Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:2883

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
05-06-2013
Datum publicatie
06-08-2013
Zaaknummer
200.119.569/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Rekestprocedure
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Vrouw heeft haar stellingen inzake haar eigen draagkracht niet dan wel onvoldoende onderbouwd. De man heeft de door de rechtbank vastgestelde behoefte aan zijn zijde wel (voldoende) bestreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 5 juni 2013

Zaaknummer : 200.119.569/01

Rekestnummer rechtbank : F1 RK 11-4151

[De man],

wonende te[woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. A.K.J. Plaisier te Rotterdam,

tegen

[de vrouw],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.L. Groeneveld te Rotterdam.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 4 januari 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 12 oktober 2012 van de rechtbank Rotterdam.

De vrouw heeft op 19 maart 2013 een verweerschrift, tevens houdende incidenteel appel, ingediend.

De man heeft op 1 mei 2013 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Bij het hof is voorts van de zijde van de vrouw op 6 mei 2013 een faxbericht van diezelfde datum met bijlagen ingekomen.

De zaak is op 16 mei 2013 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de man, bijgestaan door zijn advocaat;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door haar advocaat.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking is ten laste van de vrouw aan de man een uitkering tot levensonderhoud toegekend van € 905,- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen voor het eerst op de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep niet is opgekomen. In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat de echtscheidingsbeschikking op 26 februari 2013 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de vrouw aan de man te betalen uitkering tot zijn levensonderhoud, hierna ook: de partneralimentatie.

2.

De man verzoekt het hof bij beschikking, voor zover de wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, aan de man ten laste van de vrouw een partneralimentatie toe te kennen van € 3.000,- bruto per maand, bij vooruitbetaling te voldoen voor het eerst op de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, althans een beslissing te nemen die het hof in goede justitie zal vermenen te behoren, kosten rechtens.

3.

De vrouw verweert zich daartegen en verzoekt (zo begrijpt het hof:) in incidenteel hoger beroep de bestreden beschikking te vernietigen en bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verzoek van de man om een partneralimentatie vast te stellen alsnog af te wijzen.

Behoefte man

4.

De vrouw bestrijdt in incidenteel hoger beroep dat de behoefte van de man van € 525,75 netto per maand, zijnde € 905,- bruto per maand bedraagt. De man heeft volgens de vrouw niet onderbouwd dat hij de door hem in zijn behoefteoverzicht opgenomen kosten (productie 2 bij brief van 23 augustus 2012) daadwerkelijk maakt. De vrouw ontkent en betwist dat de man dergelijke lasten heeft. De werkelijke lasten van de man liggen volgens haar aanzienlijk lager. Daarnaast ontkent de vrouw dat de man de kosten van schoolgeld en sport- en muzieklessen betaalt en stelt de vrouw dat de rechtbank te lage kosten van de kinderen op de uitgaven van de man in mindering heeft gebracht. Volgens haar heeft een deel van de woonlasten van de man betrekking op de kinderen omdat zij gedurende de helft van de tijd bij hem verblijven. Volgens de vrouw bedragen de woonlasten van de kinderen 16% van de behoefte van de kinderen van € 1.363,-, oftewel € 218,- per maand.

Ook heeft een deel van de verzekeringspremie voor de aansprakelijkheidsverzekering van de man betrekking op de kinderen, net als een deel van de boodschappen en de kosten voor vakantie en verzorging. De vrouw stelt dat de kosten van de kinderen totaal € 573,83 per maand bedragen en dat dit bedrag in mindering dient te worden gebracht op de uitgaven van de man, zodat een behoefte resteert van € 2.347,99 per maand, of van € 136,75 per maand (€ 2.347,99 -/- netto inkomen dat de man stelt van € 2.211,24).

5.

De man persisteert bij de door hem opgevoerde kosten zoals gespecificeerd in zijn verzoekschrift in eerste aanleg. Hij merkt op dat zijn uitgaven dienen te worden gesteld op

minimaal € 2.700,- per maand en dat met ingang van 1 januari 2013 de woonkostentoeslag is gestopt.

6.

Het hof overweegt als volgt. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden de behoefte van de man heeft vastgesteld op € 525,75 netto per maand, zijnde € 905,- bruto per maand. Het hof neemt deze gronden over en maakt ze tot de zijne. In hoger beroep zijn door de vrouw geen feiten en omstandigheden aangevoerd die naar het oordeel van het hof tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

Behoeftigheid man

7.

De vrouw kan zich niet verenigen met de conclusie van de rechtbank dat niet te verwachten is dat de man binnen afzienbare tijd geheel in zijn eigen levensonderhoud zal kunnen voorzien. De vrouw heeft recentelijk vernomen dat de man inkomsten uit arbeid heeft en dat zijn WWB-uitkering per 1 januari 2013 is beëindigd. De vrouw gaat er van uit dat de man werkzaam is bij het architectenbureau dat tegenover haar woning is gevestigd en dat hij in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. Verder blijft de vrouw erbij dat van de man, gezien zijn opleiding en werkervaring, gevergd kan worden dat hij volledig in zijn eigen levensonderhoud voorziet. Het verzoek van de man om partneralimentatie dient dan ook te worden afgewezen, aldus de vrouw.

8.

De man stelt dat zijn WWB-uitkering per 1 januari 2013 is geëindigd. Vanaf die datum is de man voor een periode van zeven maanden, derhalve tot 31 juli 2013, in loondienst tegen een bruto salaris van € 2.200,- per maand. Hij hoopt dat zijn arbeidscontract zal worden verlengd, maar stelt dat daar op dit moment nog niets over is te zeggen.

9.

Gelet op de door de man overgelegde stukken en hetgeen hij ter zitting naar voren heeft gebracht, is het hof van oordeel dat hij voldoende heeft aangetoond dat hij heeft getracht om volledig in zijn eigen levensonderhoud te voorzien, maar dat dit tot nu toe niet gelukt is. De man ontving tot 1 januari 2013 een WWB-uitkering en heeft vanaf 1 januari 2013 een tijdelijk arbeidscontract, tot 31 juli 2013. Hij ontvangt thans een bruto salaris van € 2.200,- per maand.

Het hof is van oordeel dat gezien de leeftijd van de man, zijn werkervaring en de huidige economische malaise op de arbeidsmarkt, met name in de branche waarin de man werkzaam is, alsmede gelet op het feit dat hij inmiddels een tijdelijke contract heeft waarvan niet vast staat dat het in juli 2013 wordt verlengd, niet van de man kan worden verwacht dat hij thans volledig in zijn eigen levensonderhoud voorziet.

Draagkracht vrouw

10.

De man voert aan dat de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de vrouw ten onrechte is uitgegaan van een bruto jaarinkomen van € 59.963,-. Bij de berekening van de draagkracht van de vrouw dient te worden uitgegaan van correcte financiële gegevens, hetgeen volgens de man in de onderhavige zaak betekent, dat minimaal uitgegaan moet worden van de balans, de winst- en verliesrekening, aangifte Inkomstenbelasting/PH en belastingaanslag Inkomstenbelasting/PH over voorafgaande belastingjaren i.c. 2010, 2011 en 2012. Tot nu toe heeft de vrouw nagelaten om deze stukken over te leggen. Op grond van procesreglement van de rechtbank in alimentatiezaken kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die hij geraden acht. Volgens de man betekent dit dat zijn verzoek om een partneralimentatie van € 3.000,- bruto per maand had moeten worden gehonoreerd.

11.

De vrouw kan de man niet volgen in zijn stellingen. Volgens de vrouw heeft zij haar inkomen op een andere wijze inzichtelijk gemaakt dan door overlegging van de door de man genoemde stukken omdat deze stukken op het moment van de procedure bij de rechtbank (nog) niet beschikbaar waren. De vrouw is van mening dat de rechtbank terecht van het door haar boekhouder berekende inkomen is uitgegaan.

Ook stelt de vrouw dat zij maandelijks een fluctuerend inkomen heeft, dat zij ernstige rugklachten heeft in verband met een hernia in het verleden en dat het inkomen dat zij in 2011 heeft gegenereerd niet representatief is voor het inkomen dat zij thans verdient of in de toekomst kan verdienen. Volgens de vrouw moet uitgegaan worden van een gemiddelde van haar inkomen van 2010 en 2011, aldus van een bruto jaar inkomen van € 49.718,50.

De vrouw stelt voorts dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de werkelijke woonlasten. De vrouw betaalt € 1.565,26 huur per maand. De vrouw is van mening dat, gezien de omstandigheden deze huur niet onredelijk is en bij haar draagkrachtberekening moet worden betrokken.

Daarnaast moet volgens de vrouw rekening worden gehouden met:

  • -

    premie arbeidsongeschiktheidsverzekering € 3.529,57 per jaar

  • -

    premie ziektekostenverzekering €  143,20 per maand

  • -

    eigen risico €  350,- per jaar

  • -

    inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekering €  242,38 per maand

De vrouw betoogt verder dat vast staat dat zij over haar bruto inkomen in 2010 tot en met 2012 inkomstenbelasting verschuldigd is. Volgens de vrouw dient in haar draagkrachtberekening rekening te worden gehouden met € 250,- per maand ter aflossing van deze aanslagen.

12.

Het hof is, gelet op de overgelegde stukken en het besprokene ter zitting, van oordeel dat de vrouw haar stellingen ten aanzien van haar draagkracht niet voldoende heeft onderbouwd. Het had op de weg van de vrouw gelegen om nadere verificatoire stukken, zoals de aangiftes Inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2012 en de daarbij behorende aanslagen Inkomstenbelasting, nader gespecificeerde stukken van haar lasten en een daarop gebaseerde opgestelde draagkrachtberekening, dan wel andere recente gegevens mede gelet op de ingangsdatum, te overleggen. Hetzelfde geldt voor de door de vrouw opgevoerde (belasting) schulden. De vrouw is door de man meerdere malen verzocht om financiële gegevens over te leggen. Ook is de (advocaat van) vrouw door het hof bij brief van 6 februari 2013 verzocht om financiële stukken over te leggen.

13.

Nu de vrouw geen, althans onvoldoende bescheiden heeft overgelegd omtrent haar financiële situatie, komt dat voor haar rekening en risico. Het hof is dan ook van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de vrouw niet in staat is de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie te voldoen.

14.

Het hof gaat voorbij aan de stelling van de man, die hij in hoger beroep heeft gehandhaafd, dat zijn behoefte op een hoger bedrag - € 3.000,- - zou moeten worden vastgesteld. Deze stelling heeft de man volgens de ter zitting gegeven toelichting slechts ingenomen om de vrouw te stimuleren gegevens over te leggen, maar is in het geheel niet onderbouwd.

15.

De overige stellingen van partijen behoeven geen bespreking meer, nu zij niet kunnen leiden tot een ander oordeel.

16.

Gelet op de familierechtelijke aard van de procedure zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren.

17.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Van Leuven en Pijls-olde Scheper, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 5 juni 2013.