Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:2527

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
19-06-2013
Datum publicatie
17-07-2013
Zaaknummer
BK-12/00510
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Verzoek om herziening niet-ontvankelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/1951
V-N 2013/49.7 met annotatie van Redactie
FutD 2013-1879
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-GRAVENHAGE

Team Belastingrecht

meervoudige kamer

nummer BK-12/00510

Uitspraak d.d. 19 juni 2013

in het geding tussen:

[X] te [Z], belanghebbende,

en

de directeur van de Belastingdienst Rijnmond, kantoor [P], de Inspecteur,

op het herzieningsverzoek van belanghebbende tegen de mondelinge uitspraak van het Hof

‘s-Gravenhage (thans: Hof Den Haag) van 22 mei 2012, nr. BK-11/00422, betreffende de hierna vermelde uitspraak.

Aanslag, beschikking, bezwaar en geding in eerste en tweede aanleg

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 2007 ambtshalve een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van nihil, hetgeen heeft geresulteerd in een te betalen bedrag aan belasting van € 566. Bij afzonderlijke beschikking is een bedrag van € 75 heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. De aanslag is, na daartegen door belanghebbende gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.

1.3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep bij de rechtbank ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4. Belanghebbende is van de uitspraak van de rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 112. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens heeft belanghebbende gerepliceerd, waarna de Inspecteur heeft gedupliceerd.

1.5. Het Gerechtshof heeft de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Loop van het geding in het herzieningsverzoek

2.1. Belanghebbende heeft op 19 juni 2012 met betrekking tot de uitspraak van het Hof een verzoek tot herziening (artikel 8:88 Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend. Het verzoek is bij het Hof ingekomen op 22 juni 2012. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 115. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Vervolgens heeft belanghebbende gerepliceerd, waarna de Inspecteur heeft gedupliceerd.

2.2. Belanghebbende heeft bij ongedateerd schrijven, ter griffie ontvangen op 11 april 2013, een nader stuk ingediend. De griffier heeft dat stuk aan de Inspecteur toegezonden.

2.3. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 8 mei 2013, gehouden te Den Haag om 12.00 uur. Aldaar is de Inspecteur verschenen. Belanghebbende is bij aangetekende brief van 22 maart 2013 uitgenodigd ter zitting te verschijnen om 11.45 uur. Volgens informatie van Post NL is de brief op 23 maart 2013 door de geadresseerde in ontvangst genomen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.4. Op 8 mei 2013, om 12.45 uur, heeft de griffie van het team Belastingrecht per telefoon van de echtgenoot van belanghebbende de mededeling ontvangen dat de gemachtigde van zijn echtgenote niet is verschenen om hem en zijn echtgenote op te halen voor de zitting die, naar zijn zeggen, zoals door de gemachtigde is medegedeeld, om 13.00 uur zou zijn geappointeerd en dat zij daarom niet ter zitting zal verschijnen.

Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, met betrekking tot het herzieningsverzoek het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende was gedurende het gehele jaar 2007 gehuwd met [Y] (hierna: de echtgenoot). In 2007 heeft zij geen belastbare inkomsten genoten.

3.2. Met dagtekening 15 januari 2007 is aan belanghebbende, zonder dat zij daartoe een verzoek heeft ingediend, een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2007 verleend van € 2.035. De teruggaaf is gebaseerd op gegevens van de voorafgaande belastingjaren.

3.3. Met dagtekening 22 april 2009 is aan de echtgenoot een definitieve aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2007 opgelegd naar een verzamelinkomen van € 10.469. Op grond van die aanslag is de echtgenoot een bedrag van € 1.479 verschuldigd aan inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen. Tegen deze aanslag zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat deze onherroepelijk vaststaat.

3.4. Bij brief van 8 oktober 2010 is belanghebbende uitgenodigd om voor 8 november 2010 aangifte te doen over het jaar 2007. In de brief staat, voor zover hier van belang, vermeld: “Uit de gegevens die nu bij ons bekend zijn, blijkt dat u waarschijnlijk teveel heffingskortingen hebt gekregen.” Belanghebbende heeft niet gereageerd op de brief en heeft voor het onderhavige jaar geen aangifte gedaan.

3.5. Bij de aanslagregeling heeft de Inspecteur met dagtekening 17 december 2010 aan belanghebbende ambtshalve een aanslag opgelegd van € 566, vermeerderd met € 75 heffingsrente.

Omschrijving verzoek en standpunten van partijen

4.1. Belanghebbende verzoekt om herziening van de uitspraak van het Hof waarin de uitbetaling van het volledige bedrag van de gecombineerde heffingskorting ten bedrage van € 2.035 – naar zij stelt - ten onrechte is geweigerd en ook de beschikking heffingsrente niet is vernietigd dan wel is verminderd. Sprake is naar zij stelt van “abus de pouvoir”.

4.2. De Inspecteur heeft de stellingen van belanghebbende gemotiveerd weersproken.

4.3. Voor een nadere uiteenzetting van de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

Conclusies van partijen

5.1. Het verzoek van belanghebbende strekt, naar het Hof begrijpt, tot herziening van de uitspraak van het Hof, tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank, van de uitspraak op bezwaar, van de aanslag en van de beschikking heffingsrente.

5.2. De Inspecteur concludeert primair tot onbevoegdheid van het Hof en subsidiair tot ongegrondverklaring van het verzoek.

Oordeel van het Hof

Het Hof heeft in de uitspraak van 22 mei 2012 op het hoger beroep van belanghebbende het volgende overwogen:

“7.1. De rechtbank heeft ten aanzien van de vraag of belanghebbende recht heeft op uitbetaling van het volledige bedrag van de gecombineerde heffingskorting op goede gronden een juiste beslissing genomen. Het Hof maakt die beslissing en de daartoe gebezigde gronden tot de zijne. In aanvulling daarop wordt nog het volgende overwogen.

7.2. De aan de echtgenoot met dagtekening 22 april 2009 opgelegde definitieve aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen voor het jaar 2007 staat onherroepelijk vast. Voor de bepaling van de hoogte van de in geschil zijnde gecombineerde heffingskorting dient derhalve deze aanslag tot uitgangspunt te worden genomen. Daarbij geldt dat het bedrag van de door de partner verschuldigde gecombineerde inkomensheffing in een geval als het onderhavige dient te worden berekend over het belastbare inkomen uit werk en woning en derhalve niet, zoals belanghebbende stelt, over het inkomen uit werk en woning zonder toepassing van aftrekposten.

7.3. Blijkens de hiervoor vermelde aanslag bedraagt de door de echtgenoot over het belastbare inkomen uit werk en woning verschuldigde gecombineerde inkomensheffing, na toepassing van de voor hem geldende heffingskorting, € 1.479. Dit bedrag is gelijk aan het saldo van de ingehouden loonheffing van € 4.709 minus het totaal van eerdere aan hem verleende voorlopige teruggaven van € 3.230. Gelet op het bepaalde in artikel 8.9 van de Wet IB 2001 (tekst 2007) heeft belanghebbende voor het onderhavige jaar derhalve recht op uitbetaling van een heffingskorting van niet meer dan € 1.479. Aangezien belanghebbende voor dit jaar reeds een voorlopige teruggaaf heffingskorting heeft ontvangen van € 2.035, moet worden geconcludeerd dat de Inspecteur terecht een bedrag van € 556 van haar heeft teruggevorderd.

7.4. Belanghebbende stelt dat de Inspecteur heeft gehandeld in strijd met het verbod van willekeur en détournement de pouvoir, het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtzekerheidsbeginsel dan wel een van de overige beginselen van behoorlijk bestuur door de aan belanghebbende verleende voorlopige teruggaaf deels bij aanslag terug te nemen. De klacht faalt, omdat, zoals uit het vorenoverwogene volgt, de aanslag terecht en tot het juiste bedrag is opgelegd en omdat door belanghebbende geen feiten en omstandigheden zijn gesteld die nopen tot het oordeel dat de Inspecteur bij het opleggen van de aanslag heeft gehandeld in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur.

7.5. Belanghebbende stelt voorts dat de Inspecteur in strijd met het ne bis in idem beginsel heeft gehandeld door aan belanghebbende een aanslag op te leggen met toekenning van het volledige bedrag aan heffingskorting en deze, zonder dat sprake is van een nieuw feit, vervolgens bij ambtshalve aanslag deels terug te nemen. Het Hof kan belanghebbende daarin evenmin volgen, reeds omdat het belastingrecht, met uitzondering van het zich in het onderhavige geval niet van toepassing zijnde fiscale boeterecht, een dergelijk beginsel niet kent.

7.6. Belanghebbende stelt tot slot dat de heffingsrentebeschikking dient te worden vernietigd dan wel gematigd, omdat sprake is van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de Inspecteur te lang heeft gewacht met het opleggen van de onderhavige aanslag. De klacht faalt. Niet in geschil is dat de aanslag binnen de wettelijke termijn van drie jaren is opgelegd en dat de heffingsrente overeenkomstig de wettelijke regels is berekend. Voor zover belanghebbende heeft beoogd een beroep te doen op het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2009, nr. 07/13362, BNB 2009/295, kan haar dat evenmin baten, omdat zij geen aangifte heeft gedaan en bij gebreke daarvan niet gesteld kan worden dat binnen drie maanden een (voorlopige) aanslag opgelegd had moet worden.”

Beoordeling van het herzieningsverzoek

Ambtshalve

7.1. Belanghebbende is niet verschenen ter zitting teneinde de mondelinge behandeling van het verzoek bij te wonen. De oorzaak daarvan is te herleiden naar omstandigheden die voor rekening en risico van belanghebbende komen. Het Hof acht geen termen aanwezig om de behandeling van de zaak aan te houden. Daartoe verwijst het Hof naar hetgeen hierna is overwogen.

Verzoek om herziening; voldoen aan de wettelijke eisen van artikel 8:88 Awb

7.2. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), kan op verzoek van een partij binnen de in dat artikel aangegeven grenzen een onherroepelijk geworden uitspraak worden herzien die berust op een ondeugdelijke feitelijke grondslag

7.3. Onderwerp van een herzieningsverzoek dient een onherroepelijk geworden einduitspraak te zijn, dat wil zeggen een uitspraak die rechtens onaantastbaar is, dat wil zeggen dat daartegen geen gewone rechtsmiddelen meer kunnen worden aangewend.

7.4. Het verzoek is door de griffier van het Hof ontvangen binnen de termijn van zes weken na het verzenden van de uitspraak van het Hof, zodat daartegen nog het gewone rechtsmiddel van cassatie openstond en de uitspraak nog niet onherroepelijk was. Het was derhalve mogelijk over formele gebreken dan wel de materiële onjuistheid van die uitspraak in cassatie te klagen bij de Hoge Raad. Dat oordeel sluit tevens in dat het verzoek prematuur is gedaan nu ’s Hofs uitspraak (in het bodemgeschil) niet onherroepelijk vaststaat. Op die grond dient het verzoek niet ontvankelijk te worden verklaard.

7.5. Het verzoek behelst – naar niet voor redelijke twijfel vatbaar is – een klacht over onjuiste toepassing van de bepalingen van de Wet IB 2001 en betreft derhalve niet de vraag of sprake is van een of meer nieuwe feiten die, waren zij bij het beoordelen van het geschil bij het Hof bekend, tot een andersluidend oordeel zouden hebben geleid. Ook in zoverre is het verzoek om herziening niet-ontvankelijk nu daarmee niet is voldaan aan de vereisten van artikel 8:88, eerste lid, van de Awb.

7.6. Het Hof zal gelet op het in 7.5 overwogene het verzoek met toepassing van artikel 6:15 Awb doorzenden naar de Hoge Raad.

Proceskosten en griffierecht

8.1. Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

8.2. Voorts acht het Hof geen termen aanwezig om een gehele dan wel gedeeltelijke vergoeding van het griffierecht te gelasten.

Beslissing

Het Gerechtshof verklaart:

  • -

    het verzoek om herziening niet ontvankelijk, en

  • -

    bepaalt dat de griffier het verzoek doorstuurt naar de Hoge Raad.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. B. van Walderveen, J.J.J. Engel en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van de griffier mr. D.J. Jansen. De beslissing is op 19 juni 2013 in het openbaar uitgesproken.

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1.

Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2.

Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

  • -

    de naam en het adres van de indiener;

  • -

    de dagtekening;

  • -

    de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- - de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.