Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:2621

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
20-06-2013
Datum publicatie
17-07-2013
Zaaknummer
22-001818-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Hof wijst af de vordering van het openbaar ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in Heineken-zaak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-001818-10 PO

Parketnummer: 09-755068-07

Datum uitspraak: 20 juni 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 12 maart 2010 in de ontnemingszaak tegen de veroordeelde:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortejaar] 1949,

[adres].

Procesgang in de ontnemingszaak

De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij vonnis van 12 maart 2010 het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vastgesteld op € 2.334.584,- en ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel aan de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van eenzelfde bedrag.

Namens de veroordeelde is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Beslissing in de strafzaak tegen de veroordeelde

Bij vonnis van de meervoudige kamer voor strafzaken van de rechtbank te 's-Gravenhage van 29 augustus 2008 is de veroordeelde, voor zover hier van belang, ter zake van het in zijn strafzaak bewezen verklaarde, gekwalificeerd als:

Medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd,

veroordeeld tot straf.

Onderzoek van de zaak

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van 28 januari 2013 en 6 juni 2013.

De vordering van het openbaar ministerie

De in eerste aanleg ingediende vordering van het openbaar ministerie houdt in dat aan de veroordeelde de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van in totaal € 2.334.584,-, ter ontneming van het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel uit de in zijn strafzaak bewezen verklaarde feiten.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot afwijzing van de vordering, en van hetgeen namens de veroordeelde naar voren is gebracht.

Beoordeling van het vonnis

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Beoordeling van de vordering

Ter terechtzitting in hoger beroep van 6 juni 2013 is gebleken dat de rechtbank ’s-Gravenhage, sector civiel recht, op 9 november 2011 een vonnis bij verstek heeft gewezen. In die zaak trad Heineken Nederland B.V., mede handelend als lasthebber van de besloten vennootschap Heineken Beer Systems B.V. (hierna te noemen: Heineken), op als eiseres en was de veroordeelde de gedaagde. In dit vonnis wordt de gedaagde veroordeeld om een bedrag van € 2.557.205,04, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten, aan Heineken te betalen. Uit het exploit van betekening blijkt dat dit vonnis op 29 november 2012 door de deurwaarder aan de veroordeelde is betekend en dat dit vonnis, blijkens een e-mailbericht van Heineken d.d. 5 juni 2013, inmiddels onherroepelijk is geworden. Dit is ter terechtzitting niet betwist door de veroordeelde en ook anderszins is niet gebleken dat de veroordeelde tijdig hoger beroep zou hebben ingesteld. Gelet op het bepaalde in artikel 36e, achtste lid, van het Wetboek van Strafrecht, dient het civiel toegewezen bedrag dan ook in mindering te worden gebracht op de ontnemingsvordering. Nu het civiel toegewezen bedrag een hoger bedrag bedraagt dan de ontnemingsvordering dient de vordering, overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal, te worden afgewezen.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Wijst af de vordering van het openbaar ministerie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

Dit arrest is gewezen door mr. N. Schaar, mr. T.W.H.E. Schmitz en mr. H. van den Heuvel, in bijzijn van de griffier mr. R.W. van Zanten.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 20 juni 2013.