Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:2929

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-06-2013
Datum publicatie
01-08-2013
Zaaknummer
22-004333-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft tijdens nieuwjaarsnacht een aangestoken lawinepijl, althans zwaar vuurwerk opzettelijk in de richting van twee politieambtenaren gegooid, welke politieambtenaren in die nacht ten behoeve van de samenleving belast waren met het bewaken van de openbare orde. Beide politieambtenaren zijn door het volstrekt onverantwoordelijke, laffe en ontoelaatbare handelen van de verdachte gewond geraakt.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004333-12

Parketnummer: 10-730058-11

Datum uitspraak: 27 juni 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage, zittinghoudende te Rotterdam, van 31 augustus 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1987,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

13 juni 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het eerste en tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde vrijgesproken, is het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven en zijn de benadeelde partijen in hun vorderingen niet-ontvankelijk verklaard.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 1 januari 2011 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met anderen of een ander, althans alleen, aan twee, althans een pers(o)on(en) genaamd [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], beiden werkzaam als politieambtenaar bij de Politie Haaglanden, gedurende en/of ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun/zijn bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (te weten bij die [benadeelde partij 2] blijvend gehoorletsel en/of bij die [benadeelde partij 1] een of meer blijvende littekens) heeft toegebracht, door opzettelijk een of meer ontstoken/aangestoken lawinepijlen, althans een of meer stukken aangestoken/ontstoken zwaar vuurwerk te gooien naar en/of in de richting van die [benadeelde partij 1] en/of die [benadeelde partij 2];

en/of

hij op of omstreeks 1 januari 2011 te 's-Gravenhage, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk aan twee, althans een pers(o)on(en) genaamd [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2], beiden werkzaam als politieambtenaar bij de Politie Haaglanden, gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van hun/zijn bediening, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een of meer aangestoken/ontstoken lawinepijlen, althans een of meer stukken aangestoken/ontstoken zwaar vuurwerk heeft gegooid naar en/of in de richting van die [benadeelde partij 1] en of die [benadeelde partij 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen aan de verdachte als eerste cumulatief/alternatief is ten laste gelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 1 januari 2011 te 's-Gravenhage, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk aan twee personen genaamd [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2], beiden werkzaam als politieambtenaar bij de Politie Haaglanden, gedurende de rechtmatige uitoefening van hun bediening, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet een aangestoken lawinepijl, althans een stuk aangestoken zwaar vuurwerk heeft gegooid in de richting van die [benadeelde partij 1] en die [benadeelde partij 2], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverwegingen

Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen, meer in het bijzonder de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], alsmede de OVC-gesprekken tussen de verdachte en zijn vriendin, een en ander in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat het de verdachte is geweest die het vuurwerk in de richting van de politieambtenaren [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] heeft gegooid. Het hof heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat de verdachte noch tegenover de politie, noch ter terechtzitting in eerste aanleg, noch ter terechtzitting in hoger beroep een verklaring heeft willen afleggen omtrent de hem – ter terechtzitting in hoger beroep: uitvoerig – voorgehouden OVC-gesprekken. Deze gesprekken moeten naar het oordeel van het hof, zeker in samenhang met de inhoud van de verklaringen van eerdergenoemde getuigen, namelijk redengevend worden geacht voor het bewijs en de verdachte heeft, door zich ook ten aanzien van die gesprekken op zijn zwijgrecht te beroepen, ter zake geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring gegeven.

Het wettig en overtuigend bewijs, dat de verdachte het vuurwerk opzettelijk in de richting van voornoemde politieambtenaren heeft gegooid, ontleent het hof met name aan

  • -

    de verklaring van de getuige [getuige 2], waaruit blijkt dat degene die het vuurwerk heeft gegooid (nagenoeg) onmiddellijk daaraan voorafgaand in dezelfde straat liep als waar de agenten liepen,

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen van Politie Haaglanden, nr. PL 1534 2011000075, op ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend op 27 september 2012 door M. Vink, hoofdagent van politie, waaruit blijkt dat men vanaf de plaats vanwaar het vuurwerk werd gegooid zicht had op de plaats waar de politie-ambtenaren zich bevonden en

  • -

    het proces-verbaal van bevindingen van Politie Haaglanden, nr. PL 1534 2011000075-2, op ambtseed respectievelijk ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend op 1 januari 2011 door E. van Meerkerk, hoofdagent van politie, en N.O. Kossen, aspirant van politie, onder meer inhoudende dat deze verbalisanten, die samen met onder andere de politieambtenaren [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] op weg waren naar hun dienstvoertuig, zagen dat het vuurwerk gericht naar hen werd gegooid.

In aansluiting op het vorenstaande overweegt het hof dat de verdachte, door opzettelijk een aangestoken lawinepijl, althans zwaar vuurwerk in de richting van de politieambtenaren [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] te gooien, naar zijn oordeel willens en wetens de naar algemene ervaringsregelen als aanmerkelijk te achten kans heeft aanvaard dat deze politieambtenaren daardoor zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het eerste ([benadeelde partij 2]) en tweede

([benadeelde partij 1]) cumulatief/alternatief ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan

6

maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft tijdens nieuwjaarsnacht een aangestoken lawinepijl, althans zwaar vuurwerk opzettelijk in de richting van de politieambtenaren [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] gegooid, welke politieambtenaren in die nacht ten behoeve van de samenleving – dus óók ten behoeve van de verdachte, diens familie en vrienden – belast waren met het bewaken van de openbare orde. Beide politieambtenaren zijn door het volstrekt onverantwoordelijke, laffe en ontoelaatbare handelen van de verdachte gewond geraakt. Dat hun verwondingen uiteindelijk niet als zwaar lichamelijk letsel vallen te kwalificeren, is geenszins aan de verdachte te danken.

Het hof rekent het de verdachte niet alleen aan dat hij op brute wijze inbreuk heeft gemaakt op de lichamelijke integriteit van meergenoemde [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] – die als politieambtenaren hun publieke taak moeten kunnen uitoefenen zonder het risico te lopen daarbij gewond te raken ten gevolge van opzettelijk tegen hen gericht geweld – maar ook dat hij ter zake geen enkele verantwoordelijkheid heeft willen nemen, er geen blijk van heeft gegeven het ontoelaatbare van zijn handelen in te zien en tot op de dag van vandaag ook geen enkel berouw van zijn daad heeft getoond, laat staan enige empathie ten opzichte van de politieambtenaren [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2].

Het hof is, alles overwegende, van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en zowel in eerste aanleg als in hoger beroep een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde tot een bedrag van € 800,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet inhoudelijk betwist en ligt mitsdien, nu de gestelde schade ook als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde valt aan te merken, voor integrale toewijzing gereed.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 800,00, vermeerderd met de wettelijke rente, aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag met rente aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1].

Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en zowel in eerste aanleg als in hoger beroep een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte ten laste gelegde tot een bedrag van € 550,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet inhoudelijk betwist en ligt mitsdien, nu de gestelde schade ook als rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde valt aan te merken, voor integrale toewijzing gereed.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2]

Nu vaststaat dat de verdachte tot een bedrag van € 550,00, vermeerderd met de wettelijke rente, aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen dat bedrag met rente aan de Staat te betalen ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57, 63, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het eerste cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tweede cumulatief/alternatief ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 800,00 (achthonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag met rente tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1], een bedrag te betalen van € 800,00 (achthonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 16 (zestien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag met rente tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2], een bedrag te betalen van € 550,00 (vijfhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 januari 2011 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 11 (elf) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien en voor zover de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij, daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Dit arrest is gewezen door mr. L.A.J.M. van Dijk, mr. C.G.M. van Rijnberk en mr. M.J. de Haan-Boerdijk, in bijzijn van de griffier mr. N.R. Achterberg.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 juni 2013.