Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:2935

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
07-08-2013
Zaaknummer
200.120.395/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Omgang. Verzoek van grootmoeder tot vaststelling van een omgangsregeling. Omgang in strijd met zwaarwegende belangen minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 26 juni 2013

Zaaknummer : 200.120.395/01

Rekestnummer rechtbank : F2 RK 12-963

[De grootmoeder],

wonende te [woonplaats 1],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de grootmoeder,

advocaat mr. S. Süzen te Rotterdam,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats 1], gemeente [naam gemeente],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. drs. H.J. Ruysendaal te Rotterdam.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De grootmoeder is op 17 januari 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 22 oktober 2012 van de rechtbank Rotterdam.

De moeder heeft op 15 maart 2013 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof is voorts van de zijde van de grootmoeder op 31 januari 2013 een brief van 30 januari 2013 met bijlagen ingekomen.

De raad heeft bij brief van 28 maart 2013 aan het hof laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

De zaak is op 5 juni 2013 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de grootmoeder, bijgestaan door haar advocaat en door een tolk, mevrouw F. Aksac;

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is het verzoek van de grootmoeder tot vaststelling van een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht met de hierna te noemen minderjarige afgewezen. De proceskosten zijn aldus gecompenseerd dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast:

  • -

    uit de moeder is [in] 2009 te [geboorteplaats] geboren [minderjarige] (hierna te noemen: de minderjarige);

  • -

    de grootmoeder is de grootmoeder (vaderzijde) van de minderjarige;

  • -

    de vader van de minderjarige, wijlen [vader minderjarige], is [in] 2010 overleden;

  • -

    bij beschikking van 30 juni 2011 van de rechtbank Rotterdam is het vaderschap van de vader ten aanzien van de minderjarige gerechtelijk vastgesteld.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1.

Tijdens zijn tweede termijn, na de schorsing van de mondelinge behandeling bij het hof, heeft de advocaat van de moeder aangevoerd dat er geen sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking (family life) tussen de grootmoeder en de minderjarige en dat de grootmoeder niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar hoger beroep.

Nu de moeder deze, naar het oordeel van het hof als nieuw aan te merken grief niet bij haar verweerschrift heeft ingediend - welke grief in zoverre niet anders kan worden gezien dan als het instellen van incidenteel appel - en de grootmoeder er niet ondubbelzinnig in heeft toegestemd dat deze nieuwe grief alsnog in de rechtsstrijd wordt betrokken, zal het hof deze grief verder buiten beschouwing laten. Zulks klemt te meer nu de moeder de nieuwe grief eerst op een zodanig laat moment in de procedure heeft opgevoerd dat de grootmoeder in hoger beroep zich daarop niet meer adequaat heeft kunnen prepareren en zich niet meer over het standpunt van de moeder heeft kunnen uitlaten, waardoor naar het oordeel van het hof het toelaten van deze nieuwe grief in de rechtsstrijd tussen partijen in strijd zou komen met de beginselen van een goede procesorde.

2.

Het hof gaat er in het hierna volgende dan ook van uit dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking (family life) tussen de grootmoeder en de minderjarige, zo als de rechtbank heeft geoordeeld.

3.

In geschil is de vaststelling van een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht (hierna ook: een omgangsregeling) tussen de grootmoeder en de minderjarige.

4.

De grootmoeder verzoekt het hof (het hof begrijpt):

Primair: de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van verzoekster tot het vaststellen van een omgangsregeling toe te wijzen;

Subsidiair: opdracht te geven tot een onderzoek door de raad met betrekking tot de wenselijkheid van een omgangsregeling tussen verzoekster en de minderjarige en de invulling daarvan; kosten rechtens.

5.

De moeder verweert zich daartegen en verzoekt het hof bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de grootmoeder in haar hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het verzoek af te wijzen, althans een beschikking af te geven als het hof in goede justitie

meent te kunnen bepalen, alles met veroordeling van de grootmoeder in de kosten van deze procedure.

6.

De grootmoeder voert het volgende aan. Zij betwist dat haar kinderen de moeder aanhoudend hebben bedreigd en anderszins onder druk hebben gezet om de omgang tussen de grootmoeder en de minderjarige mogelijk te maken. De kinderen van de grootmoeder hebben inderdaad contact gezocht met de moeder. De grootmoeder bestrijdt dat dit gepaard is gegaan met bedreigingen. De moeder onderbouwt haar stellingen hieromtrent niet met bewijsstukken. De moeder is juist degene die de kinderen van de grootmoeder heeft bedreigd en onheus heeft bejegend. Het overlijden van de vader van de minderjarige is voor alle partijen een emotionele periode geweest. De grootmoeder ontkent dat de minderjarige op emotioneel gebied zwaar is belast en dat deze situatie een serieuze bedreiging voor zijn ontwikkeling vormt. In ieder geval heeft de grootmoeder de minderjarige niet emotioneel zwaar belast. De grootmoeder heeft het overlijden van haar zoon in voldoende mate verwerkt, heeft nog wel verdriet maar wordt hierdoor niet belemmerd in haar functioneren. Na het overlijden van haar zoon is er intensief contact geweest tussen de grootmoeder en de minderjarige. Zij hadden een goede band. Die band zal teniet worden gedaan als de minderjarige pas op latere leeftijd weer contact zal krijgen met de grootmoeder. Het is in het belang van de sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarige dat hij in staat wordt gesteld om zijn familie en meer in het bijzonder de grootmoeder te leren kennen en zich zo enigszins een beeld van zijn vader te kunnen vormen. De grootmoeder hoopt dat de verstandhouding met de moeder zal verbeteren en wil haar vertrouwen herwinnen.

Ter zitting heeft de grootmoeder in aanvulling op haar beroepschrift – onder meer – gesteld dat de verstoorde relatie met de moeder niet mag leiden tot het verbreken van het contact met de minderjarige. De grootmoeder is kankerpatiënte en wil ontzettend graag haar kleinkind zien. Zij woont alleen waardoor een confrontatie tussen de moeder en de kinderen van de grootmoeder niet zal plaatsvinden.

7.

De moeder verweert zich daartegen als volgt. De verbale omgangsvormen van de familie van de vader worden door de moeder als bedreigend ervaren. De grootmoeder is wisselvallig in haar denken. De moeder bestrijdt dat zij de kinderen van de grootmoeder heeft bedreigd. Als de contacten vanuit de familie van vaderszijde op normale wijze plaatsvinden, dan staat de moeder open voor contacten van de grootmoeder met de minderjarige. De sociaal-emotionele ontwikkeling van de minderjarige is gebaat bij consistentie in zijn totale vorm, te weten oprechtheid, stabiliteit en liefde. De moeder wenst op korte termijn niet mee te werken aan een omgangsregeling. Daartoe is hetgeen is voorgevallen te belastend geweest. Grootmoeder en haar familie eisten dat de moeder de dag voor de zitting waarop de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap zou worden behandeld mee naar de notaris ging. Het verzet vervolgens tegen de gerechtelijke vaststelling van het vaderschap heeft een enorme impact op de moeder gehad. Zij heeft geen behoefte aan een onderzoek door de raad.

In aanvulling hierop heeft de moeder ter zitting verklaard dat zij teleurgesteld is en nog altijd niet aan afsluiting van hetgeen is voorgevallen toekomt. De moeder heeft enige tijd de deur op een kier gehouden voor de grootmoeder, maar de grootmoeder heeft in die periode nooit meer iets van zich laten horen. Zij heeft nooit opgebeld, geen excuus of een verjaardagskaart gestuurd naar de minderjarige. Zij heeft geen moeite voor hem gedaan. Wat er voorheen aan contact was tussen de grootmoeder en de minderjarige wordt door haar overdreven. Toen de vader leefde gingen zij samen bij grootmoeder op bezoek, met de minderjarige. Later is zij met de minderjarige bij de grootmoeder geweest. Nu is de deur dicht, aldus de moeder. De minderjarige was negen maanden toen zijn vader overleed, nu is hij bijna vier jaar. Hij herinnert zich niets meer van de grootmoeder. De grootmoeder heeft volgens de moeder geen toegevoegde waarde meer voor de minderjarige.

8.

Het hof overweegt als volgt.

9.

Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 1: 377a van het Burgerlijk Wetboek een kind en degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat recht hebben op omgang met elkaar, tenzij er sprake is van één of meer van de gronden, zoals genoemd in het derde lid van dat artikel, op basis waarvan de rechter het recht op omgang ontzegt.

10.

Het hof overweegt als volgt. Het hof is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft beslist dat het verzoek van de grootmoeder tot vaststelling van een omgangsregeling moet worden afgewezen. Het hof neemt de gronden over en maakt deze tot de zijne. Naar het oordeel van het hof zijn in hoger beroep geen nieuwe feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een andersluidend oordeel zouden moeten leiden.

Het hof neemt daarbij nog in aanmerking dat ter zitting bij het hof is gebleken dat er tussen de grootmoeder en de moeder op dit moment geen basis bestaat voor een goede omgangsregeling tussen de grootmoeder en de minderjarige. Gezien de emoties en de houding van partijen over en weer, met name ook het onvermogen van zowel de grootmoeder als de moeder om zich in de gevoelens van elkaar echt in te leven, verwacht het hof niet dat het partijen lukt om de minderjarige op een wijze die hem niet belast omgang te laten hebben met de grootmoeder. Op dit moment gaat het goed met de minderjarige. Het hof acht het risico aanwezig dat de minderjarige ontregeld zal raken bij de uitvoering van een vastgestelde omgangsregeling tussen hem en de grootmoeder waardoor er een bedreiging van zijn ontwikkeling kan ontstaan.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het vaststellen van een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht tussen de grootmoeder en de minderjarige op dit moment in strijd is met de zwaarwegende belangen van de minderjarige. Het hof zal dan ook de bestreden beschikking bekrachtigen.

11.

Ten aanzien van het subsidiaire verzoek van de grootmoeder overweegt het hof dat uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de omstandigheden zoals die zich in deze zaak voordoen voldoende duidelijk zijn geworden zodat er geen meerwaarde gelegen is in het instellen van een onderzoek door de raad. Het hof zal dit verzoek dan ook afwijzen.

12.

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

13.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Kempen, Van Leuven, Van Wijk, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 juni 2013.