Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:2841

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
12-06-2013
Datum publicatie
30-07-2013
Zaaknummer
200.123.102/01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing. Geen aanleiding tot nieuw onderzoek, gelet op de reeds verrichte onderzoeken en het belang van de minderjarige.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 261
Verdrag inzake de rechten van het kind 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 12 juni 2013

Zaaknummer : 200.123.102/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 12-3385

1.

[moeder],

hierna te noemen: de moeder, en

2.

[vader],

hierna te noemen: de vader,

beiden wonende te [woonplaats],

verzoekers in hoger beroep,

hierna ook gezamenlijk te noemen: de ouders,

advocaat mr. A.J.H.M. Hopmans te Rotterdam,

tegen

de Stichting Bureau Jeugdzorg te Rotterdam,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

In verband met het bepaalde in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

de pleegouders van de hierna te noemen minderjarige,

wonende op een bij Jeugdzorg bekend adres,

hierna te noemen: de pleegouders.

Als degene wiens verklaring in verband met de beoordeling van het verzoek van belang kan zijn, is aangemerkt:

Flexus Jeugdplein,

hierna te noemen: Flexus.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De ouders zijn op 7 maart 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van 10 december 2012 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

Jeugdzorg heeft op 6 mei 2013 een verweerschrift ingediend.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de ouders:

- op 16 mei 2013 een brief van 15 mei 2013 met bijlagen.

De raad heeft bij brief van 15 mei 2013 aan het hof laten weten niet ter zitting te zullen verschijnen.

De zaak is op 22 mei 2013 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de ouders, bijgestaan door hun advocaat;

  • -

    mevrouw D. Clarijs en mevrouw M. van der Kamp namens Jeugdzorg;

  • -

    mevrouw M. Kouwlen namens Flexus;

  • -

    mevrouw [pleegmoeder]en de heer [pleegvader] huidige pleegouders;

  • -

    mevrouw [voormalig pleegmoeder] en de heer [voormalig pleegvader], voormalig pleegouders.

De raad is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Het hof verwijst naar de bestreden beschikking.

Bij die beschikking zijn de ondertoezichtstelling en de duur van de machtiging tot plaatsing van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] (hierna te noemen: de minderjarige), in een vorm van pleegzorg verlengd tot 20 december 2013. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Het hof gaat uit van de door de kinderrechter vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1.

In geschil is de uithuisplaatsing van de minderjarige voor de periode van 20 december 2012 tot 20 december 2013 in een vorm van pleegzorg.

2.

De ouders verzoeken het hof, uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen met een half jaar en daaraan de voorwaarde te verbinden dat de ouders een onderzoek moeten ondergaan waarin onderzocht wordt wat hun pedagogische vaardigheden zijn en of er mogelijkheden zijn voor de ouders om de minderjarige met hulp van derden thuis op te voeden.

3.

Jeugdzorg verweert zich daartegen en verzoekt het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen en mitsdien het verzoek in hoger beroep, strekkende tot vernietiging van de beschikking, af te wijzen.

4.

De ouders voeren het volgende aan. De ouders zijn van mening dat de uithuisplaatsing ten onrechte is gebaseerd op verklaringen die pas ter zitting zijn gedaan, waardoor zij zich niet konden voorbereiden. Verder is er sprake van strijd met artikel 7 Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (verder: IVRK) nu er geen dringende reden aanwezig is om de minderjarige uit huis te plaatsen. De ouders wensen een nader onderzoek.

5.

Jeugdzorg is van mening dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is. De raad heeft in mei 2012 onderzoek gedaan naar de vraag of een uithuisplaatsing noodzakelijk is. Ook middels het uitwijktraject is gedegen onderzoek gedaan en is gebleken dat de ouders niet in staat zijn om – ondanks intensieve begeleiding – voor stabiliteit te zorgen en hun eigen situatie en hygiëne op peil te houden. Ook komen ouders gemaakte afspraken niet na. Er is daarom sprake van een dringende reden om af te wijken van artikel 7 IVRK, aldus Jeugdzorg. De minderjarige is voorts gebaat bij duidelijkheid.

6.

De voormalig pleegouders hebben ter zitting verklaard dat zij de minderjarige zestien maanden hebben verzorgd. Bij binnenkomst was de minderjarige verzwakt en hebben er meerdere dokters – en ziekenhuisbezoeken plaatsgehad. De maanden daarna is de minderjarige met sprongen vooruit gegaan. Het is een levendig meisje.

7.

De huidige pleegouders hebben ter zitting verklaard dat de minderjarige het goed doet bij hen. Ook de hechting verloopt goed, zo mogen de pleegouders de minderjarige troosten. Iedere vrijdag om 17.30 is er een belmoment met de ouders. Er zijn twee bezoeken geweest bij de huidige pleegouders thuis van 1,5 uur lang. De ouders zijn op tijd en ze spelen met de minderjarige.

8.

Flexus sluit zich aan bij de verklaringen van de huidige- en voormalige pleegouders. De minderjarige is op haar plek bij de huidige pleegouders. Er wordt haar een veilige en stabiele thuissituatie geboden. Ook de hechting komt goed tot stand.

Herstelfunctie appel

9.

Ten aanzien van de grief van de ouders, inhoudende, zakelijk weergegeven, dat zij in de procedure bij de rechtbank onvoldoende gehoord zijn, althans onvoldoende in de gelegenheid zijn geweest op verklaringen ter zitting te reageren, overweegt het hof dat de ouders in hoger beroep ten volle in de gelegenheid zijn geweest hun standpunt naar voren te brengen. Daardoor kan de feitelijke gang van zaken in eerste aanleg in het midden blijven en faalt de grief van de ouders.

Uithuisplaatsing: beperking in tijd en onderzoek

10.

Ten aanzien van de uithuisplaatsing overweegt het hof als volgt. Gelet op de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting verenigt het hof zich met het oordeel van de kinderrechter en de gronden waarop dat berust. Naar het oordeel van het hof zijn door de ouders in hoger beroep geen feiten of omstandigheden gesteld die een andere beslissing rechtvaardigen. Het hof neemt daarbij nog het volgende in aanmerking.

11.

Het hof is gebleken dat er thans drie momenten zijn geweest waarbij onderzoek is verricht naar de pedagogische vaardigheden en kwaliteiten van de ouders en de mogelijkheid om de minderjarige zelf op te voeden, te weten:

- oktober 2011 tot november 2011, waarbij een spoedonderzoek door de raad heeft plaatsgevonden naar de opvoedingsvaardigheden van de ouders. Op dat moment bestonden er grote zorgen over de veiligheid en hygiëne van de minderjarige;

- december 2011 tot 31 mei 2012, waarbij opnieuw onderzoek is gedaan door de raad naar de vraag of de minderjarige terug kan keren naar de ouders. Ook is een veiligheidsplan opgesteld. De situatie was in die periode niet zo dat de minderjarige naar huis kon;

- mei 2012 tot november 2012 waarbij het Uitwijktraject heeft plaatsgevonden met als doel zicht te krijgen op de opvoedingsvaardigheden van de ouders en te onderzoeken of de minderjarige op basis en met hulp van in te zetten begeleiding terug zou kunnen keren naar de ouders. Dit traject is mislukt.

12.

Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat een nieuw onderzoek op dit moment niet in het belang is van de minderjarige, nu reeds drie beoordelingsmomenten hebben plaatsgehad door twee, los van elkaar staande instanties en er geen indicatie aanwezig is dat het thans anders gaat in het gezin van de ouders dan tijdens genoemde onderzoeken. De uithuisplaatsing is dan ook nog altijd noodzakelijk in het belang van de minderjarige. Voorts is het hof ter zitting gebleken dat Jeugdzorg voornemens is een ontheffing van het ouderlijk gezag te vragen zodat in dat kader de mogelijkheden van de ouders opnieuw aandacht zullen krijgen. Het hof ziet geen aanleiding de duur van de uithuisplaatsing te bekorten teneinde op dit moment een onderzoek te bewerkstelligen.

IVRK

13.

Het hof passeert de stelling van de ouders dat de uithuisplaatsing van de minderjarige een onaanvaardbare inbreuk maakt op het recht op naam en nationaliteit; te weten het recht van het kind om door haar of zijn ouders te worden verzorgd (dat wordt gewaarborgd door artikel 7 IVRK). Naar het oordeel van het hof wordt deze inbreuk in onderhavig geval gerechtvaardigd door de bescherming van de belangen van de minderjarige.

14.

Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Van Dijk en Sierksma bijgestaan door mr. Pol als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 12 juni 2013.