Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:2894

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
26-06-2013
Datum publicatie
01-08-2013
Zaaknummer
22-003462-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich op 1 oktober 2011 schuldig gemaakt aan poging tot moord op de chauffeur van een ambulance. Toen de ambulance bij de ambulancesluis bij het ziekenhuis arriveerde is de verdachte achter de ambulance aangelopen en nadat de chauffeur de ambulance had geparkeerd en was uitgestapt, is de verdachte naar hem toegelopen en heeft hij hem meermalen gestoken.

Het Hof gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, onder de algemene en bijzondere voorwaarden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-003462-12

Parketnummer: 09-900882-11

Datum uitspraak: 26 juni 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 9 juli 2012 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortejaar] 1987 te [geboorteplaats] (Nederlandse Antillen),

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 27 november 2012 en 12 juni 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is aan de verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: TBS) met voorwaarden opgelegd, ten aanzien van welke maatregel de dadelijke uitvoerbaarheid is bevolen. De vordering van de benadeelde partij is integraal toegewezen.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 01 oktober 2011, te Delft, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en/of al dan niet na rustig overleg en kalm beraad, met een mes, althans met een scherp en/of puntig voorwerp, (meermalen) gestoken in het lichaam en/of de arm van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;



Subsidiair, indien het vorenstaande niet tot een bewezenverklaring en/of een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij op of omstreeks 01 oktober 2011 te Delft ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon genaamd [slachtoffer], opzettelijk en al dan niet met voorbedachte rade, zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, heeft hij, verdachte, met dat opzet en/of na rustig overleg en kalm beraad, met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (meermalen) gestoken in het lichaam en/of de arm van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 01 oktober 2011, te Delft, ter uitvoering van het voorgenomen misdrijf om opzettelijk en met voorbedachten rade een persoon genaamd [slachtoffer] van het leven te beroven, met dat opzet en na rustig overleg en kalm beraad, met een mes meermalen heeft gestoken in het lichaam en de arm van die [slachtoffer], terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Ter terechtzitting in hoger beroep van 12 juni 2013 heeft de raadsman van de verdachte aangevoerd - verkort en zakelijk weergegeven - dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan terwijl hij in een psychose verkeerde, waardoor hij zonder enig besef en in een opwelling tot zijn daad gekomen is. Van voorbedachten rade kan in die toestand geen sprake zijn, aldus de raadsman. Gelet daarop heeft hij vrijspraak van de verdachte bepleit.

Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.

Op 3 oktober 2011 heeft de verdachte tegenover de politie het volgende verklaard - zakelijk weergegeven -:

op 1 oktober 2011 is hij tegen 15:00 uur lopend van huis naar de ambulancedienst gegaan. Dat is zo’n zeven of acht minuten lopen. In de voorkant van zijn vest hield hij een mes verborgen. De reden dat hij naar de ambulancedienst ging is omdat hij een punt achter de ‘tunnelvisie’ wilde zetten. Op de nadere vraag van de politie waarom hij iemand van het ambulancepersoneel heeft aangevallen heeft hij verklaard dat hij na een scooterongeval in een tunnel door ambulancepersoneel bij het ziekenhuis is laten vallen toen bij het rijden van de brancard uit de ambulance de achterste wieltjes niet uitgingen en dat het ambulancepersoneel hiervoor nimmer excuses heeft aangeboden.

Hij denkt dat hij zo’n zes minuten bij de ambulancesluis heeft staan wachten tot er een ambulance binnenkwam, maar hij liep al langer op het terrein van het ziekenhuis rond. Toen er een ambulance de sluis inreed en de bestuurder van de ambulance uitstapte, is de verdachte op de bestuurder afgelopen. Het mes had hij in zijn rechterhand gepakt. Hij wist dat hij de bestuurder met dat mes kon verwonden. Ook was hij zich er van bewust dat de ruimte waar de bestuurder zich bevond erg smal was. Vervolgens heeft hij de bestuurder drie keer onderlangs gestoken. Hij denkt dat hij de bestuurder van de ambulance in zijn maag wilde steken. Hij probeerde van dichtbij te steken, zodat de bestuurder of anderen het mes niet zouden zien. Anders zou immers iedereen daarop reageren en kon hij de bestuurder niet steken. Op de vraag of de bestuurder dood had kunnen gaan door waar hij hem getracht heeft te steken heeft de verdachte geantwoord: “Ja, organen.” Op de vraag of hij de bestuurder dood wilde maken heeft de verdachte verklaard: “Enigszins wel dat dit in mijn hoofd moet zijn geweest. Dat is eigenlijk een ‘ja’.”

Bij de rechter-commissaris heeft de verdachte op 4 oktober 2011 verklaard - zakelijk weergegeven -:

hij is op 1 oktober 2011 naar de ambulancesluis in Delft gegaan om een medewerker van de ambulance iets aan te doen. Desgevraagd heeft de verdachte verklaard dat het klopt dat hij in het verleden letsel heeft opgelopen door medewerkers van een ambulance en dat hij de laatste tijd gedachten had om iets “terug te doen”.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2012 is de verdachte (deels) op deze verklaringen teruggekomen. De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 12 juni 2013 aangevoerd dat het niet ‘fair’ is de verdachte aan deze verklaringen te houden, omdat hij deze heeft afgelegd op een moment dat hij nog niet zichzelf was. Bij het afleggen van bovenstaande verklaringen zijn door of namens de verdachte evenwel geen voorbehouden gemaakt met betrekking tot zijn geestelijke gesteldheid en het mogelijke effect daarvan op zijn af te leggen verklaringen, ondanks dat deze zijn afgelegd in bijzijn van een raadsman. Hetgeen de verdachte op 3 en 4 oktober bij de politie respectievelijk de rechter-commissaris heeft verklaard komt bovendien zozeer overeen met de inhoud van de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen, waaronder de aangifte en de bevindingen ten aanzien van de beelden bij/in het ziekenhuis en de ambulancesluis, dat het hof geen reden ziet om aan de betrouwbaarheid daarvan te twijfelen en deze derhalve bruikbaar acht voor het bewijs. Wel houdt het hof rekening met de geestelijke gezondheid van de verdachte ten tijde van het bewezen verklaarde bij de beantwoording van de vraag of de verdachte daarvoor strafbaar is te achten.

Uit bovenstaande verklaringen van de verdachte leidt het hof af dat de verdachte op 1 oktober 2011 te Delft heeft uitgevoerd waartoe hij bereid was en waarop hij zich ook had voorbereid, te weten het neersteken van een medewerker van de ambulancedienst. De bovenomschreven handelingen van de verdachte, in combinatie met hetgeen hij daarover heeft verklaard, kunnen naar het oordeel van het hof naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zijnde zozeer gericht op de dood van het slachtoffer dat het niet anders kan zijn dan dat het opzet van de verdachte op de dood van het slachtoffer gericht is geweest. Op grond van de omschreven gang van zaken is het hof voorts van oordeel dat de verdachte toen hij van huis naar het ziekenhuis liep en vervolgens toen hij op het ziekenhuisterrein rondliep en daarna bij de ambulancesluis stond te wachten, de tijd heeft gehad om zich te beraden op zijn genomen besluit, zodat hij niet in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling heeft gehandeld en hij derhalve de gelegenheid heeft gehad over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. Op grond hiervan acht het hof bewezen dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld.

Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het primair bewezen verklaarde levert op:

poging tot moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Ten aanzien van de vraag of de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde strafbaar is te achten heeft het hof in aanmerking genomen de rapportages Pro Justitia d.d. 17 december 2011 van psychiater B.E.A. van der Hoorn en GZ-psycholoog M.H. de Groot.

Beide deskundigen hebben geadviseerd om de verdachte ter zake van het ten laste gelegde, indien bewezen, volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren. Zij concluderen dat bij de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde sprake was van een schizofreniforme stoornis, afhankelijkheid van cannabis en misbruik van alcohol (in remissie). De verdachte was op dat moment psychotisch, aldus de conclusie van Van der Hoorn, en het paranoïde psychotische beeld dat in de maanden voorafgaand aan het incident was ontstaan overheerste het denken en handelen van de verdachte volledig. De deskundige De Groot spreekt in de conclusie over paranoïde symptomatologie, die zich ontwikkelde vanwege de schizofreniforme stoornis en waarbij het gebruik van cannabis mogelijk de psychotische symptomen versterkt heeft. De verdachte had daardoor geen besef meer van de werkelijkheid en hij voelde zich onveilig. De psychotische doorwerking in deze belevingen heeft ervoor gezorgd dat de verdachte meende het ten laste te móeten plegen.

Met inachtneming van bovenstaande beschouwingen, conclusies en adviezen van de gedragsdeskundigen is het hof, net als de rechtbank, van oordeel dat de verdachte ter zake van het bewezen verklaarde volledig ontoerekeningsvatbaar is te achten. Deze omstandigheid sluit de strafbaarheid van de verdachte uit.

Het hof acht de verdachte derhalve niet strafbaar en zal hem, overeenkomstig de beslissing van de rechtbank dienaangaande, ontslaan van alle rechtsvervolging.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd , behoudens ten aanzien van de aan de opgelegde maatregel verbonden voorwaarden en deze voorwaarden te wijzigen overeenkomstig het schriftelijk "advies wijziging opdracht" van GGZ Reclassering Palier d.d. 10 juni 2013.

Motivering van de op te leggen maatregel

Het hof heeft de op te leggen maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich op 1 oktober 2011 schuldig gemaakt aan poging tot moord op de chauffeur van een ambulance. Toen de ambulance bij de ambulancesluis bij het ziekenhuis arriveerde is de verdachte achter de ambulance aangelopen en nadat de chauffeur de ambulance had geparkeerd en was uitgestapt, is de verdachte naar hem toegelopen en heeft hij hem meermalen gestoken. Dit is een zeer ernstig feit. Uit de zich in het dossier bevindende slachtofferverklaring blijkt dat het gevoel van veiligheid van het slachtoffer door dit feit ernstig is aangetast. Dit belemmert hem niet alleen in zijn werk, maar ook in zijn privéleven. Ook op de ambulanceverpleegkundige, die erbij was toen zijn collega werd aangevallen, heeft het feit een zeer grote impact gehad, zo blijkt uit het dossier. Voor de patiënt die zich ten tijde van het feit nog in de ambulance bevond, een bejaarde mevrouw van 91 jaar oud, kan de situatie niet anders dan zeer stressvol en beangstigend zijn geweest. Een feit als dit draagt tevens een voor de rechtsorde in zijn algemeenheid zeer schokkend karakter en brengt ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Justitiële Documentatie

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 19 november 2012, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van andersoortige strafbare feiten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Rapporten omtrent de persoon van de verdachte

In de onderhavige strafzaak heeft het hof met betrekking tot de persoon van de verdachte acht geslagen op de inhoud van de volgende hierna onder I, II, III, IV, V en VI te bespreken – rapportages. De overwegingen en conclusies van de gedragsdeskundigen zijn steeds zakelijk samengevat weergegeven.

I.

De Pro Justitia rapportage d.d. 17 december 2011, opgemaakt en ondertekend door B.E.A. van der Hoorn, psychiater:

De deskundige concludeert dat bij de verdachte sprake is van een schizofreniforme stoornis, als voorloper van schizofrenie van het paranoïd type. Daarnaast is sprake van afhankelijkheid van cannabis en misbruik van alcohol in remissie.

Ten tijde van het ten laste gelegde was de verdachte psychotisch. Uit het onderzoek is duidelijk geworden dat het paranoïde psychotische beeld het denken, voelen en handelen van de verdachte op dat moment volledig beheerste. Hij kon op dat moment geen gedragsalternatieven bedenken en tevens kon hij het ontoelaatbare van zijn handelen niet inzien. Gelet daarop acht de deskundige de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar ten aanzien van het hem ten laste gelegde, indien bewezen.

Ten aanzien van de kans op recidive is van belang dat de verdachte niet beschikt over ziektebesef, hetgeen passend is bij een psychotische stoornis. Daardoor zal hij zelf niet inzien wanneer het slechter met hem gaat. Daarnaast verzet hij zich tegen een adequate farmacotherapeutische behandeling. Tijdens de detentie van de verdachte is duidelijk geworden dat een gebrekkige therapietrouw een psychotische decompensatie en daarmee agressie tot gevolg heeft. Dat beïnvloedt het risico op recidive negatief. Het is daarom van belang dat de verdachte niet alleen goed wordt ingesteld op een anti-psychoticum, maar dat hij ook leert omgaan met zijn stoornis en kwetsbaarheden.

Ten aanzien van de kans op recidive moet tevens in ogenschouw worden genomen dat het gebruik van drugs zoals cannabis zeer frequent voorkomt in het beloop van een psychotische stoornis zoals die van de verdachte en dat het het verloop ervan doorgaans fors compliceert. Het gebruik van cannabis kan een paranoïde psychose luxeren of verergeren. Tijdens de behandeling van de verdachte dient er dan ook tevens aandacht te zijn voor zijn drugsgebruik.

Gezien de ernst van het psychotische toestandsbeeld, de volledige ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachte, het recidiverisico en het gegeven zorgadvies, adviseert de deskundige om de verdachte op grond van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van één jaar in een psychiatrisch ziekenhuis te plaatsen, waarbij de verdachte (aanvankelijk) een klinische behandeling ondergaat in een kliniek met een hoge mate van beheersbaarheid, zoals een FPK. Overwogen kan worden om het resocialisatiegedeelte van de opname vervolgens te laten plaatsvinden op een FPA, nadat het psychiatrische beeld gestabiliseerd is en daarmee het risico op agressie verminderd.

Te verwachten valt verder dat de duur van de stoornis de looptijd van de maatregel zal overtreffen, waardoor te overwegen valt na afloop van deze geadviseerde strafrechtelijke maatregel een rechterlijke maatregel op grond van de wet BOPZ aan te vragen, wanneer een langere klinische opname noodzakelijk blijkt.

II.

De Pro Justitia rapportage d.d. 17 december 2011, opgemaakt en ondertekend door M.H. de Groot,

GZ-psycholoog:

De verdachte is lijdende aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van een schizofreniforme stoornis, waarbij manifeste psychotische symptomatologie op de voorgrond staat. Tevens is er sprake van afhankelijkheid van cannabis en van misbruik van alcohol. Er zijn geen aanwijzingen dat de verdachte ook voorafgaand aan het ten laste gelegde alcohol had geconsumeerd. Wel was hij op dat moment paranoïd psychotisch en afhankelijk van cannabis. Het gebruik van cannabis kan het ontstaan van de schizofreniforme stoornis in de hand gewerkt hebben.

De verdachte had ten tijde van het ten laste gelegde geen goed besef meer van de werkelijkheid en hij voelde zich niet veilig. De psychotische doorwerking in deze belevingen heeft ervoor gezorgd dat hij meende het ten laste gelegde te móeten plegen ter verdediging van zichzelf. Hierdoor was hij niet in staat om zijn wil in vrijheid te bepalen. De deskundige adviseert daarom om de verdachte voor het ten laste gelegde, mits bewezen, ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.

De kans op herhaling van agressieve incidenten is groot wanneer de verdachte voor de psychotische symptomatologie niet adequaat behandeld wordt. Gebruikt hij evenwel antipsychotische medicatie en is deze medicatie goed ingesteld, dan wordt de kans op herhaling voor soortgelijke onvoorspelbare agressieve incidenten klein ingeschat. Tijdens de onderzoeksperiode heeft de verdachte echter nog onvoldoende ziektebesef en is hij niet doordrongen van het feit dat het voor zijn welzijn en het welzijn van anderen het beste is om antipsychotische medicatie te gebruiken. Voorts is het zo dat de psychotische symptomatologie nog gemakkelijker zal optreden wanneer de verdachte cannabis gaat gebruiken.

De deskundige adviseert om de verdachte te doen opnemen in een psychiatrisch ziekenhuis voor een periode van maximaal een jaar. Dit kan het beste plaatsvinden op een FPK omdat het beheersniveau daar voldoende is, aangezien de verdachte iemand is die onverwacht tot agressieve uitbarstingen kan komen.

Behandeling in een TBS-kader acht de deskundige niet noodzakelijk, aangezien al een aantal keren is gebleken dat (al of niet gedwongen) gebruik van antipsychotica door de verdachte zijn psychotische symptomatologie dusdanig onderdrukt dat hij goed behandelbaar en ook goed hanteerbaar is binnen een beveiligde psychiatrische setting. De opname in een psychiatrisch ziekenhuis kan eventueel via een rechterlijke machtiging verlengd worden als het psychiatrisch toestandsbeeld zich onvoldoende herstelt.

De officier van justitie heeft de deskundigen naar aanleiding van de door hen uitgebrachte onder I en II genoemde rapporten een aantal vragen gesteld. Naar aanleiding hiervan hebben de deskundigen een aanvullende schriftelijke reactie opgesteld, zoals hierna onder III en IV nader te bespreken.

III.

De schriftelijke reactie d.d. 15 maart 2012 van

B.E.A. van der Hoorn:

De deskundige schat in dat het bereiken van een stabiel psychiatrisch beeld bij de verdachte goed mogelijk is binnen de duur van de geadviseerde ‘artikel 37 maatregel’. Als de psychotische kwetsbaarheid echter blijft bestaan en de schizofreniforme stoornis blijkt schizofrenie te zijn, dan kan gesteld worden dat het gaat om een stoornis die chronisch van aard is. De verdachte heeft dan, zoals bijna alle patiënten met schizofrenie, levenslang een behandeling (met medicatie) nodig. Gezien de ernst en (hof: mogelijke) chroniciteit van de geconstateerde psychotische stoornis, alsmede het beperkte ziektebesef, valt te verwachten dat een intensieve behandeling ook na afloop van de geadviseerde strafrechtelijke maatregel nog nodig is. Dit kan ook ambulant geschieden, wanneer de verdachte in het kader van de geadviseerde maatregel eerst een langdurige klinische behandeling achter de rug heeft, waardoor hij psychiatrisch gestabiliseerd is onder een adequate antipsychotische dekking. Uit de behandeling die de verdachte ten tijde van het uitbrengen van de schriftelijke reactie reeds enkele maanden bij de FPK Inforsa ondergaat blijkt dat het risico voor de samenleving goed af te wenden is wanneer de verdachte is ingesteld op een adequate dosering van een anti-psychotisch medicament. Uit informatie die de deskundige van de behandelend psychiater van de verdachte heeft ontvangen blijkt echter dat hij sinds een week toediening van het depot preparaat antipsychoticum is gaan weigeren. Dit acht de deskundige een zorgelijke ontwikkeling. De verdachte redeneert dat hij ook zonder dit geneesmiddel kan voorkomen dat hij psychotisch wordt. De deskundige heeft overwogen te adviseren om aan de verdachte de maatregel van TBS met voorwaarden op te leggen. Het voordeel daarvan betreft de duur. Naar de mening van de deskundige is een dergelijke zware maartegel echter niet noodzakelijk om het gevaar af te wenden.

IV.

De schriftelijke reactie d.d. 26 maart 2012 van M.H. de Groot:

Over het algemeen lukt het bij een ‘artikel 37 maatregel’ wel om de behandeldoelen binnen één jaar te bereiken en de behandeling van de verdachte heeft tot op het moment van rapporteren geen onoverkomelijke problemen opgeleverd. Een zorgelijke ontwikkeling is wel dat de verdachte onlangs medicatie is gaan weigeren. Verder is geconstateerd dat bij de verdachte nog onvoldoende ziektebesef aanwezig is. Volgens de deskundige valt het zeker niet uit te sluiten dat de verdachte, wanneer hij weer is ingesteld op medicatie, deze medicatie niet meer gaat gebruiken nadat de ‘artikel 37 maatregel’ beëindigd is. Een rechterlijke maatregel na afloop van deze ‘artikel 37 maatregel’ biedt de samenleving naar de mening van de deskundige voldoende bescherming, maar geen garantie tegen terugval. Al met al heeft de behandeling van de verdachte tot op het moment van rapporteren in de ogen van de rapporteur een minder goed resultaat opgeleverd dan verwacht mocht worden. De deskundige heeft overwogen te adviseren om aan de verdachte de maatregel van TBS met voorwaarden op te leggen, maar eerder is ingeschat dat het aanbrengen van structuur in het leven van de verdachte, het bieden van een prikkelarme omgeving en het verstrekken van antipsychotische medicatie het ziektebesef zou bevorderen en de psychotische overschrijdingen zou doen afnemen. TBS met voorwaarden biedt naar de opvatting van de deskundige uiteindelijk echter toch betere en meer langdurige voorwaarden voor een betere bescherming van de maatschappij.

Naar aanleiding van een van de behandelend psychiater van de verdachte bij de FPK Inforsa ontvangen brief d.d. 21 november 2012, heeft het hof ter terechtzitting in hoger beroep van 27 november 2012 de behandeling van de zaak aangehouden teneinde door de deskundigen voornoemd nadere rapportage omtrent de persoon van de verdachte te laten opstellen, daarbij rekening houdend met de bevindingen van voornoemde psychiater. Naar aanleiding hiervan zijn door de deskundigen de hieronder onder V en VI nader te bespreken rapporten uitgebracht.

V.

De Pro Justitia rapportage d.d. 1 februari 2013, opgemaakt en ondertekend door B.E.A. van der Hoorn, psychiater:

De deskundige komt op basis van het door hem nieuw verrichte onderzoek tot de conclusie dat er onvoldoende argumenten zijn de eerder gestelde diagnose richting een chronisch psychotisch proces vast te houden. Het psychiatrische toestandsbeeld is, in abstinentie van drugs en zonder antipsychotica, stabiel te noemen. Er zijn in de afgelopen maanden ook geen psychotische symptomen waargenomen. De diagnose wordt dan ook bijgesteld naar een psychose NAO (niet anderszins omschreven), die inmiddels is verbleekt.

De verdachte ondergaat zijn behandeling coöperatief en hij begint ziekte-inzicht te ontwikkelen waar het gaat om zijn eigen kwetsbaarheid om psychotisch te ontregelen. Het toekennen van vrijheden gedurende de behandeling heeft niet geleid tot incidenten of een terugval. Klinisch is het risico op een psychotische decompensatie dan ook klein. Ambulant hangt het af van de wijze waarop hij zijn leven nadere invulling gaat geven (werken, opleiding, dagbesteding), het abstinent blijven van drugs als cannabis en alcohol en de wijze waarop hij in de toekomst met spanningen om zal gaan. Ook ambulant wordt het risico op een psychotische decompensatie op korte termijn laag geacht gezien het stabiele toestandsbeeld. Dit lijkt ook de inschatting te zijn van zijn behandelaren. Het risico op de middellange termijn is moeilijk in te schatten. Gezien het psychiatrisch toestandsbeeld en het verloop van de behandeling is het traject richting een ambulante behandeling een logische. Een forensische polikliniek zou de behandeling van de verdachte het beste kunnen overnemen in de regio waar de verdachte gaat wonen. Belangrijkste aandachtspunt voor deze polikliniek zal zijn het begeleiden van de verdachte naar een stabiele ambulante situatie.

De deskundige acht het het meest logisch om bovenstaand zorgadvies richting een ambulant traject uit te voeren binnen het kader van de door de rechtbank opgelegde TBS met voorwaarden. Juist in de overgang van klinische naar ambulante zorg is het onlogisch van strafkader te veranderen, aangezien een overgang juist kan zorgen voor spanningen en onvoorziene situaties, die continuering van de begeleiding binnen het bestaande kader wenselijk maken. Het behandeltraject kan evenwel ook binnen een ‘artikel 37 maatregel’ vormgegeven worden.

VI.

De Pro Justitia rapportage d.d. 25 februari 2013, opgemaakt en ondertekend door M.H. de Groot,

GZ-psycholoog:

Naar het oordeel van de deskundige is de verdachte binnen een maand uitbehandeld in de FPK Inforsa te Amsterdam. Hij is niet meer psychotisch en hoeft geen antipsychotische medicatie meer te gebruiken. Hij heeft bovendien bijna geen therapeutische gesprekken meer. Hij heeft reeds vrijheden, verblijft enkele uren per dag buiten de kliniek en heeft al enkele keren onbegeleid zijn familie bezocht. Ook heeft hij enkele keren deelgenomen aan sportevenementen buiten de kliniek. Hij wordt beschreven als een voorbeeldpatiënt en er hebben zich op geen enkel moment tijdens de behandeling in de FPK incidenten voorgedaan.

Een adequate voortgang van de behandeling vraagt om resocialisatie en continuering van de behandeling via ambulante begeleiding. Dit kan in de woonomgeving van de verdachte plaatsvinden. Naar het oordeel van de deskundige kan de TBS met voorwaarden gecontinueerd worden.

Voorts heeft het hof in het bijzonder in aanmerking genomen de inhoud van de hieronder genoemde voortgangsverslagen TBS en het advies wijziging opdracht zoals die in hoger beroep zijn ontvangen. De overwegingen en conclusies van deze stukken zijn hieronder steeds zakelijk samengevat weergegeven:

  • -

    het voortgangsverslag TBS van GGZ Reclassering Palier d.d. 16 januari 2013, opgesteld en ondertekend door I. Hassing, reclasseringswerker en mede ondertekend door Y. Driesen, unitmanager;

  • -

    het voortgangsverslag TBS GGZ Reclassering Palier d.d. 1 maart 2013, opgesteld en ondertekend door I. Hassing voornoemd en mede ondertekend door voornoemd;

  • -

    het advies wijziging opdracht d.d. 10 juni 2013 van GGZ Palier Leiden, opgemaakt en ondertekend door

J. van Duijn, reclasseringswerker, en mede ondertekend door S. Schaddelee, unitmanager.

Uit het voortgangsverslag uit januari 2013 blijkt dat bij de reclassering de vraag is gerezen of de klinische behandeling en het beveiligingsniveau van een FPK voor de verdachte nog wel meerwaarde hebben, aangezien hij sinds zijn opname op 30 juli 2012 in de FPK Inforsa te Amsterdam stabiel is. Indien ook uit de uitslag van een bij de verdachte nieuw af te nemen risicotaxatie geen meerwaarde van voortzetting van de behandeling binnen een FPK wordt gezien, wordt voortzetting van de behandeling in een ambulant kader mogelijk geacht.

Uit het rapport uit maart 2013 blijkt dat op basis van de risicotaxatie het risico op recidive onder omstandigheden van ambulante behandeling en begeleiding laag is. Deze inschatting is gebaseerd op de omschrijving van de behandelend arts van de verdachte, die onder meer inhoudt – zakelijk weergegeven -:

de verdachte beseft dat hij psychotisch is geweest en hij werkt mee om psychotische decompensatie te voorkomen. Het is niet te verwachten dat de verdachte onder ambulante omstandigheden (opnieuw) psychotisch zal worden, mits hij goed wordt begeleid. De nodige begeleiding is: een ambulant contact met een sociaal psychiatrisch verpleegkundige en een psychiater bij een (forensisch) psychiatrische polikliniek, gericht op ondersteuning en monitoren van vroege signalen van psychose, regelmatige screening op drugs en alcohol en toezicht en ondersteuning door de reclassering. Verder is het positief dat het netwerk van de verdachte een beschermende factor is, waarbij sleutelleden een psychose weten te herkennen en weten dat de verdachte geen drugs of alcohol moet gebruiken. Zij kunnen ook een signaleringsrol spelen ter voorkoming van een decompensatie. Ten slotte is het positief dat de verdachte gemotiveerd is om door te blijven werken aan zijn behandeling. Onder al deze omstandigheden wordt het verantwoord geacht om de verdachte verder ambulant te laten behandelen. Vooruitlopend op de inzet van ambulante behandeling was de verdachte reeds aangemeld bij de forensische polikliniek Palier.

Sinds april 2013 woont de verdachte zelfstandig in de gemeente Delft, zo blijkt uit de advies wijziging opdracht, en heeft hij contact met de Forensische Polikliniek van Palier. Zijn forensisch ambulant werker (FAT) onderhoudt contact met de verdachte door eens per twee weken af te spreken. Tijdens deze afspraken worden naast zijn dagbesteding ook zijn sociale netwerk, zijn fysieke en psychische gesteldheid, zijn financiële situatie en middelengebruik besproken.

Gezien de nog korte periode van ambulante behandeling is het noodzakelijk dat de verdachte deze afspraken blijft nakomen. Hij kan dan in samenwerking met de behandelaren van GGZ Palier tot een terugvalpreventieplan komen, om te voorkomen dat de verdachte terugvalt in middelengebruik en er tijdig ingegrepen kan worden indien de verdachte psychotische verschijnselen gaat vertonen. Binnen de behandeling en begeleiding van de verdachte zal preventief gekeken worden naar oplossingen.

Daar betrokkene kwetsbaar is voor een eventuele terugval in psychotische verschijnselen, kan bij een crisissituatie gekozen worden voor een klinische opname voor de duur van maximaal zeven weken bij de forensisch psychiatrische afdeling van Palier te Den Haag. Dit zodat het resocialisatietraject van de verdachte niet in gevaar komt en de TBS met voorwaarden gecontinueerd kan worden.

GGZ Reclassering Palier adviseert om de voorwaarden zoals deze door de rechtbank in het kader van de TBS met voorwaarden zijn gesteld te wijzigen, zodat ambulante behandeling en een klinische opname ter preventie van terugval in middelen en psychose binnen dit kader mogelijk zijn.

Ten aanzien van de op te leggen maatregel

Door en namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep van 12 juni 2013 naar voren gebracht dat zijn voorkeur uitgaat naar een maatregel ex artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 12 juni 2013 ook aangegeven dat, mocht het hof komen tot de oplegging van de maatregel van TBS met voorwaarden, hij wel bereid is de gestelde voorwaarden na te leven.

Met inachtneming van de beschouwingen, conclusies en de adviezen van de gedragsdeskundigen is het hof van oordeel dat de verdachte ten tijde van het ten laste gelegde lijdende was aan een ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens in de vorm van een schizofreniforme stoornis. Hij was op dat moment psychotisch. Voorts sluit het hof zich aan bij de conclusie van de deskundige Van der Hoorn dat gebleken is dat geen sprake is van een chronisch psychotisch proces bij de verdachte, doch dat de diagnose achteraf bijgesteld kan worden naar een psychose NAO, die inmiddels is verbleekt. Ook de deskundige De Groot concludeert in het laatst uitgebrachte Pro Justitia rapport d.d. 25 februari 2013 dat de verdachte niet meer psychotisch is. Dit volgt eveneens uit de informatie van de behandelend arts van de verdachte zoals opgenomen in het voortgangsverslag van maart 2013. Op basis van de beschouwingen, conclusies en adviezen van de gedragsdeskundigen en de inhoud van de andere stukken acht het hof, met name gelet op de vooruitgang die de verdachte gedurende de klinische behandeling bij de FPK Inforsa heeft geboekt, (verdere) ambulante behandeling van de verdachte thans het meest aangewezen, in het kader van resocialisatie en teneinde een stabiele ambulante situatie voor de verdachte te bereiken. Naar het oordeel van het hof eisen de aard en de ernst van het bewezenverklaarde feit en de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen dat deze ambulante behandeling plaats blijft vinden in het kader van de maatregel van TBS met voorwaarden. Het hof overweegt daartoe als volgt. Weliswaar gaat het goed met de verdachte en is hij gemotiveerd om door te gaan met zijn behandeling, doch gelet op de nog betrekkelijk korte tijd dat de verdachte weer zelfstandig woont en ambulante behandeling ondergaat, is naar het oordeel van het hof thans nog sprake van een opbouwende fase en kan nog niet gesproken worden van een stabiele ambulante situatie. Uit de Pro Justitia rapportage en de verdere stukken blijkt dat het risico op opnieuw een psychotische decompensatie afhankelijk is van de wijze waarop de verdachte zijn leven nadere invulling gaat geven (werken, opleiding, dagbesteding). Uit het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep blijkt dat de verdachte daarvoor momenteel volop plannen aan het maken is. Daarnaast is van groot belang het abstinent blijven van drugs en de wijze waarop hij in de toekomst met spanningen om zal gaan. Het risico op een terugval op met name de wat langere termijn en daarmee de kans op herhaling van agressieve incidenten richting personen acht het hof thans, gelet op de opbouwende fase waarin één en ander zich bevindt, nog niet voldoende uitgesloten. Daarnaast acht het hof een overgang naar behandeling in een ander kader onwenselijk aangezien een overgang juist kan zorgen voor spanningen en onvoorziene situaties, hetgeen de verdachte naar het oordeel van het hof voor een terugval extra kwetsbaar kan maken.

Alles overwegende is het hof van oordeel dat het opleggen van de maatregel van TBS met voorwaarden aan de verdachte passend en geboden is. Aan alle wettelijke voorwaarden is voldaan. Ten aanzien van de op te leggen voorwaarden sluit het hof zich net als de rechtbank aan bij het reclasseringsadvies ten behoeve van TBS met voorwaarden van GGZ Reclassering Palier d.d. 19 juni 2012, alsmede bij het voornoemd advies wijziging opdracht d.d. 10 juni 2013 van GGZ Palier Leiden.

Het hof bepaalt daarnaast dat de tenuitvoerlegging van de maatregel terbeschikkingstelling met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar is, opdat direct voortgegaan kan worden met de uitvoering van de (gewijzigde) voorwaarden.

Vordering tot schadevergoeding

In het onderhavige strafproces heeft [slachtoffer] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële en immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte primair ten laste gelegde tot een bedrag van € 2.198,99.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft, zoals in zijn vordering strekkende tot bevestiging van het vonnis waarvan beroep besloten ligt, geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde materiële schade is geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het primair bewezen verklaarde.

Het hof is voorts van oordeel dat aannemelijk is geworden dat er door de benadeelde partij immateriële schade is geleden en dat ook deze schade het rechtstreeks gevolg is van het onder primair bewezen verklaarde. De vordering ter zake van geleden immateriële schade leent zich - naar maatstaven van billijkheid - voor toewijzing tot het gevorderde bedrag.

De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Dit brengt mee dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof vooralsnog begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 37a, 38, 38a, 45, 63 en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar.

Verklaart de verdachte niet strafbaar ter zake van het primair bewezen verklaarde en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, onder de na te noemen voorwaarden.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1.

indien sprake is van een crisissituatie kan de verdachte tijdelijk, voor de duur van zeven weken, met een verlenging van nog zeven weken, in het kader van Forensisch Psychiatrisch Toezicht (FPT) geplaatst worden binnen de Forensische Psychiatrische Afdeling (FPA) van GGZ Palier, Nico Broekhuysenlaan 45 te Den Haag; indien er geen plek is op de FPA kan ook worden uitgeweken naar de FPK Inforsa te Amsterdam of een soortgelijke instelling en de verdachte werkt daar dan ook aan mee;

2.

de verdachte stelt zich onder behandeling van de Forensische Polikliniek van Palier te Den Haag;

3.

de verdachte werkt mee aan de begeleiding die hem vanuit het Forensische Ambulant Team van de Forensische Polikliniek van Palier geboden wordt;

4.

indien uit onderzoek tijdens de behandeling blijkt dat medicatie gewenst is, zal de verdachte de door de behandelaar(s) voorgeschreven medicatie op de juiste wijze gebruiken;

5.

de verdachte zal niet van verblijfplaats veranderen zonder overleg met zijn behandelaar(s) en de reclassering;

6.

de verdachte zal geen omgang zal hebben met personen die zijn resocialisatie in gevaar (kunnen) brengen en stelt zich open inzake het aangaan van nieuwe relaties of bestaande relaties en heeft er geen bezwaar tegen dat deze relaties op gepaste en discrete wijze door de reclassering worden gescreend;

7.

de verdachte zich zal houden aan de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door GGZ Reclassering Palier;

8.

de verdachte conformeert zich aan de behandeling;

9.

de verdachte zal zich onthouden van alcohol- en drugsgebruik en zal zich niet onttrekken aan controles hierop;

10.

de verdachte geeft inzicht in zijn financiën als daarom wordt verzocht en accepteert hiervoor begeleiding van de MJD van Palier;

Stelt als algemene voorwaarden:

11.

de verdachte pleegt geen strafbare feiten;

12.

ter vaststelling van zijn identiteit verleent de verdachte medewerking aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of biedt hij een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan;

13.

verdachte verleent toestemming aan de reclassering tot het opvragen en uitwisselen van informatie aan alle instellingen die de reclassering relevant acht en die van belang zijn voor een goede behandeling c.q. begeleiding,

de verdachte geeft toestemming aan de reclassering en aan zijn begeleiders om in geval van ongeoorloofde afwezigheid of calamiteiten en het niet nakomen van bovenvoormelde voorwaarden deze informatie aan alle betrokken partijen te melden;

14.

de verdachte begeeft zich niet buiten Nederland.

Verklaart de opgelegde maatregel van terbeschikkingstelling uitvoerbaar bij voorraad.

Verstrekt aan GGZ Reclassering Palier de opdracht om aan de verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarden.

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 2.198,99 (tweeduizend honderdachtennegentig euro en negenennegentig cent) bestaande uit € 198,99 (honderdachtennegentig euro en negenennegentig cent) materiële schade en € 2.000,00 (tweeduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Dit arrest is gewezen door mr. C.G.M. van Rijnberk, mr. Chr.A. Baardman en mr. P.H. Holthuis, in bijzijn van de griffier mr. S.N. Keuning.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 26 juni 2013.

Mr. P.H. Holthuis is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.