Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:2625

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-05-2013
Datum publicatie
17-07-2013
Zaaknummer
22-000731-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 eerste en tweede cumulatief (wederrechtelijke toeeigening van goederen/geld), en 6 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Tevens wordt de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

PROMIS

Rolnummer: 22-000731-10

Parketnummer: 09-925858-09

Datum uitspraak: 8 mei 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 27 januari 2010 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1988,

[adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

4 juli 2011, 5 juli 2011, 25 augustus 2011, 9 augustus 2012, 15 april 2013 en 24 april 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4, 5 eerste en tweede cumulatief en 6 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van drie jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is een beslissing genomen omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen alsmede de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling als nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.


hij op of omstreeks 24 augustus 2009 te Zoetermeer met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een halsketting en/of een armband en/of drie ringen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het zeggen tegen die [benadeelde partij 1] "Je loopt mee anders sla ik je gewoon" en/of het slaan van die [benadeelde partij 1] in het gezicht (waardoor deze ten val kwam) en/of het kapottrekken van de halsketting en/of de armband en/of het van de vingers aftrekken van de ringen van die [benadeelde partij 1];

2.


hij op of omstreeks 13 augustus 2009 te Zoetermeer met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een ketting en/of een ring en/of EUR 10,-, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde partij 2], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het zeggen tegen die [benadeelde partij 2] "Als je die ketting niet geeft, sla ik je hersens in" en/of "Ik heb ook een wapen bij mij, een mes";

3.


hij op of omstreeks 17 augustus 2009 te Zoetermeer met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 3] heeft gedwongen tot de afgifte van een portemonnee (inhoudende EUR 40,-), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde partij 3], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het zeggen tegen die [benadeelde partij 3] dat hij mee moest lopen anders zou hij in elkaar worden geslagen en in het water worden gegooid en/of dreigen die [benadeelde partij 3] te gaan slaan;

4.


hij op of omstreeks 19 augustus 2009 te Zoetermeer met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 4] heeft gedwongen tot de afgifte van EUR 150,-, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde partij 4], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het zeggen tegen die [benadeelde partij 4] "Geef me je geld anders sla ik je tanden er uit" en/of "Ik laat je tanden eten" en/of die [benadeelde partij 4] vastpakken bij zijn arm en/of meetrekken van de trap;

5.


hij op of omstreeks 17 september 2009 te Zoetermeer met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen geld (ongeveer EUR 10,-), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [benadeelde partij 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 5], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het schelden tegen die [benadeelde partij 5] en/of tegen die [benadeelde partij 5] zeggen dat hij mee moest lopen en/of aan die [benadeelde partij 5] vragen of hij geld bij zich had;

en/of

hij op of omstreeks 17 september 2009 te Zoetermeer met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 5] heeft gedwongen tot de afgifte van een armband en/of een ketting en/of een I-pod, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde partij 5], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het tegen die [benadeelde partij 5] schelden en/of zeggen tegen die [benadeelde partij 5] dat hij hem gek maakte en dat die [benadeelde partij 5] mee moest lopen en/of zeggen tegen die [benadeelde partij 5] "Laat ik mijn pistool niet moeten pakken" en/of "Geef me die armband" en/of "Doe je ketting af" en/of "Geef die (I-pod) ook maar", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking”;

6.


hij op of omstreeks 29 september 2009 te Zoetermeer met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [benadeelde partij 6] heeft gedwongen tot de afgifte van twee ringen, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [benadeelde partij 6], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld bestond(en) uit het zeggen tegen die [benadeelde partij 6] dat hij, verdachte, een mes bij zich had en/of dat die [benadeelde partij 6] zijn ringen beter kon geven anders zou hij die [benadeelde partij 6] neersteken en/of anders zou hij helemaal gek worden en/of met een hand naar zijn broekzak gaan en/of zeggen "Als je zo doorgaat neem ik je ringen mee. Je flipt echt mijn hoofd en anders steek ik je neer en neem ik je ringen mee" en/of "Als je nu niet luistert steek ik je gewoon neer, dus je kan beter hier blijven, dat is beter voor jezelf".

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 ten laste gelegde wordt vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 4, 5 eerste en tweede cumulatief, en 6 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van een jaar en acht maanden, met aftrek van voorarrest.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Door de raadsvrouw van de verdachte is – overeenkomstig haar overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen - primair bepleit dat het openbaar ministerie ten aanzien van alle feiten niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte, nu er in de onderhavige zaak door de met de opsporing belaste ambtenaren ernstig en onherstelbaar inbreuk is gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust dan wel met een grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan zijn recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Ter adstructie van dit verweer heeft de raadsvrouw aangevoerd dat – zakelijk weergegeven - de betrokken verbalisanten met betrekking tot de in het onderhavige onderzoek georganiseerde fotoconfrontaties op diverse punten onjuist, onvolledig en deels in strijd met de geldende regelgeving hebben gehandeld. Daarnaast is door de betrokken verbalisanten op diverse voor de hand liggende punten niet doorgerechercheerd. Ten slotte schort er volgens de raadsvrouw het een en ander aan de wijze waarop de betrokken verbalisanten verklaringen van aangevers en getuigen hebben geparafraseerd.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Het hof stelt op basis van het procesdossier, zoals daarvan is gebleken tijdens het onderzoek ter terechtzitting, vast dat het opsporingsonderzoek naar de aan de verdachte ten laste gelegde feiten diverse tekortkomingen kent. Het onderzoek is niet met de zorgvuldigheid en nauwgezetheid uitgevoerd die in een zaak als deze van de betrokken politieambtenaren mag worden verwacht. Het hof wil aannemen dat de politie in Zoetermeer zich in 2009 geconfronteerd zag met een zo grote hoeveelheid straatroven, dat zij genoodzaakt was om voortvarend op zoek te gaan naar hen die als verdachte van deze overvallen zouden kunnen worden aangemerkt. Een dergelijke voortvarendheid mag er echter niet toe leiden dat onzorgvuldig en onvolledig onderzoek wordt verricht. Daarvan is naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak wel sprake. Dit raakt naar het oordeel van het hof de betrouwbaarheid van het onderzoeksresultaat, maar niet de rechtmatigheid daarvan. Immers, de strekking van het door de politie geschonden Besluit toepassing maatregelen in het belang van het onderzoek is het waarborgen van de betrouwbaarheid van het onderzoeksresultaat; in dit geval een betrouwbare herkenning van de verdachte door middel van een fotoconfrontatie. Het niet-naleven van de in genoemd besluit vervatte regels leidt daarom in de onderhavige zaak – anders dan door de raadsvrouw

betoogd – niet tot een schending van de beginselen van een goede procesorde. Hetgeen de raadsvrouw overigens aan haar primaire verweer ten grondslag heeft gelegd, rechtvaardigt evenmin – ook niet bezien in samenhang met hetgeen hiervoor omtrent de fotoconfrontaties is geoordeeld – de conclusie dat sprake is van een schending van de beginselen van een goede procesorde. Het onderzoek is onzorgvuldig en onvolledig, maar ook niet meer dan dat. Het verweer wordt daarom verworpen.

Bewijsuitsluiting van de resultaten van de fotoconfrontaties

Door de raadsvrouw van de verdachte is – overeenkomstig haar overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitaantekeningen - subsidiair bepleit dat alle resultaten van de fotoconfrontaties van het bewijs dienen te worden uitgesloten, nu deze – zoals hiervoor reeds overwogen - in strijd met de toepasselijke regelgeving zijn uitgevoerd en de resultaten daarvan derhalve als onvoldoende betrouwbaar dienen te worden aangemerkt.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Twee politieambtenaren hebben in het onderzoek naar een reeks van straatroven fotoconfrontaties georganiseerd. Hierbij zijn de aangevers geconfronteerd met een hoeveelheid foto’s van personen. Deze foto’s werden één voor één en in aanwezigheid van telkens één van de bedoelde politieambtenaren aan de aangevers getoond met de vraag of zij op die foto’s de dader herkenden. Naar aanleiding van nader – door de verdediging geëntameerd – onderzoek is komen vast te staan dat de betrokken politieambtenaren ten tijde van deze opsporingsconfrontaties wisten dat de verdachte in het onderzoek reeds als verdachte in beeld was. Ook wisten zij hoe de verdachte eruit zag. Zij hebben dit beide ten overstaan van de rechter-commissaris ontkend, maar het hof stelt met onderzoeker Israels vast dat die ontkenning wordt ontkracht door wat zich in het procesdossier bevindt. Zowel verbalisant [benadeelde partij 4] als verbalisant [verbalisant] zijn reeds in een eerder onderzoek tegen [verdachte] in 2008 doende geweest met diverse fotoconfrontaties waarin [verdachte] als verdachte was betrokken en eveneens als dader was herkend. Ten aanzien van verbalisant [benadeelde partij 4] ziet het hof in de identificatie van [verdachte] in de zaak van aangever [benadeelde partij 1] een onweerlegbare aanwijzing dat [benadeelde partij 4] zich bij elke volgende fotoconfrontatie bewust moet zijn geweest van de omstandigheid dat [verdachte] wederom in verband werd gebracht met straatroven. Ten aanzien van de uitgevoerde fotoconfrontaties waarbij verbalisant [verbalisant 2] was betrokken, overweegt het hof dat uit zijn verhoor bij de rechter-commissaris d.d. 13 januari 2011 volgt dat hij vóór de fotoconfrontaties reeds bekend was met [verdachte], nu dit een naam was die vaker circuleerde op het politiebureau. Voorts volgt uit het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 november 2009 (blz. 297 van het doorgenummerde strafdossier) en bijgevoegd verslag van opsporingsconfrontatie dat verbalisant [verbalisant 2] bij de fotoconfrontatie handmatig de foto van [verdachte] aan de fotoselectie heeft toegevoegd.

In meergenoemd besluit is onder meer de gedachte vervat dat een opsporingsconfrontatie slechts wordt uitgevoerd wanneer er nog geen verdachte in beeld is. Tevens geldt als regel dat bij het uitvoeren van een bewijsconfrontatie deze wordt uitgevoerd door een politieambtenaar die niet weet wie van de op de door hem getoonde foto’s weergegeven personen als verdachte in beeld is. Achterliggende gedachte hierbij is dat op die manier wordt voorkomen dat een politieambtenaar bewust of onbewust het waarnemingsproces en daarmee een eventuele herkenning door een getuige beïnvloedt.

In het onderzoek naar de feiten 2 tot en met 5 is telkens een fotoconfrontatie gehouden door en in aanwezigheid van een politieambtenaar die wist dat de verdachte als verdachte in beeld was en die ook wist hoe de verdachte eruit zag. De herkenningen door aangevers en getuigen die op die fotoconfrontaties zijn gevolgd kunnen zijn beïnvloed door bewuste of onbewuste gedragingen van de betrokken politieambtenaren. Dit doet ernstig afbreuk aan de betrouwbaarheid van die herkenningen. Naar het oordeel van het hof kunnen in deze zaak de herkenningen die het gevolg zijn van manifest ondeugdelijk georganiseerde fotoconfrontaties niet voor het bewijs worden gebruikt, reden waarom het hof in de onderhavige zaak alle vorenbedoelde herkenningen buiten beschouwing laat.

Vrijspraak van het onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde

Het hof overweegt dat, nu de resultaten van de fotoconfrontaties niet voor het bewijs worden gebezigd, het procesdossier onvoldoende wettig bewijs bevat dat de verdachte de hem onder 2 tot en met 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan. Het hof is derhalve van oordeel dat de verdachte van het hem onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde behoort te worden vrijgesproken.

Vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde

Het hof overweegt dat ten aanzien van dit feit alle belastende bewijsmiddelen voortkomen uit één bron, namelijk de aangever. Het bewijs van het ten laste gelegde kan niet slechts op de verklaring van één persoon worden gebaseerd. Het hof is derhalve met de raadsvrouw van oordeel dat ten aanzien van het aan de verdachte onder 1 ten laste gelegde onvoldoende wettig bewijs bestaat, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Vrijspraak van het onder 5, eerste en tweede cumulatief en 6 ten laste gelegde

Het gevolg van wat het hof hiervoor met betrekking tot de fotoconfrontaties heeft overwogen is dat ook de herkenning door de aangever van feit 5 niet voor het bewijs zal worden gebruikt. Het gevolg daarvan is dat met betrekking tot feit 5 slechts de herkenning door verbalisant [benadeelde partij 4] steun biedt aan de aangifte. Dit geldt eveneens voor feit 6. [benadeelde partij 4] stelt de verdachte te hebben herkend op door camera’s vastgelegde beelden. De verdediging heeft de juistheid en de betrouwbaarheid van deze herkenningen betwist, en heeft verzocht om de originele – bewegende - beelden aan het procesdossier toe te voegen. Het openbaar ministerie heeft moeten constateren dat de gegevensdragers met daarop de bewuste beelden in het ongerede zijn geraakt. Het hof dient daarom de herkenningen door [benadeelde partij 4] op betrouwbaarheid te toetsen aan de hand van onduidelijke fotokopieën. Met de raadsvrouw is het hof van oordeel dat aan de hand van die fotokopieën niet kan worden beoordeeld of [benadeelde partij 4] in redelijkheid de weergegeven persoon als de verdachte heeft kunnen herkennen. Onder die omstandigheden zal het hof ook deze herkenningen niet voor het bewijs gebruiken. Het gevolg hiervan is dat ook ten aanzien van wat de verdachte onder 5, eerste en tweede cumulatief, en 6 is ten laste gelegd voldoende wettig bewijs ontbreekt. De verdachte zal daarom ook van deze feiten worden vrijgesproken.

Voorwaardelijke verzoeken

Ten aanzien van de door de raadsvrouw ter terechtzitting in hoger beroep gedane voorwaardelijke verzoeken, overweegt het hof dat deze verzoeken – nu de voorwaarde waaronder zij zijn gedaan niet is ingetreden - geen nadere bespreking behoeven.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft zich ten aanzien van het aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 1.060,-.

De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep

niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de benadeelde partij opnieuw in haar vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Nu de verdachte ter zake van het onder 2 ten laste gelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 6]

De benadeelde partij heeft zich ten aanzien van het aan de verdachte onder 6 ten laste gelegde in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 1.200,-.

De benadeelde partij is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd dat de benadeelde partij opnieuw in haar vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Nu de verdachte ter zake van het onder 6 ten laste gelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

De benadeelde partij heeft zich ten aanzien van het aan de verdachte onder 3 ten laste gelegde in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding ter hoogte van € 40,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van € 40,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.

Nu de verdachte ter zake van het onder 3 ten laste gelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in de vordering.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op de verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling

De officier van justitie heeft ter terechtzitting in eerste aanleg van 27 januari 2010 gevorderd dat de rechtbank de voorwaardelijke invrijheidstelling geheel herroept wegens het niet naleven van de daaraan verbonden voorwaarden.

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 15 april 2013 gepersisteerd bij de in eerste aanleg ingediende en toegewezen vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling.

Nu de verdachte integraal zal worden vrijgesproken en niet is vast komen te staan dat de verdachte de algemene voorwaarde heeft overtreden, zal de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 eerste en tweede cumulatief, en 6 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 6] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Wijst af de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidsstelling.

Dit arrest is gewezen door mr. R.M. Bouritius, mr. S.A.J. van 't Hul en mr. M.M. van der Nat, in bijzijn van de griffier mr. V.C. Kool.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 8 mei 2013.

De jongste raadsheer en de griffier zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.