Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:2597

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
08-05-2013
Datum publicatie
17-09-2013
Zaaknummer
200.121.218-01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ondertoezichtstelling; opheffing daarvan nu gronden niet langer aanwezig zijn

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Afdeling Civiel recht

Uitspraak : 8 mei 2013

Zaaknummer : 200.121.218/01

Rekestnummer rechtbank : JE RK 12-3220

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. A.C. van ʼt Hek te Bleiswijk,

tegen

de raad voor de kinderbescherming te Rotterdam,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbende zijn aangemerkt:

1.

[naam],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader;

2.

de Stichting Bureau Jeugdzorg Stadsregio Rotterdam,

hierna te noemen: Jeugdzorg.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 1 februari 2013 in hoger beroep gekomen van een beschikking van
6 november 2012 van de kinderrechter in de rechtbank Rotterdam.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

van de zijde van de moeder:

  • -

    op 9 april 2013 een brief van diezelfde datum met bijlagen;

  • -

    op 24 april 2013 een brief van diezelfde datum met bijlage;

van de zijde van Jeugdzorg:

- op 25 april 2013 een brief van 23 april 2013.

De zaak is op 8 mei 2013 mondeling behandeld.

Ter zitting waren aanwezig:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de heer J. Kuhn namens de raad;

  • -

    de vader;

  • -

    mevrouw P.S.E. Teeuwkens en mevrouw A.W. Cullens namens Jeugdzorg.

De heer Kuhn heeft namens de raad een briefrapport van de raad van 6 mei 2013 overgelegd.

Het hof heeft ter zitting mondeling uitspraak gedaan.

PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking. Bij die beschikking zijn – uitvoerbaar bij voorraad – de minderjarige [naam], geboren [in] 2011 te [geboorteplaats], en de (toen nog) ongeboren vrucht onder toezicht gesteld van Jeugdzorg voor de duur van acht maanden, derhalve tot 6 juli 2012, en is de behandeling van de zaak in afwachting van een aanvullende rapportage van de raad voor het overige aangehouden.

Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 25 januari 2013 is de bestreden beschikking verbeterd in die zin dat gelezen dient te worden dat de ondertoezichtstelling tot 6 juli 2013 is uitgesproken.

[in] 2013 is [naam] geboren.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1.

In geschil is de ondertoezichtstelling van [naam], geboren [in] 2011 te [geboorteplaats], en [naam], geboren [in] 2013 te [geboorteplaats] (verder gezamenlijk: de minderjarigen), tot 6 juli 2013.

2.

De moeder verzoekt het hof de bestreden beschikking – indien mogelijk uitvoerbaar bij voorraad – te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de ondertoezichtstelling van de minderjarigen zal worden beëindigd per eerst mogelijke datum beschikking van het hof wegens onvoldoende daarvoor bestaande gronden.

3.

Volgens de moeder is de ondertoezichtstelling louter en alleen ingegeven door de valse aangifte van de moeder tegen de vader. De moeder heeft de aangifte gedaan, omdat zij dacht dat de vader vreemd was gegaan en zij hem dit betaald wou zetten. In de haast om haar plan ten uitvoer te brengen moet zij warrig zijn overgekomen. Daarnaast heeft de moeder lange tijd een tekort aan B12-vitamines gehad, wat tot depressiviteit leidt. De vader is een huisverbod opgelegd en er dreigde een onterechte strafrechtelijke veroordeling, terwijl hij een liefhebbende vader en partner is. Er was geen sprake van een concrete ernstige bedreiging van de geestelijke belangen van de minderjarigen. Volgens de huisarts, het consultatiebureau en de verloskundige maken de minderjarigen het goed en volgt de moeder de adviezen en aanwijzingen goed op.

4.

De vader stelt dat hij en de moeder de dingen hebben uitgesproken en dat zij de gebeurtenissen rond de valse aangifte en de daaropvolgende ondertoezichtstelling graag achter zich willen laten.

5.

Uit de brief van Jeugdzorg van 23 april 2013 blijkt dat Jeugdzorg van mening is dat er geen zorgsignalen zijn waarop verlenging van de ondertoezichtstelling gebaseerd zou kunnen worden. Het gaat goed met het gezin en er hebben zich geen nieuwe incidenten voorgedaan. De verzorging en begeleiding van de minderjarigen oogt goed. Hoewel de relatie tussen de ouders onder druk heeft gestaan door de aangifte en de ondertoezichtstelling, is deze al snel gestabiliseerd. De ouders wensen een rustig gezinsleven met hun twee zoontjes en worden daarin gesteund door de grootouders. De ouders schamen zich voor het feit dat de minderjarigen in hun beleving voor niets onder toezicht zijn gesteld.

6.

De raad stelt in het voorgaande onderzoek zorgen te hebben gehad over de agressieregulatie van de vader en het feit dat de moeder aangifte tegen de vader had gedaan. Gelet op deze zorgen en het feit dat de ouders niet gemotiveerd waren voor hulpverlening in een vrijwillig kader waardoor de veiligheid van de minderjarigen niet gewaarborgd kon worden, heeft de raad een verzoek tot ondertoezichtstelling gedaan. Thans is echter sprake van een veilige en stabiele thuissituatie. De vader is vrijgesproken van de aanklacht van huiselijk geweld, zodat de zorg ten aanzien van de agressieregulatie van vader is weggenomen. Het gezin heeft een netwerk van familie en vrienden en de grootouders zijn nauw betrokken bij het gezin. Gelet op de positieve ontwikkelingen en het standpunt van Jeugdzorg komt de raad tot de conclusie dat geen sprake meer is van een bedreigde ontwikkeling waarop verlenging van de ondertoezichtstelling gebaseerd zou kunnen worden.

7.

Het hof overweegt als volgt. Een ondertoezichtstelling kan ingevolge artikel 1:254 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek slechts worden verleend indien de wettelijke gronden daarvoor aanwezig zijn. Op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting is het hof van oordeel dat de ondertoezichtstelling van de minderjarigen ten tijde van het wijzen van de bestreden beschikking noodzakelijk was om de bedreigde ontwikkeling van de minderjarigen af te wenden. Die noodzaak was erin gelegen dat sprake was van een aangifte van huiselijk geweld, melding van alcohol- en drugsmisbruik en het weigeren van hulpverlening in een vrijwillig kader. Mitsdien waren er zorgen over de zeer jonge minderjarige [naam] en de toen nog ongeboren [naam]. De ondertoezichtstelling is dan ook terecht uitgesproken. De moeder volhardt in haar stelling dat zij op valse gronden aangifte jegens de vader heeft gedaan en de vader is inmiddels op 19 maart 2013 vrijgesproken ter zake het huiselijke geweld. Er is geen hoger beroep tegen deze uitspraak ingesteld, zodat de vrijspraak inmiddels onherroepelijk is geworden. Zowel Jeugdzorg als de raad zijn van mening dat thans sprake is van een stabiele thuissituatie waarin de minderjarigen zich goed ontwikkelen. Onder de huidige omstandigheden zijn er dan ook geen gronden aanwezig om de ondertoezichtstelling van de minderjarigen nog te laten voortduren. Het feit dat de zittingsaantekeningen van de strafzitting nog niet voorhanden zijn, acht het hof daartoe onvoldoende. Gelet hierop zal het hof de ondertoezichtstelling dan ook met ingang van heden opheffen.

8.

Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor wat betreft de daarbij uitgesproken duur van de ondertoezichtstelling van de minderjarigen [naam], geboren [in] 2011 te [geboorteplaats], en [naam], geboren [in] 2013 te [geboorteplaats], en in zoverre opnieuw beschikkende:

heft de ondertoezichtstelling van de minderjarigen met ingang van 8 mei 2013 op;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van den Wildenberg, Van Leuven en Kok, bijgestaan door mr. Van Waning als griffier, mondeling uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 mei 2013 en geminuteerd op 22 mei 2013.