Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:2672

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
23-07-2013
Datum publicatie
11-09-2013
Zaaknummer
200.035.308-01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSGR:2012:BV3770
Na verwijzing door: ECLI:NL:HR:2009:BG5846
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Causaal verband, art. 22 Rv., vordering schadestaat

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2013/106
NJF 2013/409
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling civiel recht

Zaaknummer: 200.035.308/01

Rolnummer Rechtbank Amsterdam: 304207 / HA ZA 04-3746

Rolnummer Gerechtshof Amsterdam: 1290/06

Hoge Raad: C08/00732HR,

ECLI:NL:HR:2009:BG5846

arrest van 23 juli 2013

inzake

[appellant],

wonende te Amsterdam,

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

advocaat: mr. Th. A. Velo te Utrecht,

tegen

Universiteit van Amsterdam,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de UvA,

advocaat mr. P.R.W. Schaink te Amsterdam.

Het geding

1.

Het hof verwijst naar zijn arrest van 17 januari 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BV3770, (hierna: het tussenarrest) waarbij een comparitie van partijen tot het inwinnen van inlichtingen en het beproeven van een minnelijke regeling is gelast.

De raadslieden hebben het hof op de volgende data brieven gestuurd:

  • -

    mr. Velo: 18 januari 2012, 3 februari 2012, 3 mei 2012 en 13 mei 2012

  • -

    mr. Schaink: 20 januari 2012 en 9 mei 2012.

Na deze correspondentie heeft het hof bij brief van 29 mei 2012 medegedeeld dat de op 4 juni 2012 geplande comparitie van partijen niet zou doorgaan en de zaak pro forma 53 weken zou worden aangehouden.

De raadslieden hebben vervolgens het hof op de volgende data brieven gestuurd:

- mr. Velo: 11 juni en 6 augustus 2012 (aankondiging) herinschrijving als advocaat,

21 juni 2012, 30 oktober 2012,

- mr. Schaink: 24 augustus 2012, 10 mei 2013.

Beide partijen hebben om arrest gevraagd, [appellant] ter rolle van 18 december 2012, UvA - die zich op de rol van die datum refereerde aan het oordeel van het hof - door middel van haar laatstvermelde brief.

Het hof rekent deze correspondentie tot de gedingstukken.

Beoordeling van het hoger beroep

2.

Het hof stelt voorop dat het in zijn tussenarrest heeft vastgesteld dat het, op de grondslag van de vordering van [appellant] ex artikel 6:162 in verbinding met artikel 7:658 BW (rov. 5.2), de verweren van de UvA alsnog dient te beoordelen (rov. 3.5). Het hof heeft geoordeeld dat de UvA haar zorgplicht jegens [appellant] heeft geschonden en (dus) onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld (rov. 5.6.2). Oordelend voorts dat het bewijs van het causaal verband op [appellant] ligt (rov. 5.9 in verbinding met rov. 5.4), heeft het hof vastgesteld dat [appellant] nogal summier gebleven was bij de onderbouwing van het causaal verband. Het hof heeft geinventariseerd welke medische verklaringen [appellant] ter onderbouwing in het geding had gebracht en welke stukken - in ieder geval - ontbraken (rov. 5.7.2) en heeft vervolgens overwogen dat door UvA genoemde omstandigheden “erop kunnen duiden dat andere (meer) relevante omstandigheden een rol gespeeld hebben.” Daarop heeft het hof, onder verwijzing naar artikel 22 Rv, [appellant] in de gelegenheid gesteld alsnog “zijn medische dossiers in het geding te brengen, waaronder - maar niet uitsluitend - (specialistische) geneeskundige rapportages, opgemaakt zowel in het kader van zijn psychiatrische opnames en behandelingen, zijn opname en behandeling/controle wegens morbus Bechterew en de complete huisartsenstatus (de “groene kaart”).” Het hof heeft voorts vermeld dat het overlegging door [appellant] wenst van de genees- en arbeidsdeskundige rapportages opgemaakt in het kader van zijn aanspraken op (vervolg)arbeidsongeschiktheidsuitkeringen. Rov. 5.10 ten slotte houdt in dat “(w)anneer het hof (na eventueel deskundigenbericht) tot het oordeel mocht komen dat de UvA aansprakelijk is, (…) het hof (…) niet voornemens (is) de zaak naar de schadestaatprocedure te verwijzen” in verband waarmee het hof een met stukken onderbouwde letselschadeberekening wenst te ontvangen.

3.1

[appellant] heeft bij brief van 21 juni 2012 enkele stukken in het geding gebracht, waaronder een partijdeskundigenrapportage van ‘:helder psychodiagnostiek’ van 18 mei 2012 (hierna: rapport ‘:helder psychodiagnostiek’). Mr Schaink heeft bij brief van 10 mei 2013 als het standpunt van UvA te kennen gegeven dat bij de afdoening middels eindarrest (het hof begrijpt:) het rapport ‘:helder psychodiagnostiek’ “uiteraard niet betrokken (kan) worden” omdat het hof daar niet om heeft gevraagd.

Het hof is van oordeel dat dit enkele feit geen reden oplevert om op het rapport ‘:helder psychodiagnostiek’ geen acht te slaan; het staat een partij immers binnen de grenzen van de goede procesorde vrij die stukken in het geding te brengen waarvan dat haar met het oog op haar processuele positie nuttig of nodig toeschijnt.

3.2

[appellant] heeft na het tussenarrest bij brief van 21 juni 2012 de volgende stukken in het geding gebracht:

i de reeds in dat tussenarrest geciteerde brieven van 19 april 2004 en 23 juni 2005;

ii een verzekeringsgeneeskundige rapportage van 20 maart 2002 die, onder verwijzing naar - een niet-overgelegde - rapportage van 29 augustus 1997, inhoudt “dat er geen aanzienlijke wijziging heeft plaatsgevonden in de arbeidsbelastbaarheid van [[appellant]]. [[appellant]] ondervindt nog altijd vele beperkingen en handicaps in het dagelijks persoonlijk en sociaal functioneren.” In de beschrijving wordt gemeld: “In 1996 viel [[appellant]] uit ten gevolge van psychische klachten. (…) De uitval in 1993 en 1995 waren het gevolg van dezelfde ziekte (…).”

iii een brief van het USZO van 14 januari 1998;

iv een brief van de psychiater dr. A. Vellinga, LTP Tesselschadestraat Mentrum, van 30 maart 2012,

v het rapport ‘:helder psychodiagnostiek’, welk rapport niet ondertekend is.

3.3

Het hof concludeert uit de in 3.2 ii genoemde rapportage dat de in het tussenarrest in rov. 5.6.1 onder iii genoemde arbeidsongeschiktheid wegens ziekte en ziekenhuisopname van september 1992 tot februari 1993, een psychische oorzaak had. Zulks is van belang aangezien gesteld noch gebleken is dat die ziekte en ziekenhuisopname een gevolg zijn geweest van tekortschieten van UvA jegens [appellant] en latere uitvallen uit het arbeidsproces een gevolg waren van dezelfde ziekte.

3.4

Artikel 22 Rv luidt als volgt:

“De rechter kan in alle gevallen en in elke stand van de procedure partijen of een van hen bevelen bepaalde stellingen toe te lichten of bepaalde, op de zaak betrekking hebbende bescheiden over te leggen. Partijen kunnen dit weigeren indien daarvoor gewichtige redenen zijn. De rechter beslist of de weigering gerechtvaardigd is, bij gebreke waarvan hij daaruit de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht.”

3.5

Hiervoor werd er reeds aan herinnerd dat het hof onder verwijzing naar dit artikel, [appellant] opgedragen heeft stukken in het geding te brengen. [appellant] heeft niet uitdrukkelijk geweigerd bepaalde(lijk in het tussenarrest genoemde) stukken over te leggen en hij heeft niet (in verband daarmee) een beroep op ‘gewichtige redenen’ gedaan. Niettemin heeft [appellant] er kennelijk welbewust voor gekozen in ieder geval de volgende stukken niet in het geding te brengen:

  1. . de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 29 augustus 1997, alsmede die (evt.) rapportages na 20 maart 2002;

  2. . alle arbeidsdeskundige rapportages;

  3. . de brieven en rapportages (anders dan opgesomd in rov 3.2) genoemd in het rapport ‘:helder psychodiagnostiek,’

  4. . alle stukken en rapportages met betrekking tot de ziekte morbus Bechterew waaraan [appellant] lijdt;

  5. . de huisartsenstatus.

3.6

Het niet-overleggen van deze stukken wordt niet voldoende gecompenseerd door het rapport ‘:helder psychodiagnostiek.’ Ten eerste is de status van het overgelegde rapport onduidelijk nu het niet is ondertekend. Ten tweede is het slechts een secundaire bron, afkomstig van een kennelijk niet in overleg tussen partijen of een door het hof benoemde, maar door uitsluitend [appellant] aangewezen deskundige die bovendien niet rapporteert aan de hand van daartoe bepaaldelijk opgestelde vragen. De enkele vraag naar “een” causaal verband tussen het arbeidsconflict en het hieruit voortkomende ontslag en de depressieve klachten van [appellant] en de beantwoording daarvan is te beperkt en de anamnese is uiterst summier. Daarbij betrekt het hof dat het, zoals gemeld in het tussenarrest, niet van plan was de zaak naar de schadestaatprocedure te verwijzen. Het hof wenste, in aanmerking genomen het procesverloop - het is al een verwijzingszaak - en de procesduur en met het oog op de aansprakelijkheid en de schadebegroting met name de discussie over het causaal verband in deze (hoofd)procedure gevoerd te hebben. Dat [appellant] verwijzing naar de schadestaatprocedure heeft gevorderd staat hieraan niet in de weg, vgl. het cassatiemiddel met de beslissing van de HR in onderhavige procedure alsmede - uitdrukkelijk - HR 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2229.

3.7

[appellant] is tekortgeschoten om, ter onderbouwing van het causaal verband, voldoende medische stukken in het geding te brengen en enige rechtvaardiging daarvoor is niet gebleken. Nu het hof in zijn tussenarrest bedoelde stukken uitdrukkelijk heeft genoemd, waarbij het hof heeft gewezen op artikel 22 Rv, ziet het hof geen aanleiding [appellant] hiertoe nogmaals in de gelegenheid te stellen en zal het hof, gelet op artikel 22 Rv, de vordering van [appellant] afwijzen.

[appellant] heeft bovendien, door het ontbreken van de gevraagde stukken, het causaal verband tussen het onzorgvuldig handelen van de UvA en zijn gezondheidsschade onvoldoende onderbouwd zodat ook op die, zelfstandige, grond zijn vordering moet worden afgewezen.

Het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 mei 2006 dient te worden bekrachtigd.

3.8

[appellant] wordt veroordeeld in de kosten van de procedure in appel, alsmede in de gereserveerde kosten van de cassatieprocedure.

De beslissing

Het hof:

rechtdoende na verwijzing

  • -

    bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Amsterdam van 3 mei 2006;

  • -

    veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van de UvA tot op heden begroot op € 381,44 aan verschotten en € 2.682,-- aan salaris advocaat;

  • -

    veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in cassatie, aan de zijde van de UvA tot op heden begroot op € 446,93 aan verschotten en € 2.600,-- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.W. van Rijkom, J.M.Th. van der Hoeven-Oud en V. Disselkoen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van het hof van 23 juli 2013 in aanwezigheid van de griffier.