Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHDHA:2013:2469

Instantie
Gerechtshof Den Haag
Datum uitspraak
11-07-2013
Datum publicatie
11-07-2013
Zaaknummer
22002242-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft samen met zijn mededaders bedrijfsmatig hennepplanten/hennepstekken en/of henneptoppen voorhanden gehad en/of verkocht en/of afgeleverd en deelgenomen aan een criminele organisatie die tot doel had het bedrijfsmatig opzettelijk verkopen en afleveren van hennepplanten.

Daarnaast heeft de verdachte hennepplanten geteeld en zich ten behoeve daarvan schuldig gemaakt aan diefstal van elektriciteit.

De ernst van deze combinatie aan feiten is dusdanig dat een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf aangewezen is.

Het hof heeft acht geslagen op het feit dat sedert de pleegdatum van de bewezen verklaarde feiten geruime tijd is verstreken

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte ook acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder voor een soortgelijke feit, zij het geruime tijd geleden.

Het hof veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, waarvan 9 maanden voorwaardelijk, alsmede tot een taakstraf van 240 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002242-11

Parketnummer: 11-860031-10

Datum uitspraak: 11 juli 2013

TEGENSPRAAK

Gerechtshof Den Haag

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank Dordrecht van 26 april 2011 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1973,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van

28 februari 2013 en 27 juni 2013.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren, met aftrek van voorarrest.

Voorts is beslist ten aanzien van de op de beslaglijst vermelde in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, een en ander zoals nader omschreven in het vonnis waarvan beroep.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.


hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 8 februari 2008 tot en met 18 januari 2010 te Schelluinen, gemeente Giessenlanden (in of nabij (een) pand(en) aan de [adres] en/of de [adres]) en/of

te Dordrecht (in (een) woning(en) gelegen aan de [adres] en/of de [adres] en/of de [adres] en/of de [adres]) en/of

te Meerkerk (in een woning gelegen aan de [adres]) en/of

te Vuren, gemeente Lingewaal (in een woning gelegen aan de [adres]) en/of

te Zwijndrecht (in een woning gelegen aan het [adres]) en/of

te Streefkerk (in een woning gelegen aan de [adres]) en/of

te Leerdam (in een woning gelegen aan de [adres]), althans in Nederland,

(telkens) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) in de uitoefening van een beroep of een bedrijf, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad, (een) hoeveelhe(i)d(en) hennepplanten/hennepstekken en/of (gedroogde) hennep(toppen), en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2.


hij in of omstreeks de periode van 8 februari 2008 tot en met 18 januari 2010 te Schelluinen, gemeente Giessenlanden, althans in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen verdachte en/of (een) medeverdachte(n) (te weten [medeverdachte] en/of [medeverdachte] en/of [medeverdachte] en/of [medeverdachte] en/of [medeverdachte] en/of een of meer anderen) en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het op beroeps- en/of bedrijfsmatige wijze opzettelijk telen en/of bereiden en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken van (een) grote hoeveelhe(i)d(en) hennepplanten en/of delen daarvan, althans middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet bedoelde lijst(en) I en/of II;

3.


hij op of omstreeks 18 januari 2010 te Rotterdam een (vuur)wapen van categorie III, te weten een pistool (merk: Mauser, kaliber: 9mm), en/of munitie van categorie III, te weten 14, althans een of meerdere kogelpatro(o)n(en) (kaliber: 9 mm), voorhanden heeft gehad;

4.


hij op of omstreeks 18 januari 2010 te Vlaardingen, in ieder geval in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne en/of amfetamine en/of heroïne en/of (een) ander(e) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden of te bevorderen, (een) stof(fen) voorhanden heeft gehad, waarvan verdachte (telkens) wist of ernstige redenen had te vermoeden dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en),

hebbende verdachte 1075 kg, althans (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende fenacetine (phenacetin) en/of 775 kg, althans (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende coffeïne en/of 125 kg, althans (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende lidocaïne en/of 875 kg, althans (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende paracetamol, (telkens) bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van cocaïne en/of amfetamine en/of heroïne en/of (een) ander(e) middel(en) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voorhanden gehad;

5.


hij in of omstreeks de periode van 11 november 2009 tot en met 18 januari 2010 te Rotterdam (in een woning gelegen aan de [adres]) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (ongeveer)

72

hennepplanten, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, danwel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet;


6.


hij in of omstreeks de periode van 11 november 2009 tot en met 18 januari 2010 te Rotterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, geheel of ten dele toebehorende aan Stedin en/of ENECO Netbeheer BV, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, waarbij verdachte zich de toegang tot de plaats des misdrijfs heeft verschaft en/of de/het weg te nemen goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak van feit 4

Uit de stukken in het dossier en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep, is naar voren gekomen dat verdachte een grote hoeveelheid chemische grondstoffen voorhanden had, waarvan bekend is dat deze (ook) als versnijdingsmiddel bij de productie en verkoop van bij de Opiumwet verboden verdovende middelen als cocaïne worden gebruikt. Een van de grondstoffen (fenacetine) is bovendien in Nederland niet meer toegestaan als grondstof voor de bereiding van geneesmiddelen. Deze feiten en omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van het hof de verdenking dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem onder 4. ten laste gelegde feiten.

De verdachte heeft terzake verklaard:

  • -

    dat hij beroepsmatig handelde in diverse producten en grondstoffen, al naar gelang de vraag;

  • -

    dat hij daarbij handelde door middel van een bij de Kamer van Koophandel geregistreerde vennootschap, waarbij ook verdachtes bestuurlijke betrokkenheid bij deze vennootschap duidelijk was;

  • -

    dat hij vooral zaken deed met Turkse afnemers, omdat hij vanwege het feit dat hij ook zelf van Turkse afkomst is, met hen makkelijk kan communiceren;

  • -

    dat hij de betreffende grondstoffen afnam van een bona fide leverancier, en dat deze grondstoffen met vermelding van naam en hoeveelheid werden besteld, vervoerd en geleverd;

  • -

    dat genoemde grondstoffen vrij in de handel zijn, en vooral toepassingen anders dan als versnijdingsmiddel kennen;

  • -

    dat de grondstof fenacetine in Turkije nog is toegelaten als (onderdeel) van geneesmiddelen.

Verdachte heeft, althans tot op zekere hoogte, gegevens verstrekt omtrent zijn leverancier en afnemers. De leverancier is ook ten overstaan van de raadsheer-commissaris gehoord en heeft daarbij de verklaringen van de verdachte omtrent (wijze) van bestelling en levering van de betreffende grondstoffen bevestigd. Verdachte heeft ook een aantal administratieve bescheiden (waaronder facturen en BTW-belastingaangiften) overgelegd ter staving van het door hem gestelde omtrent de legale aan- en verkoop van voormelde grondstoffen.

Verdachte heeft voorts verklaard dat hem niet bekend was dat fenacetine (vooral) als versnijdingsmiddel zou worden gebruikt. Ter onderbouwing daarvan heeft hij aangevoerd en met stukken gestaafd dat bij het raadplegen van de door hem gebruikte Turkstalige versie van Wikipedia dit gebruik ook niet kan blijken. Tenslotte stelt het Hof vast dat uit het dossier niet kan blijken dat verdachte op enigerlei wijze in verband kan worden gebracht met de handel in, of het gebruik van, hard drugs.

Bij de beoordeling of de ten laste gelegde voorbereidingshandelingen bewezen kunnen worden verklaard heeft het Hof aangesloten bij de in de rechtspraak (onder meer Hoge Raad 20 februari 2007, LJN AZ0213) ontwikkelde criteria om te bepalen of bepaalde voorwerpen bestemd zijn om de beoogde misdrijven te begaan. In dat kader stelt het Hof vast dat uit het hiervoor overwogene blijkt, c.q. onvoldoende weersproken is gesteld, dat de in de tenlastelegging genoemde grondstoffen op zich legaal in de handel zijn en dat deze ook andere dan criminele bestemmingen en toepassingen kennen. Voorts zijn naar het oordeel van het hof uit de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep, onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren zijn gekomen op grond waarvan zou kunnen worden aangenomen dat verdachte met het aanwezig hebben van voormelde grondstoffen opzet heeft op het in de tenlastelegging omschreven misdadig doel, hetwelk eveneens als voorwaarde voor bewezenverklaring heeft te gelden.

Gezien het voorgaande is het hof - anders dan de rechtbank en het Openbaar Ministerie en met de verdediging - van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden is om een veroordeling van het onder 4 ten laste gelegde te kunnen dragen, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.


hij op tijdstippen in de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 te Schelluinen, gemeente Giessenlanden, in of nabij een pand aan de [adres]

telkens tezamen en in vereniging met anderen telkens in de uitoefening van een bedrijf, telkens opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of telkens opzettelijk aanwezig heeft gehad hennepplanten/hennepstekken en/of hennep(toppen), zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

2.


hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2009 tot en met 31 december 2009 te Schelluinen, gemeente Giessenlanden, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband tussen verdachte en medeverdachten (te weten [medeverdachte] en [medeverdachte] en welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het op bedrijfsmatige wijze opzettelijk verkopen en/of afleveren van hennepplanten;

3.


hij op 18 januari 2010 te Rotterdam een vuurwapen van categorie III, te weten een pistool (merk: Mauser, kaliber: 9mm), en munitie van categorie III, te weten 14 kogelpatronen (kaliber: 9 mm), voorhanden heeft gehad;

5.


hij in de periode van 11 november 2009 tot en met 18 januari 2010 te Rotterdam (in een woning gelegen aan de Spangesekade 72) opzettelijk heeft geteeld 72 hennepplanten, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;

6.


hij in de periode van 11 november 2009 tot en met 18 januari 2010 te Rotterdam, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in een pand gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan Stedin en/of ENECO Netbeheer BV, waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Standpunt Openbaar Ministerie inzake feit 1 en 2

[medeverdachte] heeft [medeverdachte rechtspersoon] in februari 2008 overgenomen. Alleen [medeverdachte] verklaart dat verdachte vanaf dat moment op het bedrijf rondloopt. Andere verklaringen plaatsen de betrokkenheid van verdachte op een later moment in de tijd. Gelet hierop en ook op de taps beperkt het hof de bewezen verklaarde periode tot het jaar 2009.

Naar het oordeel van het hof is onvoldoende bewijs voorhanden om bewezen te achten dat de samenwerking van verdachte, [medeverdachte] en [medeverdachte] ook de samenwerking met [medeverdachte rechtspersoon], [medeverdachte] en [medeverdachte] op het gebied van hennepplanten/-stekken omvatte. De verklaringen van verdachten, diverse hennepkwekers en de tap-gesprekken leveren onvoldoende bewijs op inzake samenwerking voor zover gericht op hennepplanten/-stekken tussen (de personen werkzaam bij) [medeverdachte rechtspersoon] en [medeverdachte rechtspersoon]. Voorts acht het hof niet bewezen dat verdachte als medepleger kan worden aangemerkt ten aanzien van de door de advocaat-generaal onderaan blz. 21 van zijn requisitoir genoemde plantages. Het merendeel van de betreffende plantages zijn opgerold voorafgaand aan de bewezen verklaarde periode van betrokkenheid van verdachte. Ten aanzien van andere plantages geldt dat niet blijkt van enige vorm van betrokkenheid van verdachte en/of zijn mededaders [medeverdachte] en [medeverdachte].

Verweer ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde

De raadsvrouw van de verdachte heeft, overeenkomstig de aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal gehechte pleitnota, het verweer gevoerd – zakelijk weergegeven – dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van de hem onder 2 ten laste gelegde deelname aan een criminele organisatie. Hiertoe heeft de raadsvrouw onder meer betoogd dat voor een bewezenverklaring van de verweten deelname aan een criminele organisatie uit het dossier dient te blijken dat deze handelingen van cliënt werkzaamheden zijn geweest die dienstbaar zijn geweest aan het oogmerk van de organisatie en dat de betrokkenheid van cliënt zodanig was dat van opzettelijk deelnemen aan die organisatie gesproken kan worden. Hiervan blijkt in het geheel niet uit het dossier.

De raadsvrouw heeft voorts betoogd dat de verdachte in eerste aanleg terecht is vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde medeplegen van – kort gezegd - hennephandel op de genoemde specifieke locaties, doch dat de verdachte eveneens dient te worden vrijgesproken van het medeplegen van de hennephandel ‘in de uitoefening van een (beroep of) bedrijf’ en voor wat betreft het medeplegen van de handel in henneptoppen.

Het hof overweegt hieromtrent -naar aanleiding van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in hoger beroep- als volgt.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 28 februari 2013 onder meer verklaard - en ter terechtzitting in hoger beroep van 27 juni 2013 beaamd - dat hij in 2009 samen met anderen hennepplanten/ hennepstekken en/of henneptoppen voorhanden heeft gehad, heeft verkocht en afgeleverd. De verdachte heeft voorts verklaard dat hij best vaak in [medeverdachte rechtspersoon] was om [medeverdachte] te helpen; dat er in [medeverdachte rechtspersoon] hennepstekken werden verkocht en dat hij daarbij is geweest en zelf ook een aantal keren hennepsteken heeft meegegeven aan klanten van [medeverdachte rechtspersoon]. [medeverdachte] en [medeverdachte] hebben, naar de verklaring van de verdachte, ook hennepstekken geleverd en zij hebben ook hennepstekken ingekocht. Hij is er een aantal keren bij geweest toen een oogst werd ingekocht.

Over zijn betrokkenheid bij [medeverdachte rechtspersoon] heeft de verdachte voorts verklaard dat hij niet alleen heeft geholpen met de werkzaamheden van dat bedrijf, maar dat hij ook afwist van de kluis in dat pand. In de kluis bewaarde de verdachte de autopapieren van zijn [automerk] bestelbus die op het terrein van [medeverdachte rechtspersoon] te koop stond en die door [medeverdachte en [medeverdachte] werd gebruikt om (dozen met) hennepstekken in te leggen.

Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte van begin tot eind 2009 met grote regelmaat en ook op onregelmatige tijden werkzaam is geweest in [medeverdachte rechtspersoon] en dat hij samen met de medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte] in wietstekken deed. Dit is naar voren gekomen uit verklaringen van personen die werkzaam waren bij [medeverdachte rechtspersoon], dan wel die als klant van [medeverdachte rechtspersoon] daar goederen en/of hennepstekken afnamen.

Volgens de verklaring van [medeverdachte] was hij verantwoordelijk voor de winkel van het bedrijf als [medeverdachte] en de verdachte afwezig waren. Voorts is naar voren gekomen dat, naast [medeverdachte], de verdachte als functionaris van [medeverdachte rechtspersoon] op de bellijst van het beveiligingsbedrijf [naam] stond vermeld, zodat hij in geval van alarm kon worden gebeld op zijn mobiele telefoon-nummer.

Gelet op het vorenstaande in onderlinge verband en samenhang bezien is naar het oordeel van het hof voldoende wettig en overtuigend komen vast te staan dat de verdachte wist dat [medeverdachte rechtspersoon] in strijd met de wet en bedrijfsmatig hennep verhandelde en dat hij hieraan opzettelijk heeft deelgenomen. Het hof is voorts van oordeel dat voldoende wettig en overtuigend is komen vast te staan dat hierbij sprake was van een duurzaam en georganiseerd samenwerkingsverband tussen de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte], zoals bedoeld in artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Uit de hiervoor weergeven feiten en omstandigheden volgt naar het oordeel van het hof tevens dat verdachte handelde ‘in de uitoefening van een bedrijf’.

De onder 1 en 2 bewezen verklaarde feiten zijn naar het oordeel van het hof dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Het hof verwerpt de verweren van de raadsvrouw.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

Medeplegen van, in de uitoefening van een bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

en

medeplegen van, opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet.

Het onder 3 bewezen verklaarde levert op:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

Het onder 5 bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Vordering van de advocaat-generaal

De advocaat-generaal heeft - overeenkomstig de aan het hof overgelegde en in het dossier gevoegde op schrift gestelde requisitoir - gevorderd dat het vonnis waarvan beroep zal worden bevestigd, behoudens ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 2 ten laste gelegde. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ten aanzien van die beslissing zal worden vernietigd en opnieuw rechtdoende het onder 2 ten laste gelegde zal worden bewezen verklaard, met dien verstande dat ook de medeverdachten [medeverdachte], [medeverdachte] en [medeverdachte rechtspersoon], dienen te vallen binnen de organisatie, een en ander zoals nader omschreven in het schriftelijke requisitoir.

Strafmotivering

Het hof heeft de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft samen met zijn mededaders bedrijfsmatig hennepplanten/hennepstekken en/of henneptoppen voorhanden gehad en/of verkocht en/of afgeleverd en deelgenomen aan een criminele organisatie die tot doel had het bedrijfsmatig opzettelijk verkopen en afleveren van hennepplanten.

Daarnaast heeft de verdachte hennepplanten geteeld en zich ten behoeve daarvan schuldig gemaakt aan diefstal van elektriciteit.

Het kweken en verhandelen van hennep, zeker in een omvang als hier sprake van is, veroorzaakt overlast en levert schade op voor de maatschappij. Hennep is voor de gezondheid van de gebruikers een schadelijke stof. Het gebruik van hennep is voor de samenleving niet alleen uit het oogpunt van volksgezondheid bezwarend, maar ook vanwege de daarmee gepaard gaande criminaliteit. De verdachte heeft zich hieraan kennelijk niets gelegen laten liggen.

Daarnaast is de diefstal van elektriciteit niet alleen ergerlijk, maar veroorzaakt het doorgaans ook financiële schade en overlast.

De verdachte heeft voorts een vuurwapen met bijbehorende munitie voorhanden gehad. Het onbevoegd bezit van dergelijke wapens en munitie is in strijd met de wet en is, gelet op de grote veiligheidsrisico’s, maatschappelijk onaanvaardbaar. Daarom moet daartegen krachtig worden opgetreden.

De ernst van deze combinatie aan feiten is dusdanig dat een (deels) onvoorwaardelijke gevangenisstraf aangewezen is.

Het hof heeft in het nadeel van de verdachte acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 12 juni 2013, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder voor een soortgelijke feit, zij het geruime tijd geleden. Dat heeft hem er kennelijk niet van weerhouden de onderhavige feiten te plegen.

Het hof heeft voorts in het bijzonder acht geslagen op het feit dat sedert de pleegdatum van de bewezen verklaarde feiten geruime tijd is verstreken; ter terechtzitting in hoger beroep aannemelijk is geworden dat de rol van de verachte kleiner is geweest dan die van de medeverdachten, alsook dat verdachte een vaste baan heeft die hem financieel stabiliteit geeft en waarmee hij zelfstandig in zijn bestaan kan voorzien.

Het hof is - alles overwegende en mede gelet op de speciale en generale preventie - van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur, alsmede een geheel onvoorwaardelijke taakstraf van na te melden duur een passende en geboden reactie vormen.

Beslag

De advocaat-generaal heeft – overeenkomstig het op schrift gestelde requisitoir – gevorderd dat het vonnis waarvan beroep ook ten aanzien van de beslissing omtrent het beslag dient te worden bevestigd.

Verbeurd verklaren

De in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen:

  • -

    knipbollen hennep, 2 stuks ([nummer]) en

  • -

    auto, [gegevens],

volgens opgave van de verdachte aan hem toebehorend, zijn vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het voorwerpen zijn met behulp waarvan het onder 1 en 2 bewezen verklaarde respectievelijk is begaan en voorbereid. Er zijn immers hennepstekken vanuit de genoemde auto verkocht.

Het hof zal daarom deze voorwerpen verbeurd verklaren.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Onttrekken aan het verkeer

Het is een feit van algemene bekendheid dat fenacetine vanwege zijn schadelijke bijwerkingen op het lichaam, in Nederland niet meer als geneesmiddel, of als bestanddeel van geneesmiddelen, mag worden toegepast. Andere toepassingen in Nederland dan als versnijdingsmiddel voor cocaïne, zijn ten aanzien van fenacetine niet aannemelijk geworden.

Lidocaïne wordt als werkzame stof in geneesmiddelen gebruikt, waarna deze geneesmiddelen in Nederland onder de bepalingen van de Geneesmiddelenwet vallen, hetwelk onder meer impliceert dat zij alleen onder strikte voorwaarden mogen worden verspreid. Ook van deze stof zijn -behalve voormeld (gereguleerd) gebruik in geneesmiddelen- geen andere gebruikelijke andere toepassingen in Nederland dan als versnijdingsmiddel van cocaïne gebleken.

Het hof beschouwt het in Nederland voorhanden hebben van deze beide stoffen dan ook als van zodanige aard, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met het algemeen belang.

Het hof zal deze stoffen – vermeld op de beslaglijst - daarom onttrekken aan het verkeer.

Teruggave aan de verdachte

Ten aanzien van de in beslag genomen en nog niet terug gegeven voorwerpen:

  • -

    vat met opschrift inositol, 5 stuks ([nummer]);

  • -

    vat met opschrift cafeïne, 31 stuks ([nummer]);

  • -

    zak met opschrift paracetamol, 15 stuks ([nummer]);

  • -

    doos met opschrift paracetamol, 20 stuks ([nummer]);

  • -

    jerrycan (blauw) ([nummer]);

  • -

    weegschaal ([nummer]);

  • -

    strijkijzer ([nummer]);

  • -

    kluis met cijferslot ([nummer]);

  • -

    een rekenmachine ([nummer]),

zal het hof de teruggave gelasten aan de verdachte, nu het hof niet is gebleken dat deze goederen van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 57, 63 en 311 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 3, 11 en 11a van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 4 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 5 en 6 bewezen verklaarde strafbaar en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) maanden.

Bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot

9 (

negen) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van

2 (

twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Veroordeelt de verdachte voorts tot een taakstraf voor de duur van 240 (tweehonderdveertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:

  • -

    knipbollen hennep, 2 stuks ([nummer]) en

  • -

    auto, [gegevens].

Beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:

  • -

    vat met opschrift phenacetin, 43 stuks ([nummer]) en

  • -

    vat met opschrift lidocaïne, 5 stuks ([nummer]).

Gelast de teruggave aan de verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen:

  • -

    vat met opschrift inositol, 5 stuks ([nummer]);

  • -

    vat met opschrift cafeïne, 31 stuks ([nummer]);

  • -

    zak met opschrift paracetamol, 15 stuks ([nummer]);

  • -

    doos met opschrift paracetamol, 20 stuks ([nummer]);

  • -

    jerrycan (blauw) ([nummer]);

  • -

    weegschaal ([nummer]);

  • -

    strijkijzer ([nummer]);

  • -

    kluis met cijferslot ([nummer]);

  • -

    een rekenmachine ([nummer]).

Dit arrest is gewezen door mr. N. Schaar,

mr. Th.W.H.E. Schmitz en mr. A. Kuijer, in bijzijn van de griffier mr. S. Imami.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 11 juli 2013.