de advocaat-generaal en de verdediging – van oordeel dat de onder 1 primair impliciet primair ten laste gelegde moord niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Met betrekking tot het onder 1 primair impliciet subsidiair ten laste gelegde

Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood - is aanwezig indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen). Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van voorwaardelijk opzet, zal afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang.

Verondersteld mag worden dat een ieder – en dus ook de verdachte – zich bewust is - en zich op 2 april 2010 dus bewust was - van de risico’s die elk gebruik van een vuurwapen met zich brengt.

Het hof is derhalve van oordeel dat de verdachte, door met het vuurwapen op het slachtoffer te richten en de trekker over te halen, zonder zich er deugdelijk van te vergewissen dat het vuurwapen niet was doorgeladen, de aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat het vuurwapen zou afgaan.

Voorts dient te worden beoordeeld of de verdachte welbewust de kans heeft aanvaard dat het slachtoffer dodelijk zou worden getroffen.

Met de rechtbank beantwoordt het hof die vraag ontkennend. Het schietincident vond plaats met het wapen dat de verdachte van het slachtoffer had afgepakt. De verdachte en het slachtoffer waren vrienden van elkaar. Naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep zijn onvoldoende feiten en omstandigheden komen vast te staan waaruit een motief om het slachtoffer van het leven te beroven kan worden afgeleid. De verdachte verkeerde in de veronderstelling dat het wapen niet was geladen op het moment dat hij het op het slachtoffer richtte en de trekker overhaalde, zoals hij – en ook het slachtoffer – daarvoor ook al een aantal maal had gedaan zonder dat daarbij een kogel werd afgevuurd.

Gelet op deze omstandigheden is het hof – anders dan de advocaat-generaal – van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans op de dood van het slachtoffer heeft aanvaard, zodat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de onder 1 primair impliciet subsidiair ten laste gelegde doodslag.

Met betrekking tot het onder 1 subsidiair ten laste gelegde

Namens de verdachte heeft de raadsman ter terechtzitting in hoger beroep betoogd –kort en zakelijk weergegeven- dat sprake is van dood door schuld, waarbij de verdachte zich onvoorzichtig heeft gedragen, echter niet zo onachtzaam dat gesproken kan worden van roekeloosheid.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Op grond van de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden stelt het hof vast dat de verdachte met een wapen dat hij niet kende, zonder zich er deugdelijk van te vergewissen dat het wapen niet was doorgeladen, heeft gericht op het hoofd van het slachtoffer en vervolgens de trekker van het vuurwapen heeft overgehaald.

Ander dan de raadsman is het hof van oordeel dat in deze van roekeloosheid sprake was. Het hof is van oordeel dat sprake is van een zeer ernstig gebrek aan zorgvuldigheid waardoor de verdachte een onaanvaardbaar risico heeft genomen.

Het verweer van de raadsman wordt dan ook verworpen.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat door schuld, waarbij de schuld bestaat in roekeloosheid, te wijten aan de verdachte, het slachtoffer is komen te overlijden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1

subsidiair:

hij in de periode 02 april 2010 tot en met 04 april 2010 te Rotterdam,

roekeloos, in een woning aan het [adres]

  • -

    een vuurwapen heeft afgepakt van [slachtoffer] en

  • -

    zonder dat hij het wapen kende en

  • -

    zonder zich te vergewissen of het wapen doorgeladen was

  • -

    dit vuurwapen heeft gericht op het hoofd van [slachtoffer] en

  • -

    de trekker van dit vuurwapen heeft overgehaald,

  • -

    waardoor genoemde [slachtoffer] door het hoofd is geschoten en het aan zijn — verdachtes - schuld te wijten is geweest dat [slachtoffer] zodanig letsel heeft bekomen, dat deze aan de gevolgen daarvan is overleden;

2:

hij in de periode van 2 april 2010 tot en met 4 april 2010 te Rotterdam, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk een lijk (te weten het stoffelijk overschot van een man genaamd [slachtoffer]) heeft verborgen en weggevoerd en weggemaakt door

  • -

    het stoffelijk overschot van [slachtoffer] in te pakken in/met vuilniszakken en/of tape en/of een kleed en/of een matrasbeschermer en

  • -

    het stoffelijk overschot van [slachtoffer] vervolgens uit een woning gelegen aan het [adres] 2A1 te Rotterdam weg te dragen en

  • -

    het stoffelijk overschot van [slachtoffer] vervolgens in een busje te leggen en

  • -

    vervolgens met dat busje met daarin het stoffelijk overschot van [slachtoffer] naar natuurpark "De Esch" aan de Nesserdijk te Rotterdam te rijden en

  • -

    het stoffelijk overschot van [slachtoffer] vervolgens uit het busje te slepen en/of te trekken en/of te dragen en

  • -

    het stoffelijk overschot van [slachtoffer] met stenen te verzwaren en

  • -

    het stoffelijk overschot van [slachtoffer] vervolgens in een natuurplas/water te gooien/leggen/slepen en aldaar te verzinken,

zulks met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden van die [slachtoffer], te weten dat die [slachtoffer] door vuurwapengeweld om het leven is gebracht, te verhelen;


3:

hij op 21 december 2011 te Rotterdam

een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie III onder 1 van de Wet Wapens en Munitie, te weten een vuurwapen in de zin van art. 1 onder 3 van die wet in de vorm van een pistool van het merk Browning, model MK1, kaliber 9 MM,

en

munitie in de zin van art. 1 onder 4 van de Wet Wapens en Munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet van categorie III, te weten 14 kogelpatronen, kaliber 9 MM,

voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 subsidiair bewezen verklaarde levert op:

Aan zijn schuld de dood van een ander te wijten zijn, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van een lijk verbergen, wegvoeren en wegmaken met het oogmerk om het feit en de oorzaak van het overlijden te verhelen.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

en

handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het onder 1 primair impliciet primair ten laste gelegde zal worden vrijgesproken en ter zake van het onder 1 primair impliciet subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft een vuurwapen van het slachtoffer afgepakt, welk wapen hij vervolgens heeft gericht op het hoofd van het slachtoffer en daarbij de trekker van het vuurwapen heeft overgehaald, waarna het slachtoffer door het hoofd is geschoten en als gevolg daarvan is overleden. Voorts heeft de verdachte samen met anderen het lichaam van het slachtoffer verborgen in een water van een natuurgebied.

Het is aan het roekeloze handelen van de verdachte te wijten dat het slachtoffer is overleden. Daarmee heeft de verdachte het slachtoffer het meest fundamentele recht, namelijk het recht om te leven, afgenomen. De verdachte heeft bovendien geen enkel respect getoond voor het levenloze lichaam van het slachtoffer. Aan de nabestaanden is onherstelbaar leed toegebracht. Delicten als de onderhavige zijn schokkend voor de rechtsorde.

In strafmatigende zin heeft het hof bij het bepalen van de straf rekening gehouden met het feit dat de verdachte de dood van het slachtoffer niet heeft gewild en daar kennelijk ook zelf onder lijdt.

De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Gelet op de gevaarzetting die in het algemeen van vuurwapens uitgaat en welk gevaar de verdachte reeds had ondervonden, dient tegen het bezit daarvan streng op te worden getreden.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 13 maart 2013, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van soortgelijke feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof heeft voorts acht geslagen op de rapporten van de psychiater dr. B.A. Blansjaar van 2 februari 2012 en de gezondheidszorgpsycholoog drs. E.A.M. Westenberg van 13 maart 2012, alsmede op het reclasseringsadvies van de Reclassering Nederland d.d. 12 maart 2012.

Het hof acht – evenals de psychiater dr. B.A. Blansjaar - de verdachte voor de bewezen verklaarde feiten onder 1 subsidiair en 2 volledig toerekeningsvatbaar. Voorts acht het hof de verdachte eveneens volledig toerekeningsvatbaar voor het onder 3 bewezen verklaarde feit. De verdachte heeft ter zitting in eerste aanleg verklaard sinds 2003 bijna altijd een vuurwapen bij zich te dragen en derhalve heeft naar het oordeel van het hof de depressieve stemmingsstoornis, die volgens de psychiater bij de verdachte aanwezig was, niet geleid tot het illegale vuurwapenbezit.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 57, 63, 151 en 307 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 primair impliciet primair en onder 1 primair impliciet subsidiair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 subsidiair, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 en 3 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. I.E. de Vries, mr. C.G.M. van Rijnberk en mr. W.J. van Boven, in bijzijn van de griffier mr. L.E.M. Meekenkamp.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 april 2013.