Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:2530

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
14-06-2013
Datum publicatie
05-08-2013
Zaaknummer
BK-12/00581
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rioolheffing. Belanghebbende is niet belastingplichtig ingevolge art. 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening. De aanslag is reeds om die reden ten onrechte opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2013/49.18.30
FutD 2013-2093
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-12/00581

Uitspraak van 14 juni 2013

in het geding tussen:

[X] B.V., statutair gevestigd te [Z], belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Dirksland (thans: gemeente Goeree-Overflakkee), de Inspecteur,

op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van 17 juli 2012, nummer AWB 11/1092, betreffende na te vermelden aanslag.

Aanslag, bezwaar en geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2011 wegens het genot krachtens eigendom, bezit of beperkt recht een aanslag in de rioolheffing van de gemeente Dirksland opgelegd voor het object [a-straat 1] te [Q] ten bedrage van € 500.

1.2. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaar afgewezen.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag vernietigd, de Inspecteur veroordeeld in de aan belanghebbende te betalen proceskosten van € 437 en de Inspecteur gelast het griffierecht van € 302 aan belanghebbende te vergoeden.

Geding in hoger beroep

2.1. De Inspecteur is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof.

2.2. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend en heeft daarbij (voorwaardelijk) incidenteel hoger beroep ingesteld. Het incidenteel hoger beroep heeft de Inspecteur beantwoord. De Inspecteur heeft een conclusie van repliek ingediend, belanghebbende een conclusie van dupliek.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 3 mei 2013, gehouden te Den Haag. Partijen zijn verschenen.

2.4. Ter zitting is tevens behandeld het hoger beroep van de Inspecteur, kenmerk BK‑12/00580, betreffende de aan [A] voor het jaar 2011 opgelegde aanslag in de rioolheffing voor het object [a-straat 2] te [Q]. Voor zover in die zaak door partijen stukken zijn overgelegd, worden die stukken geacht ook in de onderhavige procedure te zijn overgelegd. Tevens wordt hetgeen door partijen in die zaak voor het overige is aangevoerd, aangemerkt als te zijn aangevoerd in de onderhavige zaak.

2.5. Van het verhandelde ter zitting is één proces-verbaal opgemaakt.

Verordening

3.

De raad van de gemeente Dirksland heeft in zijn openbare vergadering van 9 december 2010 de Verordening rioolheffing 2011 vastgesteld. Blijkens de inhoud van de gedingstukken is de Verordening op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt. In de Verordening is - voor zover hier van belang - het volgende bepaald:

Artikel 1, aanhef en onder f:

Deze verordening verstaat onder gemeentelijke zorgplichten: de zorg voor afvloeiend hemelwater en het grondwater zoals aan de gemeente opgedragen in artikel 9a en 9b van de Wet op de waterhuishouding.

Artikel 2, aanhef en onder b:

Onder de naam rioolheffing wordt een directe belasting geheven ter bestrijding van de kosten die voor de gemeente verbonden zijn aan de inzameling van afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater, alsmede het treffen van maatregelen teneinde structureel nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken.

Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a:

De belasting wordt geheven van degene die bij het begin van het belastingjaar het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat is aangesloten op de gemeentelijke riolering dan wel dat belang heeft bij de nakoming van de gemeentelijke zorgplichten, verder te noemen eigenarendeel.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding is in hoger beroep, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

4.1. Belanghebbende is eigenaar van het perceel, plaatselijk bekend als [a-straat 1] te [Q]. Op het perceel staan landbouwschuren.

4.2. Het perceel is gelegen in het buitengebied van de gemeente. De landbouwschuren zijn niet aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel, noch heeft de gemeente voor het perceel voorzien in de plaatsing van een installatie voor de individuele behandeling van afvalwater (IBA).

Oordeel van de rechtbank

5.

De rechtbank heeft - voor zover hier van belang - het volgende overwogen, waarbij de rechtbank belanghebbende als eiseres en de Inspecteur als verweerder heeft aangeduid:

2.4.1. Op grond van de stukken van het geding en wat ter zitting aan de orde is geweest is in beroep komen vast te staan, dat eiseres eigenares is van het perceel, dat het perceel

gelegen is in het buitengebied van de gemeente Dirksland en niet is aangesloten op het

gemeentelijke rioleringsstelsel, en dat de gemeente voor het gebied waarin het perceel

gelegen is geen zorg heeft voor afvalwater met behulp van IBA's. Verder beheert het

waterschap het peil van het grondwater in het buitengebied van de gemeente Dirksland.

2.4.2. Uit artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening, gebaseerd op artikel

228a, eerste lid, van de Gemeentewet, blijkt dat een aanslag rioolheffing eigendom

uitsluitend kan worden opgelegd in de twee gevallen, namelijk als sprake is van een perceel dat is aangesloten·op de gemeentelijke riolering, of als een perceel belang heeft bij de

nakoming van de gemeentelijke zorgplichten. Tussen partijen is niet in geschil dat het

perceel niet is aangesloten op het gemeentelijke rioleringsstelsel. Dus dient in dit geval

sprake te zijn van een perceelsgebonden belang bij de gemeentelijke zorgtaken.

2.4.3. Verweerder heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat in dit geval sprake is van dat belang. Zoals de rechtbank heeft overwogen in de uitspraak van de meervoudige kamer van 25 mei 2012, LJN BX0100, verwijst verweerder in algemene zin terecht naar artikel 228a, eerste lid, van de Gemeentewet en de daaruit voortvloeiende nieuwe heffingsbevoegdheden. Verweerder heeft echter onvoldoende onderkend dat de wetgever kaders heeft gesteld voor het toepassingsbereik van die bevoegdheden. De nieuwe zorgplichten van de gemeenten dienen de bestaande, verankerde verantwoordelijkheden van gemeenten en overige partijen (waterschappen, provincies, bedrijven en overige private partijen) onverlet te laten (Tweede Kamer, vergaderjaar 2005/2006, 30 578, nr. 3, blz. 3).

2.4.4. Gelet op de ligging van het perceel binnen het verzorgingsgebied van het Waterschap en de verantwoordelijkheid van het Waterschap voor het beheer ter plaatse van het

regenwater en het grondwater, zoals dat blijkt uit de onder 2.4.1. weergegeven feiten, kan

hier dus van een perceelsgebonden belang bij de gemeentelijke zorgtaken geen sprake zijn. Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat de heffingsbevoegdheid in dit geval voortkomt uit het persoonsgebonden belang dat samenhangt met het inwonersschap van de gemeente Dirksland. Iedere inwoner van de gemeente zou belang hebben bij de gemeentelijke zorgtaken in stedelijk gebied en mag om die reden in de heffing worden betrokken, aldus verweerder. Dit strookt echter niet met de omschrijving van het belastbaar feit in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening. Dit artikel beperkt de heffingsbevoegdheid immers, gelet op de tekst ervan, tot het hiervoor omschreven perceelsgebonden belang en laat geen ruimte voor een bredere interpretatie. Gelet op het vorenstaande slaagt de kennelijke beroepsgrond dat de Verordening geen grondslag biedt voor de opgelegde aanslag.

Gelet op wat hiervoor is overwogen is het beroep gegrond. Het bestreden besluit dient dan

ook te worden vernietigd.

De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) het geschil finaal te beslechten en ook de aanslag van 28 februari 2011 te vernietigen, alsmede te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraak op bezwaar.

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient verweerder op grond van het bepaalde in

artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door eiseres betaalde griffierecht te vergoeden.

De rechtbank ziet verder aanleiding om verweerder op grond van het bepaalde in artikel

8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in het kader van deze

beroepsprocedure redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten in verband met de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bbp) vastgesteld op € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en I punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 437,- en wegingsfactor 1). Omdat de onderhavige zaak en de zaak met procedurenummer 11/1091, die eveneens op de zitting van 23 maart 2012 is behandeld, naar het oordeel van de rechtbank als

samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Bpb moeten worden aangemerkt,

wordt dit bedrag bij helften over deze zaken verdeeld. Nu de reiskosten van de gemachtigde reeds worden geacht te zijn verdisconteerd in de aan deze gemachtigde toegekende

proceskostenvergoeding ziet de rechtbank geen aanleiding voor een separate vergoeding

daarvan als verzocht. De rechtbank is niet gebleken van andere kosten die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen.

Geschil in hoger beroep en standpunten van partijen

6.1. Tussen partijen is in geschil of het hoger beroep ontvankelijk is en of, zo dat het geval is, de aanslag terecht is opgelegd. De Inspecteur beantwoordt beide vragen bevestigend en belanghebbende ontkennend.

6.2. De Inspecteur bestrijdt de uitspraak van de rechtbank. De Inspecteur heeft - samengevat weergeven - aangevoerd dat het oordeel dat geen sprake is van een perceelsgebonden belang bij de gemeentelijke zorgtaken op gespannen voet staat met de collectiviteitsgedachte, die ten grondslag ligt aan de invoering van de rioolheffing; dat de zorgplichten van de gemeente voor het grondwaterpeil en de hemelwaterafvoer collectieve goederen zijn; dat zulks meebrengt dat alle eigenaren en gebruikers van onroerende zaken in het openbare gebied van de gemeente in meer of mindere mate daarvan profijt hebben; dat om die reden ook iedereen moet meebetalen en dat het individuele belang niet behoeft te worden geduid. De belastingplicht van de rioolheffing strekt zich volgens de Inspecteur uit tot elke gebruiker of eigenaar van een perceel in de gemeente; de situatie dat belanghebbende geen belang heeft bij de gemeentelijke zorgplichten doet zich dan ook niet voor. De rechtbank heeft volgens de Inspecteur daarnaast ten onrechte geoordeeld dat het Waterschap ter zake van het onderhavige perceel verantwoordelijk is voor het beheer ter plaatse van het hemelwater en grondwater omdat de gemeente te allen tijde aanspreekbaar is in het geval van grondwaterproblemen en tevens voor de inzameling van het afvloeiend hemelwater en de verwerking van het ingezamelde hemelwater.

6.3. Belanghebbende stelt zich in incidenteel hoger beroep op het standpunt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is. Zij voert aan dat uit het aanwijzingsbesluit niet blijkt dat enige bevoegdheid aan [B], directeur van het Samenwerkingsverband Vastgoedinformatie Heffing en Waardebepaling (SVHW), is overgedragen, en zo dat al het geval is, welke bevoegdheid is overgedragen. Tevens voert zij aan dat uit het hogerberoepschrift niet blijkt dat namens de gemeente Dirksland of de heffingsambtenaar van die gemeente hoger beroep is ingesteld; [B] heeft op eigen naam hoger beroep ingesteld. In het principaal hoger beroep voert belanghebbende aan dat het perceel van belanghebbende niet is aangesloten op de gemeentelijke riolering en evenmin belang heeft bij nakoming van de gemeentelijke zorgplichten, zodat geen sprake is van een belastbaar feit. In het buitengebied waar het perceel is gelegen liggen de zorgtaken voor grond- en hemelwater bij het Waterschap. Belanghebbende stelt dat de nieuwe zorgplicht van de gemeente die betrekking heeft op het buitengebied de zorgplicht van het Waterschap niet overstijgt. De gemeente heeft voor het perceel geen rol bij de inzameling, berging en transport van huishoudelijk afvalwater en bij de zuivering, ook niet met behulp van IBA’s. De gemeente biedt voor het perceel evenmin een voorziening waarop het hemelwater kan worden geloosd en heeft dus geen rol bij de inzameling en de verwerking van afvloeiend hemelwater, noch bij het treffen van maatregelen ter voorkoming of beperking van nadelige gevolgen van de grondwaterstand. De interpretatie van het begrip "belang" dat de Inspecteur voorstaat, is volgens belanghebbende te ruim. De tekst van de Verordening laat de door de Inspecteur gegeven uitleg niet toe. Bovendien is sprake van willekeur bij de toepassing van de Verordening.

6.4. Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop de standpunten steunen verwijst het Hof verder naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

7.1. Het hoger beroep van de Inspecteur strekt tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

7.2. Belanghebbende heeft in incidenteel hoger beroep geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep en in het principaal hoger beroep tot bevestiging van de uitspraak van de rechtbank.

Beoordeling van het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep

De ontvankelijkheid van het hoger beroep

8.1. Met betrekking tot de bevoegdheid van [B] hoger beroep in te stellen overweegt het Hof het volgende. Ingevolge artikel 231, eerste lid, van de Gemeentewet geschiedt de heffing van gemeentelijke belastingen met toepassing van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR). De bevoegdheid hoger beroep in te stellen berust ingevolge artikel 27h, eerste lid, van de AWR bij de inspecteur. De bevoegdheden van de inspecteur gelden blijkens het bepaalde in artikel 231, tweede lid, onderdeel b, van de Gemeentewet met betrekking tot de gemeentelijke belastingen voor de gemeenteambtenaar belast met de heffing van gemeentelijke belastingen. Bij Aanwijzingsbesluit heffingsambtenaar van 27 december 2007 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dirksland voor de heffing van onder meer rioolrechten de directeur van het SVHW aangewezen als de gemeenteambtenaar, bedoeld in laatstvermelde bepaling. De Inspecteur heeft ter zitting onbestreden verklaard dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Dirksland bij Aanstellingsbesluit gemeente-ambtenaar de directeur van het SVHW heeft aangewezen als onbezoldigd gemeenteambtenaar. Niet in geschil is dat [B] directeur is van het SVHW. Het hoger beroep is blijkens zowel het proforma-hogerberoepschrift van 20 juli 2012 als de motivering van 26 juli 2012 door [B] in diens functie van directeur van het SVHW ingesteld. Op grond van het voorgaande is het hoger beroep ontvankelijk.

Het geschil ten gronde

8.2. Uit artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening, waarop de aanslag is gebaseerd, volgt dat een aanslag uitsluitend kan worden opgelegd aan degene die het genot heeft krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van een perceel dat (i) is aangesloten op de gemeentelijke riolering, dan wel (ii) dat belang heeft bij de nakoming van de gemeentelijke zorgplichten.

8.3. Vaststaat dat het onderhavige perceel niet is aangesloten op de gemeentelijke riolering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Verordening.

8.4. De vraag dient dan te worden beantwoord of het perceel een belang heeft bij de nakoming van de gemeentelijke zorgplichten. Gelet op het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder f, van de Verordening moet onder gemeentelijke zorgplichten worden verstaan: de zorg voor afvloeiend hemelwater en het grondwater in het gebied van de gemeente Dirksland (thans: gemeente Goeree-Overflakkee).

8.5. De Inspecteur heeft aangevoerd dat vanuit de collectiviteitsgedachte kan worden verondersteld dat alle eigenaren van onroerende zaken in het openbare gebied van de gemeente in meer of mindere mate profijt hebben van het nakomen door de gemeente van haar zorgplichten. De Inspecteur stelt dat niet van belang is dat het perceel van belanghebbende geen

rioolaansluiting heeft omdat het perceel in het buitengebied van de gemeente is gelegen. Elke eigenaar van een perceel in de gemeente kan in de heffing worden betrokken, hetgeen volgens evenvermeld artikel ook is gebeurd, aldus de Inspecteur.

8.6. De opvatting van de Inspecteur komt er in wezen op neer dat het in de Verordening neergelegde vereiste van een perceelsgebonden belang bij de gemeentelijke zorgtaken van elke betekenis is ontbloot. Dat kan niet de bedoeling van de gemeentelijke regelgever zijn geweest. Bij de uitleg van een voorschrift als dit geldt het uitgangspunt dat elk criterium dat in het voorschrift tot uitdrukking komt enige betekenis toekomt of kan toekomen. Een uitleg die inhoudt dat bij voorbaat vaststaat dat aan een criterium in het voorschrift geen enkele betekenis toekomt, is met dat uitgangspunt in strijd. Het moet er daarom voor worden gehouden dat het vereiste dat de belastingplichtige belang heeft bij nakoming van de gemeentelijke zorgplichten, materiële betekenis heeft en dat de aanwezigheid van een perceelsgebonden belang afhankelijk is van de feiten en omstandigheden van het geval. De andersluidende opvatting van de Inspecteur deelt het Hof derhalve niet.

8.7. De Inspecteur heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat het onderhavige perceel belang heeft bij de gemeentelijke zorgtaken voor afvloeiend hemelwater en het grondwater. Daaraan doet niet af dat belanghebbende mogelijk een belang heeft bij het treffen van gemeentelijke voorzieningen binnen de bebouwde kom of elders in de gemeente, in de zin dat deze voorzieningen tevens voorkomen dat voor belanghebbendes perceel in het buitengebied problemen kunnen ontstaan met betrekking tot hemel- en grondwater.

8.8. Gelet op het vorenoverwogene is belanghebbende niet belastingplichtig ingevolge artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Verordening. De aanslag is reeds om die reden ten onrechte opgelegd. De overige grieven van belanghebbende behoeven geen behandeling.

Slotsom

8.9. De slotsom is dat zowel het hoger beroep van de Inspecteur als het incidenteel hoger beroep van belanghebbende ongegrond is. Beslist dient te worden als volgt.

Proceskosten en griffierecht

9.1. Het Hof ziet reden de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten, waarbij het Hof, gelet op de inhoud van de dossiers, de zaak met kenmerk BK-12/00580 aanmerkt als samenhangende zaak in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Het Hof stelt de kosten, op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht in verbinding met het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage, voor beide zaken vast op € 1.770 (2,5 punten x € 472 x 1,5 (gewicht) x 1 (samenhang) wegens beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor het Hof, waarvan te dezen de helft, groot € 885, in aanmerking wordt genomen. Voor een hogere vergoeding acht het Hof geen termen aanwezig.

9.2. Nu de uitspraak van de rechtbank in stand blijft, wordt van de Inspecteur een griffierecht geheven van € 466.

Beslissing

Het Gerechtshof:

  • -

    bevestigt de uitspraak van de rechtbank;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 885, onder aanwijzing van de gemeente Goeree-Overflakkee als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden; en

  • -

    gelast dat van de Inspecteur een griffierecht wordt geheven van € 466.

De uitspraak is vastgesteld door mrs. U.E. Tromp, J.T. Sanders en Chr.Th.P.M. Zandhuis, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J. Jansen. De beslissing is op 14 juni 2013 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

  • -

    de naam en het adres van de indiener;

  • -

    de dagtekening;

  • -

    de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  • -

    de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.