Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:2635

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
27-06-2013
Datum publicatie
17-07-2013
Zaaknummer
22-004668-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid door zich met geweld, bestaande uit het met kracht bij de arm vastpakken, tegen een hoofdagent te verzetten.

Het Hof veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 300,- (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis. Daarnaast verlengt het Hof de proeftijd als vermeld in het vonnis van de politierechter in de rechtbank Dordrecht met parketnummer 11-246683-11, met een termijn van 1 (één) jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer:22-004668-12

Parketnummers: 11-089102-12 en 11-246683-11 (TUL)

Datum uitspraak: 27 juni 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Dordrecht van 1 oktober 2012 en de van dat vonnis deel uitmakende beslissing op de vordering tot tenuitvoerlegging in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Dominicaanse Republiek) op [geboortejaar] 1989,

thans zonder bekende vaste woon- of verblijfplaats hier te lande.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 13 juni 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het ten laste gelegde veroordeeld tot een geldboete van € 300,-, subsidiair 6 dagen vervangende hechtenis. Voorts is er een beslissing genomen omtrent de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 21 april 2012 te Dordrecht, zich met geweld en/of bedreiging met geweld heeft verzet tegen (een) ambtena(a)r(en), te weten [benadeelde partij 1] (brigadier) en/of [benadeelde partij 2] (brigadier) en/of

[benadeelde partij 3] (hoofdagent) en/of [benadeelde partij 4] (aspirant), (allen) werkzaam bij de politie Zuid-Holland-Zuid, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar/hun bediening,

namelijk na het ter plaatse komen naar aanleiding van een melding mishandeling en/of het (vervolgens) door voornoemde politieambtena(a)r(en) onttrekken van hem, verdachte, aan een worsteling met een vrouw (zijnde de vriendin van verdachte) en/of het (vervolgens) door voornoemde politieambtena(a)r(en) vastpakken van hem, verdachte,

door opzettelijk gewelddadig die [benadeelde partij 3] (met kracht) bij de (rechter)arm (vast) te pakken.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Standpunt van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd en dat de verdachte ter zake van het ten laste gelegde zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 300,-, subsidiair 6 dagen vervangende hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het aan de verdachte ten laste gelegde niet kan worden bewezen en dat de verdachte mitsdien moet worden vrijgesproken. De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de politieambtenaren waartegen de verdachte zich zou hebben verzet niet werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Hij heeft daartoe aangevoerd – kort gezegd - dat de verdachte op het moment van het jegens hem toegepaste geweld redelijkerwijs niet meer als verdachte kon worden aangemerkt, nu zowel hij als zijn (ex)vriendin hadden aangegeven dat er niets aan de hand was, dat er technisch gezien geen sprake was van staande houden, en dat het door de agenten toegepaste geweld (bestaande uit het vastpakken van de keel en het toedienen van een drietal kniestoten) niet proportioneel en derhalve niet rechtmatig was. Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de aan de verdachte verweten gedraging (het vastpakken van een arm) niet kan worden aangemerkt als geweld.

Door het hof op basis van wettige bewijsmiddelen vastgestelde feiten en omstandigheden

Uit het ambtsedige proces-verbaal van bevindingen van de politie Zuid-Holland-Zuid d.d. 22 april 2012, met nummer PL1810 2012037048-4, opgemaakt in de wettelijke vorm door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren (zie pagina 10 en 11 van het zaaksdossier), leidt het hof de volgende feiten en omstandigheden af.

Op 21 april 2012 kregen verbalisanten van de Gemeenschappelijke Meldcentrale de opdracht te gaan naar de woning gelegen aan de [adres] in Dordrecht. Aldaar zouden omwonenden van genoemd pand horen dat hun buurvrouw in elkaar werd geslagen. De klappen waren hoorbaar voor hen. Dit zou in het verleden vaker zijn gebeurd.

Nog voordat de verbalisanten bij de betreffende woning konden aanbellen, hoorden zij een hoop geschreeuw uit de woning komen. Direct daarna zagen zij dat de voordeur openging. In de deuropening verscheen een man, die later bleek te zijn genaamd [verdachte], geboren op [geboortejaar] 1989 te [geboorteplaats] (Dominicaanse Republiek). De verbalisanten zagen dat [verdachte] de woning uitstapte. Vervolgens zagen zij een vrouw achter [verdachte] verschijnen.

De verdachte heeft blijkens het proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 22 april 2012, met nummer PL1810 2012037048-5, tegenover de politie verklaard dat die vrouw zijn vriendin is (zie pagina 7 van het zaaksdossier).

De verbalisanten zagen dat er een worsteling ontstond tussen [verdachte] en de vrouw. De verbalisanten [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 3] (hoofdagent) pakten [verdachte] daarop bij zijn rechterarm en schouder vast en trokken hem bij de vrouw vandaan. De verbalisanten zagen dat [verdachte] vervolgens aanstalten maakte om langs hen heen te lopen. Om te voorkomen dat [verdachte] zich aan zijn staande houding zou onttrekken, pakte [benadeelde partij 3] [verdachte] met beide handen vast bij zijn schouders. De verbalisanten hoorden [verdachte] schreeuwen dat [benadeelde partij 3] hem los moest laten. [benadeelde partij 3] zag en voelde dat [verdachte] hem krachtig bij zijn rechterarm vastpakte. [benadeelde partij 3] zei tegen [verdachte] dat hij hem los moest laten. [verdachte] verstevigde vervolgens zijn greep. Om het verzet te staken, greep [benadeelde partij 3] [verdachte] om zijn hals. Hij gebood [verdachte] nogmaals hem los te laten. [verdachte] voldeed daar niet aan. Verbalisant [benadeelde partij 4] trachtte ondertussen de hand van [verdachte] los te krijgen. De greep van [verdachte] was echter zo stevig, dat hem dat niet lukte. Daarop gaf verbalisant [benadeelde partij 1] [verdachte] meerdere knietjes in de buikstreek, teneinde zijn verzet te breken. De verbalisanten zagen dat [verdachte] zijn greep op verbalisant [benadeelde partij 3] vervolgens losliet.

Het oordeel van het hof

Het hof is van oordeel op basis van de genoemde feiten en omstandigheden dat de verbalisanten werkzaam waren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening. Het hof steunt zijn oordeel op de inhoud van de aan de politie gedane melding alsmede de confrontatie die verdachte had met zijn vriendin waarvan de verbalisanten getuigen waren toen zij in de buurt van de voordeur stonden. De uiteengezette gang van zaken vormde naar het oordeel van het hof voldoende grond voor een verdenking ter zake van mishandeling. Dat er voorts geen sprake zou zijn geweest van een staandehouding is het hof niet gebleken.

Het hof is verder van oordeel dat het door verbalisant [benadeelde partij 3] voorafgaand aan het verzet van de verdachte toegepaste geweld, bestaande uit het met beide handen vastpakken bij de schouders, onder de gegeven omstandigheden, niet disproportioneel was. Ook het daarna door de verbalisanten toegepaste geweld (knietjes) was naar het oordeel van het hof niet disproportioneel, omdat dat noodzakelijk was om een van de verbalisanten los te krijgen uit de greep van de verdachte.

Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat het (door de verdachte) met kracht bij de arm (van de verbalisant) vastpakken kan worden aangemerkt als geweld in de zin van artikel 180 van het Wetboek van Strafrecht. Onder geweld in de zin van dat artikel verstaat het hof feitelijk, handtastelijk optreden dat de voltooiing van de werkzaamheid van de ambtenaar fysiek onmogelijk wil maken (zie in dit verband Noyon, Langemeijer & Remmelink, Wetboek van Strafrecht, aant. 7 bij art. 180 Sr, bijgewerkt tot 9 februari 2009).

Het hof acht op grond van genoemde feiten en omstandigheden in onderlinge samenhang bezien dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 21 april 2012 te Dordrecht, zich met geweld heeft verzet tegen een ambtenaar, te weten [benadeelde partij 3] (hoofdagent), werkzaam bij de politie Zuid-Holland-Zuid, werkzaam in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening,

namelijk na het ter plaatse komen naar aanleiding van een melding mishandeling en het vervolgens door voornoemde politieambtenaar onttrekken van hem, verdachte, aan een worsteling met een vrouw (zijnde de vriendin van verdachte) en het vervolgens door voornoemde politieambtenaar vastpakken van hem, verdachte,

door opzettelijk gewelddadig die [benadeelde partij 3] met kracht bij de rechterarm vast te pakken.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Wederspannigheid.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsook op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan wederspannigheid door zich met geweld, bestaande uit het met kracht bij de arm vastpakken, tegen een hoofdagent te verzetten. Dergelijk gedrag bemoeilijkt op onaanvaardbare wijze het werk van politieambtenaren.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 juni 2013, waaruit blijkt dat hij eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder geweldsdelicten. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden het onderhavige feit te plegen.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke geldboete van na te melden hoogte een passende en geboden reactie vormt.

Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Vordering tenuitvoerlegging

Bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Dordrecht van 20 december 2011 onder parketnummer 11-246683-11 is de verdachte veroordeeld tot - onder meer -een gevangenisstraf voor de duur van 1 week, met bevel dat die gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich vóór het einde van de proeftijd van 2 jaren niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat de proeftijd met één jaar zal worden verlengd.

In hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte de genoemde algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft immers het in de onderhavige strafzaak bewezen verklaarde feit begaan terwijl de hiervoor bedoelde proeftijd nog niet was verstreken. De vordering is derhalve in beginsel gegrond.

Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken, is het hof evenwel met de advocaat-generaal van oordeel dat de proeftijd met één jaar moet worden verlengd.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23, 24, 24c, 63 en 180 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 300,- (driehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 6 (zes) dagen hechtenis.

Verlengt de proeftijd als vermeld in het vonnis van de politierechter in de rechtbank Dordrecht met parketnummer 11-246683-11, met een termijn van 1 (één) jaar.

Dit arrest is gewezen door mr. W.P.C.M. Bruinsma, mr. M.I. Veldt-Foglia en mr. C.J. van der Wilt, in bijzijn van de griffier mr. H. Biemond.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 27 juni 2013.