Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:2896

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
01-08-2013
Zaaknummer
22-002072-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijbehorende munitie. De verdachte heeft hieromtrent verklaard dat mensen in Spijkenisse het op hem gemunt hebben en dat hij daar daarom nooit zonder vuurwapen loopt.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002072-11

Parketnummer: 10-691031-11

Datum uitspraak: 12 juni 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 4 april 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),

op [geboortejaar] 1982,

[adres] volgens opgave van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 29 mei 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het hem ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 29 januari 2011 te Rotterdam (een) wapen(s) als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk CZ type 75 kaliber 9mm en de daarbij behorende munitie voorhanden heeft gehad.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 29 januari 2011 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool van het merk CZ type 75 kaliber 9mm en de daarbij behorende munitie voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Verweer

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, overeenkomstig de aan het hof overgelegde en in het dossier gevoegde pleitaantekeningen, het verweer gevoerd – zakelijk weergegeven – dat de verdachte wegens gebrek aan voldoende wettig en overtuigend bewijs behoort te worden vrijgesproken van hetgeen hem is ten laste gelegd. Hiertoe heeft de raadsvrouw betoogd dat de verdachte onrechtmatig is aangehouden en dat derhalve het daarbij verkregen bewijs – en de vruchten daarvan – dienen te worden uitgesloten van gebruik als zodanig. De rechter-commissaris heeft immers de aanhouding en in verzekering stelling van de verdachte onrechtmatig geacht, omdat er ten tijde van diens aanhouding onvoldoende redelijk vermoeden van schuld bestond ten aanzien van de feiten waarvoor hij in eerste instantie werd aangehouden, te weten diefstal danwel heling. Met betrekking tot deze beslissing is sprake van een gesloten stelsel van rechtsmiddelen waaraan ook latere rechters – belast met de inhoudelijke behandeling van de strafzaak - gebonden zijn.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt voorop dat de Hoge Raad in een andere zaak heeft geoordeeld dat – ook al zou moeten worden aangenomen dat aan het oordeel van de rechter-commissaris dat de inverzekeringstelling onrechtmatig was ten grondslag lag dat er onvoldoende verdenking bestond – het het hof vrijstaat zich op basis van de hem ten tijde van het onderzoek ter terechtzitting bekende feiten, zelfstandig een oordeel te vormen over de verdenking bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de doorzoeking en het daardoor verkregen bewijs. Het gesloten systeem van rechtsmiddelen staat daaraan volgens de Hoge Raad niet in de weg (HR 13 juni 2006, LJN AV6195).

Het hof gaat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Aan de dienstdoende verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] is door de centralist van de centrale politiemeldkamer medegedeeld dat er in de Wiekstraat te Spijkenisse een personenauto stond die gestolen zou zijn. Om 16.53 uur werden zij door de meldkamer naar de Wiekstraat gestuurd. Nabij dit voertuig zouden voorts een aantal mannen onenigheid hebben en een van deze mannen zou de bekende [verdachte] zijn. Bij de autodiefstal zou met een vuurwapen zijn geschoten. De meldkamer en verbalisant [verbalisant 2] kregen het vermoeden dat het waarschijnlijk om [verdachte] zou gaan, de verdachte, waarvan de dienstdoende verbalisant ambtshalve bekend is dat deze [verdachte] vuurwapengevaarlijk is.

Om 17.00 uur ter plaatse aangekomen hebben de verbalisanten ter hoogte van pand nummer 7 een man zien staan, te weten de verdachte, die is herkend als zijnde [verdachte]. Ook zagen de verbalisanten in de Wiekstraat een personenauto staan met daarin twee personen.

De verdachte is ter plaatse aangehouden op grond van verdenking van diefstal dan wel heling van de gestolen auto. Vervolgens is aan hem gevraagd of hij een vuurwapen voorhanden had, waarop de verdachte heeft medegedeeld dat hij een vuurwapen in zijn broekzak had.

Op grond van deze feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien is het hof van oordeel dat er op dat tijdstip redelijkerwijs gevraagd mocht worden aan de verdachte of hij een vuurwapen voorhanden had en dat de aanhouding ter zake daarvan niet onrechtmatig is geweest. Het hof betrekt in dit oordeel dat in de gegeven omstandigheden – waarbij er melding was gemaakt van een diefstal en een vuurwapen – zijns inziens een juiste taakuitoefening van de politie absoluut rechtvaardigt zo niet vereist dat de politie, nu er een zeer duidelijk aanknopingspunt leek te zijn, met spoed handelend optreedt. Van de verbalisanten kon niet gevergd worden dat zij hun informatie eerst nog eens nader zouden verifiëren.

Los daarvan mochten de dienstdoende verbalisanten - van wie [verbalisant 3] wist dat de verdachte vuurwapengevaarlijk was - toen zij de verdachte zagen aan hem vragen of hij een vuurwapen bij zich had. Geen enkele rechtsregel staat daaraan in de weg. Het betreft immers niet het gebruik van een bijzondere, in het Wetboek van Strafvordering geregelde, bevoegdheid. De verdachte deelde daarop uit eigen beweging mee dat hij een doorgeladen vuurwapen in zijn broekzak had, waarop hij om 17.01 uur mede daarvoor is aangehouden. Deze aanhouding acht het hof rechtmatig en, anders dan de raadsvrouw heeft betoogd, niet onlosmakelijk verbonden met de aanhouding kort daarvoor in verband met diefstal cq heling.

Het hof heeft voorts acht geslagen op het proces-verbaal van aanhouding d.d. 29 januari 2011 waaruit naar voren komt dat verdachtes aanhouding zowel op de verdenking van diefstal dan wel heling is gegrond, als op de verdenking van vuurwapenbezit.

Blijkens de beschikking toetsing inverzekeringstelling bevel tot bewaring d.d. 1 februari 2011 heeft de rechter-commissaris de aanhouding en de inverzekeringstelling echter uitsluitend onrechtmatig geacht, omdat er met betrekking tot de diefstal dan wel heling, op dat moment naar zijn oordeel onvoldoende redelijk vermoeden van schuld bestond. In de omstandigheid dat de verdachte op de openbare weg een geladen vuurwapen voorhanden had, heeft de rechter-commissaris reden gezien tot afwijzing van de onmiddellijke invrijheidsstelling en over te gaan tot het nemen van een inhoudelijk beslissing op de vordering tot inbewaringstelling.

Het hof is – gelet op het vorenstaande in onderlinge samenhang bezien – van oordeel dat de bewijsgaring op rechtmatige wijze is geschied en dat geen sprake is van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering, laat staan van een vormverzuim dat zou dienen te leiden tot uitsluiting van het bewijs. Voor bewijsuitsluiting zijn derhalve geen gronden aanwezig. Derhalve is naar het oordeel van het hof voldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden voor bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit.

Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het hem ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van

6

maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijbehorende munitie. De verdachte heeft hieromtrent verklaard dat mensen in Spijkenisse het op hem gemunt hebben en dat hij daar daarom nooit zonder vuurwapen loopt. Het onbevoegd bezit van dergelijke wapens is in strijd met de wet en is, gelet op de grote risico’s, maatschappelijk onaanvaardbaar. Daarom moet daartegen krachtig worden opgetreden.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 23 april 2013, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van een strafbaar feit. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

2 (

twee) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (

twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. C.G.M. van Rijnberk, mr. A.M.P. Gaakeer en mr. N. Zandbergen, in bijzijn van de griffier mr. S. Imami.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 12 juni 2013.

Mr. N. Zandbergen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.